Uitspraak 202407785/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4735
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 28 april 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een gebouw voor dak- en thuislozenopvang op de locatie Zeeburgerpad 103, 105 en 107 in Amsterdam. Het college heeft bij het in bezwaar gehandhaafde besluit aan de stichting een omgevingsvergunning voor de activiteit "bouwen" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo verleend voor het oprichten van een gebouw voor de opvang van dak- en thuislozen op de locatie Zeeburgerpad 103, 105 en 107 in Amsterdam. Het bedrijf van [appellanten] houdt zich op het perceel [locatie] met name bezig met het repareren van scheepsmotoren. [appellanten] vreest dat de komst van de dak- en thuislozenopvang leidt tot een belemmering van de bedrijfsvoering van het bedrijf van [appellanten]. Het gebouw voor de opvang van dak- en thuislozen is namelijk voorzien op korte afstand van zijn bedrijf. Vanwege deze korte afstand, vreest [appellanten] dat de dak- en thuislozen in de opvang mogelijk klachten zullen indienen over geluidsoverlast afkomstig van het bedrijf.
- Hoger beroep
- Bouwen
Toon inhoud
202407785/1/R1.
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A], handelend onder de naam [naam firma], en [appellant B], beiden wonend in Amsterdam,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 november 2024 in zaak nr. 24/612 in het geding tussen:
[firma]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 28 april 2023 heeft het college aan Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg (de stichting) een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een gebouw voor dak- en thuislozenopvang op de locatie Zeeburgerpad 103, 105 en 107 in Amsterdam.
Bij besluit van 19 december 2023 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 28 april 2023 onder wijziging van de motivering in stand gelaten.
Bij uitspraak van 13 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellanten] hoger beroep ingesteld.
Het college en de stichting hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op de zitting van 2 juli 2026, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. J.M. Smits, rechtsbijstandverlener in Nieuwegein, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. de Groot en R.F.C. Kleine Deters, zijn verschenen. Voorts is op de zitting de stichting, vertegenwoordigd door mr. A.B. Groeneveld en [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 12 december 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het college heeft bij het in bezwaar gehandhaafde besluit aan de stichting een omgevingsvergunning voor de activiteit "bouwen" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo verleend voor het oprichten van een gebouw voor de opvang van dak- en thuislozen op de locatie Zeeburgerpad 103, 105 en 107 in Amsterdam. Het bedrijf van [appellanten] houdt zich op het perceel [locatie] met name bezig met het repareren van scheepsmotoren. [appellanten] vreest dat de komst van de dak- en thuislozenopvang leidt tot een belemmering van de bedrijfsvoering van het bedrijf van [appellanten]. Het gebouw voor de opvang van dak- en thuislozen is namelijk voorzien op korte afstand van zijn bedrijf. Vanwege deze korte afstand, vreest [appellanten] dat de dak- en thuislozen in de opvang mogelijk klachten zullen indienen over geluidsoverlast afkomstig van het bedrijf.
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het door de stichting beoogde verblijf van dak- en thuislozen in de opvang voldoet aan de regels van het bestemmingsplan "Zeeburgerpad". Het college heeft dan ook terecht geen noodzaak gezien om een toestemming voor de activiteit "gebruik in strijd met het bestemmingsplan" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, te verlenen, aldus de rechtbank.
Toetsingskader
4. Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is het toetsingskader voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen van een bouwwerk’. Dat is een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Toetsen aan artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo houdt in dat het college uitsluitend moet beoordelen of zich één van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, dan moet het de gevraagde vergunning verlenen. Als dat wel zo is, dan moet het de gevraagde vergunning weigeren. Het college heeft daarbij dus geen ruimte om een belangenafweging te maken.
Het bestemmingsplan
5. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Zeeburgerpad" (het bestemmingsplan). De gronden van de locatie Zeeburgerpad 103, 105 en 107, waar het gebouw voor de opvang van dak- en thuislozen is beoogd, zijn aangewezen als "Bedrijf", met een nadere functieaanduiding "Specifieke vorm van bedrijf-2 (sb-2)".
Artikel 3.1, aanhef en onder e, luidt voor zover hier van belang: "De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: ter plaatse van de aanduiding ‘Specifieke vorm van bedrijf-2’(sb-2)’ is een opvang van dak- en thuislozen toegestaan."
Artikel 3.2.1 luidt: "Op en onder de in 3.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming."
Heeft het verblijf van dak- en thuislozen in het vergunde gebouw een tijdelijk karakter en past het hiermee binnen het bestemmingsplan?
6. [appellanten] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het gebruik, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met de bestemming, omdat de aangevraagde dak- en thuislozenopvang volgens hem een duurzaam karakter heeft en hierdoor een woonfunctie mogelijk maakt. [appellanten] wijst er daarbij op dat de rechtbank, onder 8.5 van de aangevallen uitspraak, ten onrechte heeft geoordeeld dat de opvang van personen op de betrokken locatie naar zijn aard een tijdelijk in plaats van een duurzaam karakter heeft. Volgens [appellanten] hecht de rechtbank in dat kader ten onrechte betekenis aan het gegeven dat verblijf in de opvang langer dan één jaar een uitzondering zou zijn en dat daarom geen sprake zou zijn van duurzaam verblijf. [appellanten] stelt daarbij dat in een dergelijke situatie juist vanwege de duur van het verblijf wel sprake is van duurzaam verblijf en dit verblijf daarom moet worden gekwalificeerd als "wonen". Daarbij wijst hij erop dat er geen garantie is dat verblijf in de opvang die langer dan één jaar duurt, niet vaker zal voorkomen.
Verder wijst hij erop dat de rechtbank door dit oordeel bevestigt dat verblijf langer dan één jaar op grond van de verleende omgevingsvergunning is toegestaan. Door geen voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden, is de vergunning volgens [appellanten] daarom niet beperkt tot tijdelijk verblijf. [appellanten] heeft ter onderbouwing van het standpunt verwezen naar jurisprudentie van de Afdeling.
6.1. De Afdeling stelt vast dat het plan op grond van artikel 3.1, aanhef en onder e, van de planregels een opvang voor dak- en thuislozen op de betrokken locatie mogelijk maakt. Een dergelijke opvang is naar haar aard tijdelijk van karakter. Voorzien wordt in 76 individuele ruimtes, zogenoemde ‘verblijfsunits’, met eigen sanitaire- en keukenvoorzieningen. Tevens wordt voorzien in een bedrijfsgebouw dat bestaat uit een keukenbedrijf, gericht op het bereiden van maaltijden en maaltijdcomponenten voor externe en interne klanten, met bijbehorende ruimten, zoals een kantine, kantoor en ruimte voor technische installaties.
Over de beroepsgrond van [appellanten] dat wat is aangevraagd, verblijf mogelijk maakt met een duurzaam karakter en daarmee een "woonfunctie" die in strijd is met het bestemmingsplan, overweegt de Afdeling het volgende.
De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de aangevraagde opvang voor dak- en thuislozen naar zijn aard een tijdelijk karakter heeft en mede daarom overeenkomstig het geldende bestemmingsplan is verleend. De Afdeling volgt hierbij niet de stelling van [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte betekenis zou hechten aan de omstandigheid dat het verblijf langer dan één jaar in de opvang een uitzonderingsituatie is en dat in die situatie geen sprake zou zijn van duurzaam verblijf. De rechtbank heeft in dit kader terecht overwogen dat een verblijf langer dan één jaar niet hetzelfde is als een duurzaam verblijf, omdat ook dit langere verblijf gericht is op intensieve zorg met begeleiding voor de opgevangen personen, om uiteindelijk zo snel mogelijk uit te stromen naar een zelfstandige woonruimte op een andere locatie. De verblijfsduur in de opvang is daarbij afhankelijk van de vorderingen in zelfredzaamheid. Het is daarbij niet relevant of het verblijf langer dan één jaar duurt of dat het hier om een uitzonderingssituatie gaat of niet. Bovendien acht de Afdeling de aangevraagde voorzieningen in overeenstemming met tijdelijke opvang voor dak- en thuislozen door de stichting, omdat deze voorzieningen de zelfredzaamheid voor de opgevangen dak- en thuislozen in het kader van begeleiding gericht op uitstroom naar een andere zelfstandige woonruimte, bevorderen.
Ook de door [appellanten] aangehaalde jurisprudentie leidt niet tot een ander oordeel. Die jurisprudentie is naar het oordeel van de Afdeling niet vergelijkbaar met de voorliggende situatie, omdat deze uitspraken niet gaan over een opvanglocatie voor dak- en thuislozen of een ander soort opvanglocatie met zorg en begeleiding met als doel uitstroom naar zelfstandige woonruimte. De rechtbank heeft in die jurisprudentie dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat ten aanzien van de gevraagde opvang sprake is van duurzaam verblijf dat kan worden gekwalificeerd als "wonen" .
Het voorgaande betekent dat het college gehouden was om de omgevingsvergunning te verlenen, omdat de gevraagde opvang in overeenstemming is met het bestemmingsplan en zich geen van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo voordoet.
Het betoog slaagt niet.
Is de verkeerde procedure gevolgd?
7. [appellanten] voert tot slot aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de verkeerde procedure is gevolgd en dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure moest worden doorlopen. Volgens [appellanten] moet immers van het bestemmingsplan worden afgeweken, omdat sprake is van een woonfunctie. Bij de afwijking van het bestemmingsplan zoals in dit geval, is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing, aldus [appellanten].
7.1. Op grond van artikel 3.7, eerste lid, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo, is op een aanvraag om een omgevingsvergunning de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing, tenzij de uitgebreide voorbereidingsprocedure geldt. De beantwoording van de vraag welke voorbereidingsprocedure van toepassing is, is afhankelijk van de activiteit die is aangevraagd. Dat is geregeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo. De Wabo schrijft dwingend voor welke procedure op een aanvraag om omgevingsvergunning van toepassing is. Het college heeft hierin dus geen keuze, maar moet de voorbereidingsprocedure toepassen die de Wabo voorschrijft.
7.2. De Afdeling begrijpt de beroepsgrond van [appellanten] zo dat sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de Wabo. Zoals hiervoor onder 6.1 is overwogen, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de aangevraagde activiteit niet in strijd is met het bestemmingsplan. Dat betekent dat artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de Wabo in het voorliggende geval niet van toepassing is. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat op de betrokken aanvraag voor een omgevingsvergunning de reguliere procedure van toepassing is.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Tieleman, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Tieleman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026
817-1185
Dak- en thuislozenopvang voor Leger des Heils in Amsterdam
Uitspraak over de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft verleend aan het Leger des Heils voor de bouw van een dak- en thuislozenopvang aan het Zeeburgerpad in Amsterdam. Een naastgelegen bedrijf dat scheepsmotoren repareert, is het niet eens met de verleende vergunning. Het bedrijf is bang dat de komst van de dak- en thuislozenopvang hem in zijn activiteiten belemmert. Volgens hem verblijven de dak- en thuislozen lang in de opvang waardoor het verblijf als ‘wonen’ moet worden aangemerkt en dat staat het bestemmingsplan niet toe. Vanwege de korte afstand tussen het bedrijf en de opvang vreest het bedrijf verder dat de bewoners van de opvang klachten zullen indienen over geluidsoverlast. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 2 juli 2026 op zitting behandeld.