Uitspraak BRS.25.001598
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4559
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 16 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.001598
ECLI:NL:RVS:2026:4559
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 14 oktober 2025 in zaken nrs. NL25.33310 en NL25.33311 in het geding tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 16 juli 2025 heeft de minister een aanvraag van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 14 oktober 2025 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. B.H. Werink, advocaat in Groningen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
2. Appellant 1 is geboren op [geboortedatum] 1973 en appellant 2, haar zoon, is geboren op [geboortedatum] 2001. Beiden hebben ze de Iraanse nationaliteit. Appellanten hebben op 31 augustus 2022 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, omdat hij Canada als veilig derde land beschouwt voor appellanten. Daarbij heeft de minister erop gewezen dat de echtgenoot en de zoon van appellant 1, de vader en de broer van appellant 2, in Canada verblijven.
Toegang tot Canada
3. De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat appellanten in beginsel toegang hebben tot Canada. Appellanten betogen dat de rechtbank de omstandigheden waaronder de echtgenoot en de zoon van appellant 1 toegang hebben gekregen tot Canada, niet heeft onderkend. Volgens appellanten is hun situatie niet vergelijkbaar met de situatie van de echtgenoot en de zoon van appellant 1. Ook klagen appellanten dat de rechtbank niet is ingegaan op de verklaring van de Canadese advocaat die zij in beroep hebben overgelegd.
3.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet de minister, als hij tegenwerpt dat een land voor een vreemdeling een veilig derde land is, aannemelijk maken dat die vreemdeling wordt toegelaten tot dat land en moet hij daarvoor aan de hand van informatie uit algemene bronnen, of op basis van de verklaringen van die vreemdeling, redenen aandragen waarom toelating in beginsel mogelijk moet zijn. Vervolgens is het aan de desbetreffende vreemdeling om met tegenbewijs te komen waarmee hij aannemelijk maakt dat de door de minister geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot dat land in zijn geval niet aanwezig zijn. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3380, onder 5.2, en 22 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1781, onder 2.
3.2. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat hij ervan uitgaat dat de zoon van appellant 1 een tijdelijke verblijfsvergunning heeft, dat de echtgenoot van appellant 1 voorlopig bestendig verblijf heeft in Canada en dat uit nader onderzoek volgt dat de echtgenoot waarschijnlijk een zogenoemd ‘super visa’ heeft.
Appellanten betogen terecht dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij uitgaat van deze verblijfsstatussen. Daarbij wijzen appellanten op hun verklaringen dat de zoon van appellant 1 toegang heeft gekregen tot Canada om daar te studeren en dat de echtgenoot van appellant 1 in Canada een doorlopend bezoekersvisum en werkvisum zou hebben. Ter onderbouwing hebben appellanten een kopie van een verblijfspas en een werkvergunning van de echtgenoot van appellant 1 overgelegd, waarop de einddatum 26 februari 2027 te zien is. De minister heeft niet toegelicht waarom hij op basis van de verklaringen en overgelegde stukken tot de conclusie is gekomen dat de zoon van appellant 1 een tijdelijke verblijfsvergunning heeft en de echtgenoot van appellant 1 een ‘super visa’ heeft in Canada. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
3.3. In het verlengde hiervan klagen appellanten terecht over het oordeel van de rechtbank dat zij, net als de echtgenoot en de zoon van appellant 1, een verblijfstitel kunnen krijgen in Canada. De minister heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat appellanten in aanmerking kunnen komen voor een ‘super visa’, net als de echtgenoot van appellant 1. Daarbij heeft de minister erop gewezen dat de Canadese autoriteiten dit visum uitsluitend afgeven als het te bezoeken kind de Canadese nationaliteit bezit of ten minste zes maanden over een permanente verblijfsvergunning van Canada beschikt. Aangezien de echtgenoot van appellant 1 een ‘super visa’ heeft en hun zoon dus ten minste zes maanden over een permanente verblijfsvergunning zal beschikken, komen appellanten ook in aanmerking voor een ‘super visa’, aldus de minister.
Appellanten betogen echter terecht dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in aanmerking komen voor een ‘super visa’. Zoals de Afdeling hiervoor heeft overwogen, heeft de minister immers ondeugdelijk gemotiveerd dat de echtgenoot van appellant 1 een ‘super visa’ heeft. Daarom heeft de minister niet aannemelijk gemaakt dat ook appellanten voldoen aan de vereisten voor een ‘super visa’.
Appellanten klagen verder over het standpunt van de minister dat zij een bezoekersvisum voor Canada kunnen krijgen. Daarbij wijzen appellanten op de verklaring van de Canadese advocaat, waarin staat dat appellanten geen enkele kans maken op een bezoekersvisum voor Canada, aangezien zij asiel hebben aangevraagd in Nederland. De minister heeft ondeugdelijk gemotiveerd dat appellanten, ondanks hun huidige situatie, in aanmerking komen voor een bezoekersvisum voor Canada.
De Afdeling wijst de minister er in dit kader met nadruk op dat hij appellanten in het nader gehoor geen vragen heeft gesteld over hun banden met Canada en over de vraag of hij dat land voor hen als veilig derde land kan beschouwen.
3.4. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat appellanten in beginsel toegang zullen hebben tot Canada. De eerste grief slaagt.
4. Omdat de eerste grief slaagt, komt de Afdeling niet toe aan het betoog in de tweede en derde grief, over de vraag of appellanten voldoende twijfel hebben gezaaid over het standpunt van de minister dat zij in beginsel toegang hebben tot Canada.
5. De vierde grief heeft geen zelfstandige betekenis.
6. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Conclusie
7. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De beroepen zijn gegrond. De Afdeling vernietigt de besluiten van 16 juli 2025. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 14 oktober 2025 in zaken nrs. NL25.33310 en NL25.33311;
III. verklaart de beroepen gegrond;
IV. vernietigt de besluiten van 16 juli 2025, V-[...];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. M.C. Stoové en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026
1028