Uitspraak BRS.26.001430
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4545
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 10 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.001430
ECLI:NL:RVS:2026:4545
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 18 maart 2026 in zaak nr. NL26.7556 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 10 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 18 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.J. Verwers, advocaat in Wageningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Bij brief van 20 juli 2026 heeft de minister laten weten dat de uiterlijke termijn om betrokkene over te dragen aan België is verstreken. Het staat dus vast dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Gelet daarop rijst de vraag of de minister nog belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep.
1.1. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1412, onder 5.2, heeft een bestuursorgaan, indien de rechtbank een besluit van dat bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd, belang bij het hoger beroep, alleen al wegens de precedentwerking die van die vernietiging kan uitgaan.
1.2. In deze zaak is de vraag aan de orde of de minister voor asielzoekers met een opvolgende asielaanvraag van het interstatelijk beginsel voor België mag uitgaan. In haar uitspraak van 17 juli 2026,
ECLI:NL:RVS:2026:4169, heeft de Afdeling deze vraag bevestigend beantwoord. Anders dan de minister aanvoert, werpt het hoger beroep daarom geen rechtsvraag op die moet worden beantwoord wegens zaaksoverstijgend belang of mogelijke precedentwerking in soortgelijke zaken. De minister heeft daarom geen belang bij een beoordeling van haar hoger beroep.
2. De Afdeling verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026
981