Uitspraak BRS.26.003486
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4544
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- De minister van Asiel en Migratie heeft appellant op 3 juni 2026 opgehouden voor verhoor.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.003486
ECLI:NL:RVS:2026:4544
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 8 juli 2026 in zaak nr. NL26.35908 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De minister heeft appellant op 3 juni 2026 opgehouden voor verhoor.
Bij uitspraak van 8 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De uitspraak van de rechtbank gaat over de ophouding krachtens artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000. Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).
1.1. Wat appellant aanvoert, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dit doet zich hier niet voor.
2. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026
846-1219