Uitspraak 202500492/1/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4716
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 19 april 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland beslist op een verzoek om handhaving van [appellant A] en [appellant B] en dat verzoek deels toe- en deels afgewezen. [appellant A] en [appellant B] wonen aan de [locatie 1] in Giethoorn. Op korte afstand van hun woning, op en rond het perceel [locatie 2] aan de Dorpsgracht, is al sinds vele jaren een verharde loswal (laad- en losplaats), ook wel aangeduid als betonnen verharding, aanwezig. De loswal wordt gebruikt door inwoners en bedrijven voor overslag van goederen. De goederen worden met voertuigen aan- of afgevoerd en op of van een boot of ponton geladen en vervolgens worden deze over het water vervoerd naar de in de directe omgeving gelegen campings, woningen of bedrijven die slechts beperkt over de weg bereikbaar zijn. Schuin tegenover de loswal, aan de overzijde van de Kerkweg ligt een parkeerterrein. [appellant A] en [appellant B] hebben het college gevraagd om handhavend op te treden tegen, voor zover in hoger beroep van belang, het parkeerterrein en (het gebruik van) de loswal.
- Hoger beroep
- Bouwen
Toon inhoud
202500492/1/R3.
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Giethoorn,
2. het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 23 december 2024 in zaak nr. 24/1386 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 19 april 2023 heeft het college beslist op een verzoek om handhaving van [appellant A] en [appellant B] en dat verzoek deels toe- en deels afgewezen.
Bij besluit van 19 december 2023 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 december 2023 vernietigd, voor zover daarin het verzoek om handhavend op te treden tegen het aanleggen van de betonnen verharding en het aanleggen en gebruiken van het parkeerterrein is afgewezen, en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellant A] en [appellant B] met inachtneming van deze uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld. Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant A] en [appellant B] hebben een zienswijze op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld op 24 juli 2026, waar [appellant B], bijgestaan door mr. O.V. Wilkens, rechtsbijstandverlener in Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door V. Platteeuw, vergezeld van M. Braad, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden.
Bij besluit van 19 april 2023 heeft het college beslist op het handhavingsverzoek en dat deels toegewezen en deels afgewezen. In dit geval blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing.
Inleiding
2. [appellant A] en [appellant B] wonen aan de [locatie 1] in Giethoorn. Op korte afstand van hun woning, op en rond het perceel [locatie 2] aan de Dorpsgracht, is al sinds vele jaren een verharde loswal (laad- en losplaats), ook wel aangeduid als betonnen verharding, aanwezig. De loswal wordt gebruikt door inwoners en bedrijven voor overslag van goederen. De goederen worden met voertuigen aan- of afgevoerd en op of van een boot of ponton geladen en vervolgens worden deze over het water vervoerd naar de in de directe omgeving gelegen campings, woningen of bedrijven die slechts beperkt over de weg bereikbaar zijn. Schuin tegenover de loswal, aan de overzijde van de Kerkweg ligt een parkeerterrein.
3. [appellant A] en [appellant B] hebben het college gevraagd om handhavend op te treden tegen, voor zover in hoger beroep van belang, het parkeerterrein en (het gebruik van) de loswal.
Het college heeft het handhavingsverzoek voor zover dat zag op het parkeerterrein en de aanleg van de loswal en het gebruik van de loswal voor handmatig laden en lossen afgewezen. Bij het besluit op bezwaar is het college bij de afwijzing van het verzoek gebleven. [appellant A] en [appellant B] waren het daar niet mee eens en hebben beroep ingesteld. De rechtbank heeft hun beroep gegrond verklaard en het besluit op bezwaar deels vernietigd. Zowel [appellant A] en [appellant B] als het college zijn het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en hebben hoger beroep ingesteld. [appellant A] en [appellant B] hebben hoger beroep ingesteld omdat zij vinden dat ook het handmatig gebruik van de loswal niet is toegestaan; het college omdat het van mening is dat voor de loswal en het parkeerterrein geen (nieuwe) aanlegvergunning is vereist en in zoverre geen sprake is van overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo.
Het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B]
4. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat handmatig laden en lossen volgens het bestemmingsplan "Giethoorn 2017" is toegestaan. Zij voeren aan dat de betrokken planregels over de bestemmingen "Water" en "Verkeer" dat gebruik niet toestaan, waarbij zij wijzen op de aard, de omvang en de hoeveelheid van de goederen die door bedrijven verladen worden, en de frequentie van het verladen. Zij voeren verder aan dat het gebruik op grond van het overgangsrecht van het bestemmingsplan ook niet is toegestaan.
4.1. De rechtbank is gemotiveerd ingegaan op de beroepsgrond van [appellant A] en [appellant B] dat het bedrijfsmatig handmatig laden en lossen op de loswal in strijd is met het bestemmingsplan "Giethoorn 2017". Zij heeft in de aangevallen uitspraak de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2073, aangehaald, waarin onder 6.4 is overwogen dat handmatig laden en lossen is toegestaan op gronden waaraan ingevolge het bestemmingsplan "Giethoorn 2017" de bestemmingen "Verkeer" en "Water" is toegekend. Volgens de rechtbank is in die uitspraak het door [appellant A] en [appellant B] genoemde onderscheid tussen de aard van de goederen (al dan niet met een grote omvang), de hoeveelheid goederen en de frequentie van het verladen, in deze uitspraak niet te lezen. De rechtbank heeft in navolging van de uitspraak van 20 juli 2022 geoordeeld dat het handmatig laden en lossen op de loswal in overeenstemming is met het bestemmingsplan "Giethoorn 2017", dat er daarom in zoverre geen overtreding is van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en het college zich terecht niet bevoegd heeft geacht om handhavend op te treden tegen dit handmatig laden en lossen.
De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 23.1 en 23.2 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij ziet in wat door [appellant A] en [appellant B] in hoger beroep hebben aangevoerd, geen grond voor een ander oordeel. De Afdeling voegt daaraan toe dat, omdat het gebruik voor handmatig laden en lossen niet in strijd is met het bestemmingsplan, het overgangsrecht waar [appellant A] en [appellant B] in hun hogerberoepschrift op wijzen hier niet van toepassing is.
Hert betoog slaagt niet.
Het incidenteel hoger beroep van het college
5. Het college betoogt dat de rechtbank over de betonnen verharding en het voorste deel van het parkeerterrein ten onrechte heeft overwogen dat er sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Het college voert onder meer aan dat bij besluit van 2 mei 2017 voor de betonnen verharding en het parkeerterrein een omgevingsvergunning is verleend. Er is daarom volgens het college geen sprake van een overtreding.
5.1. Bij besluit van 2 mei 2017 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het inrichten en aanleggen van het terrein aan de Kerkweg. Tussen partijen is niet in geschil dat de vergunning ook is verleend voor het aanleggen van de betonnen verharding en het voorste deel van het parkeerterrein.
In het besluit staat dat de omgevingsvergunning wordt verleend voor de activiteiten:
- Het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald.
- Het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, regels gesteld door Rijk of Provincie of een voorbereidingsbesluit (artikel 2.12), voor een periode van drie jaar.
In het besluit staat hierover dat de omgevingsvergunning voor zover die betrekking heeft op het gebruiken van gronden in strijd met de beheersverordening Giethoorn met toepassing van artikel 2.23, eerste lid, van de Wabo voor een periode van drie jaar wordt verleend. Aan de vergunning is het voorschrift verbonden dat het gebruiken van gronden in strijd met de beheersverordening uiterlijk drie jaar na inwerkingtreding van de omgevingsvergunning moet worden beëindigd. Op de zitting heeft het college hierover toegelicht dat de omgevingsvergunning onder meer betrekking had op het geïntensiveerde gebruik van de loswal, in de vorm van gemechaniseerd laden en lossen, en dat is gekozen dit gebruik voor een periode van drie jaar te vergunnen, omdat een bestemmingsplan zou worden vastgesteld waarin dit gebruik zou worden toegestaan.
5.2. Uit het besluit blijkt dat de aan de vergunning verbonden termijn van drie jaar alleen betrekking heeft op de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. De omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo heeft nog steeds betekenis bij de beoordeling van de vraag of er wat betreft het aanleggen van de betonnen verharding en het voorste deel van het parkeerterrein sprake is van een overtreding. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Aangezien een omgevingsvergunning voor deze werkzaamheden is verleend, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het niet bevoegd is handhavend op te treden tegen de aanleg van de betonnen verharding en van het voorste deel van het parkeerterrein.
Het betoog slaagt alleen al hierom. Dat wat het college voor het overige heeft aangevoerd over de betonnen verharding en het voorste deel van het parkeerterrein, behoeft geen bespreking meer.
Conclusie op de hoger beroepen
6. Het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van het college is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij het besluit van 19 december 2023 is vernietigd, voor zover daarin het verzoek om handhavend op te treden tegen het aanleggen van de betonnen verharding en aanleggen van het voorste deel van het parkeerterrein is afgewezen. Dat betekent dat de opdracht van de rechtbank aan het college om in zoverre een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant A] en [appellant B] te nemen, is komen te vervallen. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, voor het overige.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 5 december 2024 in zaak nr. 24/1386, voor zover daarbij het besluit van 19 december 2023 is vernietigd, voor zover daarin het verzoek om handhavend op te treden tegen het aanleggen van de betonnen verharding en aanleggen van het voorste deel van het parkeerterrein is afgewezen;
III. bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen, voor het overige.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. J. Gundelach en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.
w.g. Besselink
voorzitter
w.g. Pieters
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026
473