Uitspraak 202600707/1/R4 en 202600707/2/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4643
- Datum uitspraak
- 10 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 3 december 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schiedam aan [appellant] zes lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 4.84, eerste, tweede en derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit), van artikel 2.9, eerste en tweede lid, van het Activiteitenbesluit in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer (de Activiteitenregeling), van artikel 2.14a van het Activiteitenbesluit in samenhang met artikel 10.38 van de Wet milieubeheer en van artikel 4.1, zevende lid, van het Activiteitenbesluit in samenhang met artikel 4.10 van de Activiteitenregeling. [appellant] is eigenaar van de eenmanszaak "[bedrijf]" in Schiedam. De overtredingen betreffen onder meer het aanwezig hebben van meer dan vier autowrakken in de garage, het aanwezig hebben van meer dan vier wrakken van tweewielige motorvoertuigen, het niet aanbrengen van bodembeschermende voorzieningen voor brandgevaarlijke en bodembedreigende vloeistoffen en het niet periodiek afvoeren van bedrijfsafvalstoffen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202600707/1/R4 en 202600707/2/R4.
Datum uitspraak: 10 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (de rechtbank) van 5 februari 2026 in zaken nrs. 25/9982, 25/9983, 25/9984, 25/9985 en 26/87 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Schiedam.
Procesverloop
Bij besluit van 3 december 2021 heeft het college aan [appellant] zes lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 4.84, eerste, tweede en derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit), van artikel 2.9, eerste en tweede lid, van het Activiteitenbesluit in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer (de Activiteitenregeling), van artikel 2.14a van het Activiteitenbesluit in samenhang met artikel 10.38 van de Wet milieubeheer en van artikel 4.1, zevende lid, van het Activiteitenbesluit in samenhang met artikel 4.10 van de Activiteitenregeling.
Bij besluit van 18 juli 2023 heeft het college bij [appellant] een dwangsom van € 8.500,00 ingevorderd.
Bij besluit van 20 mei 2025 heeft het college bij [appellant] een dwangsom van € 6.750,00 ingevorderd.
Bij besluit van 3 oktober 2025 heeft het college bij [appellant] een dwangsom van € 7.750,00 ingevorderd.
Bij besluit van 17 december 2025 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 3 december 2021 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 5 februari 2026 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 17 december 2025 ingestelde beroep ongegrond verklaard, het beroep tegen het besluit van 18 juli 2023 en het beroep tegen het besluit van 20 mei 2025 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 3 oktober 2025 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [appellant] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 16 juli 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.A.K. Rahman, advocaat in Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.A. Dits, mr. L. Kestein en W.L.A. den Boer, zijn verschenen.
Overwegingen
Onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
Bij besluit van 3 december 2021 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.
Inleiding
3. [appellant] is eigenaar van de eenmanszaak "[bedrijf]" in Schiedam. Bij het besluit van 3 december 2021 heeft het college aan hem zes lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van meerdere bepalingen in het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling en de Wet milieubeheer. De overtredingen betreffen onder meer het aanwezig hebben van meer dan vier autowrakken in de garage, het aanwezig hebben van meer dan vier wrakken van tweewielige motorvoertuigen, het niet aanbrengen van bodembeschermende voorzieningen voor brandgevaarlijke en bodembedreigende vloeistoffen en het niet periodiek afvoeren van bedrijfsafvalstoffen.
Het college heeft bij de besluiten van 18 juli 2023, 20 mei 2025 en 3 oktober 2025 verbeurde dwangsommen ingevorderd bij [appellant], nadat bij controles was geconstateerd dat hij meerdere van de bij het besluit van 3 december 2021 opgelegde lasten niet had uitgevoerd. [appellant] heeft tegen alle drie de invorderingsbesluiten bezwaar gemaakt.
Op 10 december 2025 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 december 2021 tot oplegging van de last onder dwangsom. Bij het besluit van 17 december 2025 heeft het college dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar buiten de bezwaartermijn was ingediend.
[appellant] is tegen het besluit van 17 december 2025 in beroep gegaan. De rechtbank heeft de invorderingsbesluiten bij het beroep betrokken op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Awb. Zij heeft het beroep tegen het besluit van 17 december 2025 ongegrond verklaard, het beroep tegen het eerste invorderingsbesluit en het beroep tegen het tweede invorderingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het derde invorderingsbesluit ongegrond verklaard.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening tegen het derde invorderingsbesluit. Volgens hem is de continuïteit van zijn bedrijf in gevaar doordat het college is overgegaan tot invordering van de dwangsommen.
Het college heeft geen betaling gevorderd van de verbeurde dwangsommen waarop het eerste en tweede invorderingsbesluit betrekking hebben. Volgens hem is zijn bevoegdheid tot invordering van deze dwangsommen verjaard.
Bekendmaking van de last onder dwangsom
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zijn bezwaar tegen het besluit van 3 december 2021 tot oplegging van de last onder dwangsom terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens een niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. [appellant] voert aan dat hij het besluit pas op 10 december 2025 heeft ontvangen, zodat zijn bezwaarschrift van die datum niet te laat is ingediend. Over de periode daarvoor heeft de rechtbank volgens hem ten onrechte overwogen dat er meerdere momenten zijn geweest waarop hij op de hoogte had kunnen raken van de last onder dwangsom. Hij voert hiertoe aan dat het college geen verzendadministratie heeft kunnen overleggen waaruit blijkt dat de aangetekende brief met het besluit van 3 december 2021 aan hem is uitgereikt. Verder voert hij aan dat uit het verslag van de controle van 28 mei 2025 volgt dat het besluit niet bij die controle aan hem is uitgereikt.
4.1. Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Bekendmaking geschiedt op grond van artikel 3:41, eerste lid, door toezending of uitreiking aan de belanghebbende.
4.2. Als een stuk van een bestuursorgaan of rechterlijke instantie aangetekend is verzonden en belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of het postvervoerbedrijf het stuk op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende heeft aangeboden. Als het interne systeem van het postvervoerbedrijf laat zien dat de bezorger het stuk op het juiste adres heeft uitgereikt of daar een zogenoemd afhaalbericht in de brievenbus heeft achtergelaten, rechtvaardigt dat het vermoeden dat het stuk op regelmatige wijze op dat adres is aangeboden.
4.3. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het college het bezwaar van [appellant] tegen het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens een niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Naar het oordeel van de Afdeling is namelijk niet aannemelijk gemaakt dat het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom voor 10 december 2025 op de voorgeschreven wijze aan [appellant] bekend is gemaakt. Het college heeft geen stukken kunnen overleggen waaruit blijkt dat het postvervoerbedrijf het stuk op regelmatige wijze op het adres van [appellant] heeft aangeboden. Het heeft ook geen afhaalbericht kunnen overleggen. Het besluit is verder niet uitgereikt bij de controle van 28 mei 2025. Zoals [appellant] heeft aangevoerd, blijkt uit het verslag van 10 juni 2025 van deze controle dat tijdens de controle alleen een invorderingsbrief en betalingsbrieven aan hem zijn uitgereikt.
Het voorgaande betekent dat het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom pas op 10 december 2025 aan [appellant] is uitgereikt en dat de bezwaartermijn pas op die datum is aangevangen. Zijn bezwaarschrift van 10 december 2025 tegen dat besluit is daarom binnen de bezwaartermijn ingediend. Gelet hierop heeft het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Het betoog slaagt.
Invorderingsbesluit van 18 juli 2023
5. [appellant] bestrijdt het oordeel van de rechtbank over zijn beroep tegen het invorderingsbesluit van 18 juli 2023 niet, maar betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om het college te veroordelen tot vergoeding van de kosten van zijn bezwaarschrift, waarvan de inhoud als gronden van zijn beroep van rechtswege tegen het invorderingsbesluit is behandeld. Hij heeft in zijn bezwaarschrift aangevoerd dat de bevoegdheid van het college om de dwangsom in te vorderen was verjaard. Hoewel hij volgens de rechtbank vanwege de verjaring van invorderingsbevoegdheid geen belang meer had bij een oordeel op zijn beroep tegen het invorderingsbesluit, heeft zij volgens hem niet onderkend dat verjaringstermijn is verstreken door nalatigheid van het college.
5.1. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, kan, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld.
5.2. Indien het beroep niet-ontvankelijk is omdat belang ontbreekt, moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. In beginsel bestaat hiertoe slechts aanleiding, indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen of indien het procesbelang anderszins door toedoen van het bestuursorgaan is verdwenen. Met analoge toepassing van het in artikel 8:75a van de Awb opgenomen criterium bij toepassing van artikel 8:75 is dan een proceskostenveroordeling mogelijk.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75. Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift op 21 november 2023 tegen het invorderingsbesluit de bevoegdheid tot invordering was verjaard. Op dat moment had [appellant] dus al geen belang meer bij de beoordeling van zijn bezwaar. Dit betekent dat het procesbelang niet is komen te vervallen door toedoen van het college of doordat het college aan [appellant] is tegemoetgekomen.
Het betoog slaagt niet.
Invorderingsbesluit van 20 mei 2025
6. [appellant] heeft op de zitting toegelicht dat hij het oordeel van de rechtbank over zijn beroep tegen het invorderingsbesluit van 20 mei 2025 niet meer bestrijdt, maar dat er aanleiding bestaat om het college te veroordelen tot vergoeding van de kosten van zijn bezwaarschrift, waarvan de inhoud als gronden van zijn beroep van rechtswege tegen het invorderingsbesluit is behandeld. Volgens [appellant] is het college aan hem tegemoetgekomen, omdat het op de zitting heeft toegelicht dat zijn bevoegdheid tot invordering van de dwangsom was verjaard en dat het daarom de betaling van de dwangsom niet zou vorderen.
6.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75. Niet is gebleken dat het college aan [appellant] is tegemoetgekomen. Het college heeft namelijk geen besluit genomen waarbij het aan [appellant] is tegemoetgekomen. Het enkele feit dat het college op de zitting heeft gesteld dat volgens hem zijn bevoegdheid tot invordering van de dwangsom waarop het invorderingsbesluit van 20 mei 2025 betrekking heeft, is verjaard, maakt niet dat het college aan [appellant] is tegemoetgekomen.
Het betoog slaagt niet.
Invorderingsbesluit van 3 oktober 2025
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de omstandigheid dat het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom pas op 10 december 2025 op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, aanleiding geeft om niet tot invordering over te gaan.
7.1. Zoals onder 4.3 is overwogen, is het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom pas op 10 december 2025 aan [appellant] bekendgemaakt. Op grond van artikel 3:40 van de Awb treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt. Dit betekent dat het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom pas op 10 december 2025 in werking is getreden. In de periode voor de inwerkingtreding van dat besluit kan geen dwangsom zijn verbeurd. Om die reden kan het invorderingsbesluit van 3 oktober 2025 geen stand houden.
Het betoog slaagt.
Conclusie
8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 17 december 2025 en het beroep tegen het invorderingsbesluit van 3 oktober 2025 ongegrond zijn verklaard. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen het besluiten van 17 december 2025 en 3 oktober 2025 gegrond verklaren en die besluiten vernietigen. De uitspraak van de rechtbank moet voor het overige worden bevestigd, voor zover aangevallen. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
9. Het college moet met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit nemen op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom van 3 december 2021.
10. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
11. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 5 februari 2026 in zaken nrs. 25/9982, 25/9983, 25/9984, 25/9985 en 26/87, voor zover daarbij de beroepen tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Schiedam van 17 december 2025 en 3 oktober 2025 ongegrond zijn verklaard;
III. vernietigt het besluit van 17 december 2025 van het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, kenmerk 1.2025.0289.001;
IV. vernietigt het besluit van 3 oktober 2025 van het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, kenmerk 25UIT06145;
V. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige, voor zover aangevallen;
VI. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VII. wijst het verzoek af;
VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Schiedam tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep, beroep en het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.604,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Schiedam aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep, beroep en verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 788,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.E.P. van Gulik, griffier.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Van Gulik
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2026