Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202406042/1/R2

Uitspraak 202406042/1/R2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4848
Datum uitspraak
19 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 18 juli 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Altena de aanvraag van [appellanten] voor een omgevingsvergunning voor een bijgebouw aan de [locatie] afgewezen. [appellanten] hebben in 2017 de recreatiewoning en het perceel aan de [locatie] aangekocht. In 2022 hebben zij de planken van het houten platform en het bijgebouw vervangen. Zij hebben bij het college een legaliserende aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor dat bijgebouw. Deze aanvraag is door het college afgewezen. De rechtbank heeft in haar uitspraak ten eerste gekeken of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet past binnen het geldende bestemmingsplan. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat zij bij de aankoop van het perceel navraag hebben gedaan bij de gemeente of zij bekend zijn met eventuele onregelmatigheden.
  • Hoger beroep
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202406042/1/R2.
Datum uitspraak: 19 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend in Zaltbommel, en [appellante B],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 augustus 2024 in zaak nr. 24/3497 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Altena.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2023 heeft het college de aanvraag van [appellanten] voor een omgevingsvergunning voor een bijgebouw aan de [locatie] afgewezen.

Bij besluit van 29 februari 2024 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 18 juli 2023 in stand gelaten, met aanvulling van de motivering.

Bij uitspraak van 15 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 juli 2026, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [appellant A] en [gemachtigde], bijgestaan door mr. R.E. Wannink, advocaat in Berlicum, en het college van burgemeester en wethouders van Altena, vertegenwoordigd door mr. A.A. Kammer-Nieuwenhuizen en M. van Vuuren, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 25 februari 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       [appellanten] hebben in 2017 de recreatiewoning en het perceel aan de [locatie] aangekocht. In 2022 hebben zij de planken van het houten platform en het bijgebouw vervangen. Zij hebben bij het college een legaliserende aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor dat bijgebouw. Deze aanvraag is door het college afgewezen.

Toetsingskader

3.       Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is het toetsingskader voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen van een bouwwerk’. Dat is een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Toetsen aan artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo houdt in dat het college uitsluitend moet beoordelen of zich één van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, dan moet het de gevraagde vergunning verlenen. Als dat wel zo is, dan moet het de gevraagde vergunning weigeren. Het college heeft daarbij dus geen ruimte om een belangenafweging te maken.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo moet de vergunning onder meer worden geweigerd als het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het tweede lid van artikel 2.10 van de Wabo bepaalt dat de aanvraag in dat geval ook wordt aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’. Dan gaat het dus ook om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

3.1.    Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.

Uitspraak van de rechtbank

4.       De rechtbank heeft in haar uitspraak ten eerste gekeken of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet past binnen het geldende bestemmingsplan. Hiertoe heeft de rechtbank eerst vastgesteld dat het perceel kan worden aangemerkt als standplaats. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat op grond van artikel 8, tweede lid en onder d, van de planregels maximaal één bijgebouw is toegestaan per standplaats en op de standplaats van [appellanten] al een bijgebouw aanwezig is, te weten een boothuis.

Ook heeft de rechtbank gekeken of het college voldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Zij is van oordeel dat dit inderdaad het geval is, omdat het college meer ruimte wil geven aan de natuur in de omgeving en daarom geen verdere verharding en verdichting van de ruimte wil toestaan. Daarbij heeft het college mogen verwijzen naar de visie ‘Een nieuwe lente voor de Veense Put’, waarin bovenstaande uitgangspunten zijn opgenomen. Het bouwplan maakt daarentegen juist meer verstening en verdichting mogelijk.

Concluderend heeft de rechtbank geoordeeld dat het college om deze redenen de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren.

Hoger beroep

Intrekking hoger beroepsgrond

5.       [appellanten] hebben op de zitting hun hoger beroepsgrond over de overweging van de rechtbank dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, ingetrokken.

Goede procesorde

6.       Het college stelt zich op het standpunt dat de nadere stukken die [appellanten] op 1 juli 2026 hebben ingediend wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moeten worden gelaten.

6.1.    Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen ter motivering van een eerdere beroepsgrond, nieuwe argumenten worden aangevoerd en kan nieuw bewijs worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt dus grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen duurt voordat de zitting is, zoals geregeld in artikel 8:58 van de Awb. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter.

6.2.    Naar het oordeel van de Afdeling zijn de op 1 juli 2026 ingediende nadere stukken niet in strijd met de goede procesorde. Het college heeft op zitting inhoudelijk gereageerd op de stukken en blijk gegeven dat het al bekend was met de inhoud. De aard en omvang van deze nadere stukken geeft ook geen aanleiding voor het oordeel dat geen goede rechtspleging mogelijk is wanneer de Afdeling de nadere stukken meeneemt in haar beoordeling.

Vertrouwensbeginsel

7.       [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat zij bij de aankoop van het perceel navraag hebben gedaan bij de gemeente of zij bekend zijn met eventuele onregelmatigheden. [appellanten] voeren aan dat zij in 2017 via hun aankoopmakelaar contact hebben gehad met een ambtenaar van de gemeente. De ambtenaar heeft informatie verstrekt over eventuele afwijkingen van het bestemmingsplan aan het hoofdgebouw. Ook hebben [appellanten] gevraagd naar de overige bebouwing op het perceel, maar hierop heeft de ambtenaar destijds niet gereageerd. [appellanten] betogen dat zij er door het uitblijven van een inhoudelijke reactie op mochten vertrouwen dat de aanwezige bijgebouwen zijn toegestaan en dat hiervoor geen vergunning nodig is.

7.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat [appellanten] deze grond niet in beroep hebben aangevoerd. In hoger beroep kunnen alleen gronden worden aangedragen die ook in beroep zijn aangevoerd, omdat er een grondentrechter geldt tussen beroep en hoger beroep.

7.2.    De Afdeling zal deze beroepsgrond hieronder inhoudelijk bespreken. [appellanten] hebben in hun beroepschrift de informatie naar voren gebracht dat zij bij de aankoop van de [locatie] navraag hebben gedaan bij de gemeente. Zij voeren deze grond daarom niet voor het eerst aan in hoger beroep.

7.3.    Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.

7.4.    De Afdeling overweegt dat er in dit geval geen uitlating of gedraging is waaruit [appellanten] het vertrouwen hebben kunnen ontlenen dat geen omgevingsvergunning is vereist of dat het college een omgevingsvergunning zal verlenen voor het bijgebouw. De correspondentie waarnaar zij verwijzen bevat geen toezeggingen of andere uitlatingen die hier betrekking op hebben. Het uitblijven van een reactie op de vraag van [appellanten] kan niet de indruk hebben gewekt dat een omgevingsvergunning voor het bijgebouw zal worden verleend of niet nodig is.

Het betoog slaagt niet.

Afwijken van het bestemmingsplan

8.       [appellanten] betogen ook dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Volgens hen blijkt uit de stukken van de gemeente "Uitgangspunten voor normalisatie op de Veense put" en "Programmakader projectgebied Veense Put" van 4 september 2025 dat het bouwplan wel past binnen de recenter uitgewerkte visie voor het gebied.

8.1.    De rechtbank heeft in overweging 7.2 en 7.3 terecht overwogen dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Hier voegt de Afdeling aan toe dat zij begrijpt dat [appellanten] met hun nadere stukken inzichtelijk hebben willen maken dat het college sinds de uitspraak van de rechtbank verder heeft gewerkt aan de visie voor het gebied bij de Veense Put. Daargelaten de vraag of dit tot nieuwe inzichten zou moeten leiden over de verenigbaarheid van dit bouwplan met de goede ruimtelijke ordening, zijn deze nadere stukken van na het besluit op bezwaar. De rechtbank had deze dan ook niet kunnen betrekken in haar oordeel. Daarom kan de Afdeling deze stukken niet betrekken bij de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college de aanvraag heeft kunnen afwijzen.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

9.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

10.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Pistoor, griffier.

w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Pistoor
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026

932-1212


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon