Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202503663/1/A3

Uitspraak 202503663/1/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4846
Datum uitspraak
19 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 16 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellante] om rectificatie van meerdere onderdelen van een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) afgewezen. [appellante] heeft op 24 januari 2023 een verzoek ingediend om meerdere onderdelen van het rapport van de RvdK van 31 oktober 2022 (het rapport) aan te passen. Met het besluit van 16 november 2023 heeft de staatssecretaris dat verzoek om rectificatie, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming afgewezen omdat de beoogde rectificatie niet ziet op correctie van persoonsgegevens, maar op indrukken en meningen die vooraf of tijdens het onderzoek bij de RvdK zijn binnengekomen. Met het besluit van 27 mei 2024 is de staatssecretaris daarbij gebleven. Daarbij heeft de staatssecretaris betrokken dat naar aanleiding van het bezwaar van [appellante] de raadsmedewerkers een oplegnota hebben opgesteld en aanpassingen zijn gemaakt in het rapport en de daarin opgenomen tijdlijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat de AVG geen grond biedt om de door [appellante] aangevoerde punten te corrigeren.
  • Hoger beroep
  • Persoonsgegevens
  • Verordeningen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202503663/1/A3.
Datum uitspraak: 19 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 13 mei 2025 in zaak nr. 24/4589 in het geding tussen:

[appellante]

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (voorheen: de minister voor Rechtsbescherming), hierna: de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2023 heeft de staatsecretaris een verzoek van [appellante] om rectificatie van meerdere onderdelen van een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) afgewezen.

Bij besluit van 27 mei 2024 heeft de staatssecretaris het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 mei 2026, waar [appellante] en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. L.A. van Bergeijk, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellante] heeft op 24 januari 2023 een verzoek ingediend om meerdere onderdelen van het rapport van de RvdK van 31 oktober 2022 (het rapport) aan te passen. Met het besluit van 16 november 2023 heeft de staatssecretaris dat verzoek om rectificatie, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) afgewezen omdat de beoogde rectificatie niet ziet op correctie van persoonsgegevens, maar op indrukken en meningen die vooraf of tijdens het onderzoek bij de RvdK zijn binnengekomen. Met het besluit van 27 mei 2024 is de staatssecretaris daarbij gebleven. Daarbij heeft de staatssecretaris betrokken dat naar aanleiding van het bezwaar van [appellante] de raadsmedewerkers een oplegnota hebben opgesteld en aanpassingen zijn gemaakt in het rapport en de daarin opgenomen tijdlijn.

Uitspraak van de rechtbank

2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de AVG geen grond biedt om de door [appellante] aangevoerde punten te corrigeren. De gewenste aanpassingen betreffen volgens de rechtbank geen persoonsgegevens van [appellante] of zien vooral op indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies van de vader, de RvdK of informanten die zijn geraadpleegd tijdens het onderzoek. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de termen middelengebruik/drugsgebruik niet onjuist worden gebruikt. Het is volgens de rechtbank ook niet onjuist dat er in het rapport en de oplegnota nog wordt gesproken over psychische problematiek, omdat dit de eetstoornis (in remissie) van [appellante] betreft. Het is ook niet in geschil dat zij deze eetstoornis heeft gehad, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

3.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris op grond van artikel 16 van de AVG niet is gehouden de gewenste aanpassingen en aanvullingen van het rapport aan te brengen. Volgens [appellante] ontbreken een aantal belangrijke gebeurtenissen en jaartallen in het rapport. Verder is zij het niet eens met wat er in het rapport staat over de opvoedsituatie met betrekking tot haar dochter. Zij mist de bronvermelding en de bewijzen hiervan. Er is voornamelijk gebruik gemaakt van de tijdlijn van de vader met daarin zijn visie. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de termen middelen- of drugsgebruik en psychische problematiek in het rapport en de oplegnota niet onjuist worden gebruikt. Zij had weliswaar een eetstoornis waarvoor zij opgenomen is geweest, maar van deze problematiek was ten tijde van het onderzoek volgens [appellante] geen sprake meer. Ook is er geen sprake van een drugsverslaving en/of middelengebruik en dit blijkt ook uit een verklaring van haar huisarts, aldus [appellante]. Tenslotte wijst [appellante] erop dat er inmiddels een andere situatie is ontstaan, namelijk dat haar dochter weer bij haar woont en alle contacten met de vader van haar dochter zijn verbroken.

3.1.    De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard en is uitvoerig gemotiveerd ingegaan op wat [appellante] in beroep heeft aangevoerd. De Afdeling volgt het oordeel en de motivering van de rechtbank. Wat [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling voegt hieraan nog het volgende toe.

3.2.    Net als de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het in artikel 16 van de AVG opgenomen correctierecht niet is bedoeld om indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies waarmee de betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3763). In deze procedure gaat het dus alleen over de vraag of de rechtbank het beroep van [appellante] over de afwijzing van haar rectificatieverzoek ongegrond heeft mogen verklaren. Andere aspecten en betogen, zoals of het rapport al dan niet op de juiste wijze tot stand is gekomen en of [appellante] bijvoorbeeld voldoende is gehoord, kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Daarnaast kunnen de gewijzigde omstandigheden waar [appellante] zich op de zitting op heeft beroepen en in het bijzonder het feit dat haar dochter weer bij haar woont en het contact met de vader heeft verbroken, niet leiden tot het oordeel dat het besluit van de staatssecretaris dat het rectificatieverzoek moet worden afgewezen geen stand kan houden. Dat geldt ook voor het verzoek van [appellante] om de staatssecretaris op te dragen om het rapport in zijn geheel te vernietigen. Tenslotte wijst de Afdeling er op dat de staatssecretaris met de inmiddels van het rapport deel uitmakende oplegnota en de aangebrachte wijzigingen van de feiten die correctie behoefden voldoende heeft aangepast.

3.3.    Het betoog slaagt niet.

Slotsom

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

5.       De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.

w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Wezep
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026

844


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon