Uitspraak 202407191/1/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4859
- Datum uitspraak
- 19 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 17 oktober 2024 heeft de raad van de gemeente Rotterdam het bestemmingsplan "Park OverdeSchie" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van het terrein van het tennispark OverdeSchie in Rotterdam, naar woningen. Het plan maakt de bouw van maximaal 48 woningen mogelijk. Het voornemen is om 16 appartementen en 32 grondgebonden woningen te realiseren. [appellant] woont op het perceel [locatie], ten noorden van het plangebied. Hij kan zich niet met het plan verenigen. [appellant] betoogt dat het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, omdat er geen deugdelijke participatie heeft plaatsgevonden. Hij wijst erop dat uit het participatiebeleid van de gemeente Rotterdam "Betrokken Stad" volgt dat een burger vanaf het eerste begin van een idee daarbij moet worden betrokken, terwijl daar geen sprake van is geweest.
- Eerste aanleg - meervoudig
- RO - Zuid-Holland
Toon inhoud
202407191/1/R3.
Datum uitspraak: 19 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Rotterdam,
appellant,
en
de raad van de gemeente Rotterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 17 oktober 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Park OverdeSchie" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
GRANNU Projectontwikkeling BV heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De raad en GRANNU Projectontwikkeling B.V. hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 augustus 2026, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. M.A.C. Kooij en R. Lamers, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting GRANNU Projectontwikkeling B.V., Granneman Projectontwikkeling B.V. en NU Projectontwikkeling B.V. vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. A. Daan, advocaat in Deventer, gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 22 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van het terrein van het tennispark OverdeSchie in Rotterdam, naar woningen. Het plan maakt de bouw van maximaal 48 woningen mogelijk. Het voornemen is om 16 appartementen en 32 grondgebonden woningen te realiseren.
3. [appellant] woont op het perceel [locatie], ten noorden van het plangebied. Hij kan zich niet met het plan verenigen.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
5. De gronden van het plangebied waren in het plan "Overschie" bestemd voor "Sport - Sport- en speelterrein", "Wonen" en "Waarde - Archeologie 4".
Het bestreden plan kent aan de gronden van het plangebied de bestemmingen "Wonen" "Tuin", "Verkeer", "Groen" en "Waarde - Archeologie 4" toe.
Participatie
6. [appellant] betoogt dat het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, omdat er geen deugdelijke participatie heeft plaatsgevonden. Hij wijst erop dat uit het participatiebeleid van de gemeente Rotterdam "Betrokken Stad" volgt dat een burger vanaf het eerste begin van een idee daarbij moet worden betrokken, terwijl daar geen sprake van is geweest.
6.1. Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Niet is gebleken dat de raad niet op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in die afdeling. Het ontwerpplan is ter inzage gelegd en een ieder heeft de mogelijkheid gehad om daarover een zienswijze in te dienen. Er bestaat in dit geval geen wettelijke verplichting om inspraakmogelijkheden te bieden voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbesluit. De stelling dat het bestreden plan zich niet verdraagt met het participatiebeleid "Betrokken Stad", heeft [appellant] niet nader onderbouwd.
Het betoog slaagt niet.
Parkeren
7. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte niet in het plan heeft gewaarborgd dat er voldoende parkeerplaatsen binnen het plangebied worden gerealiseerd. Volgens de raad zullen er 56 van de 74 benodigde parkeerplaatsen worden gerealiseerd in parkeerkoffers, maar daarover is niets vastgelegd in het plan. [appellant] vreest dat onaanvaardbare parkeeroverlast zal ontstaan in de omgeving, waaronder zijn straat.
7.1. Hoewel de vraag of er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd pas in het kader van de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van de in het plan voorziene woningen aan de orde zal zijn, moet de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan al wel bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Daarom zal de Afdeling hierna beoordelen of op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien, en dat de raad zich om die reden redelijkerwijs niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2762).
7.2. Artikel 11.1 van de planregels luidt:
"a. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen op grond van de planregels in hoofdstuk 2 kan uitsluitend worden verleend als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid en/of ruimte voor laden en lossen op eigen terrein.
b. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de parkeernormen en berekeningsmethode, zoals opgenomen in de gemeente Rotterdam geldende beleid ten aanzien van parkeren of de rechtsopvolger daarvan."
7.3. In paragraaf 6.3.2 van de plantoelichting is de raad ingegaan op het onderwerp parkeren. Daar staat dat ten tijde van de vaststelling van het plan de "Beleidsregeling Parkeernormen voor auto en fiets 2022" gold. Volgens dit beleid moet de parkeerbehoefte in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. In de plantoelichting staat dat de totale parkeerbehoefte van het plan 74 parkeerplaatsen bedraagt. Deze parkeerbehoefte wordt voorzien in het plangebied, waar drie parkeerkoffers met in totaal 56 parkeerplaatsen worden gerealiseerd en 18 parkeerplaatsen op eigen terrein bij de woningen. De conclusie is dat aan de "Beleidsregeling Parkeernormen voor auto en fiets 2022" wordt voldaan.
7.4. De Afdeling volgt het standpunt van de raad dat in het plangebied voldoende ruimte is om 56 parkeerplaatsen te realiseren in parkeerkoffers. De Afdeling overweegt dat op de plattegrond in afbeelding 4.2 van de plantoelichting drie parkeerkoffers zijn ingetekend met in totaal 56 parkeerplaatsen. De Afdeling stelt vast dat aan de gronden van deze drie locaties de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" is toegekend. Op grond van artikel 5.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de gronden, onder meer, bestemd voor parkeerplaatsen.
Gelet op het voorgaande, is de conclusie dat niet op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de raad in het bestemmingsplan ten onrechte geen regeling heeft opgenomen over het realiseren van 56 parkeerplaatsen in parkeerkoffers.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie en proceskosten
8. Het beroep is ongegrond.
9. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Kemerink op Schiphorst-Hofman, griffier.
w.g. De Groot
voorzitter
w.g. Kemerink op Schiphorst-Hofman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026
933
Woningbouw in Rotterdam op locatie van voormalig tennispark OverdeSchie
Uitspraak over het bestemmingsplan ‘Park OverdeSchie’ dat de gemeenteraad van Rotterdam heeft vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt 16 appartementen en 32 woningen mogelijk op de locatie van voormalig tennispark OverdeSchie. Een omwonende is het niet eens met de komst van de woningen. Zij vindt dat ze onvoldoende bij de plannen is betrokken en dat de komst van de woningen tot parkeeroverlast in de omgeving leidt. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 6 augustus 2026 op zitting behandeld.