Uitspraak BRS.26.002158
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4505
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 12 december 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.002158
ECLI:NL:RVS:2026:4505
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 april 2026 in zaak nr. NL25.61359 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 12 december 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 28 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H. Loth, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft overwogen dat de minister de problemen met de Nigeriaanse autoriteiten niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De Afdeling is van oordeel dat een indringende toets of een eigen oordeel van de rechtbank over de geloofwaardigheid van dat asielrelaas niet tot een andere uitkomst zal leiden in deze zaak. Daarvoor is van belang dat appellant in hoger beroep niet inhoudelijk betwist wat de rechtbank over de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas over de Nigeriaanse autoriteiten heeft overwogen, waarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat de verklaringen van appellant ongerijmd zijn.
1.1 Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over de indringendheid van de rechterlijke toetsing van de geloofwaardigheid in asielzaken niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2 Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G. Tatli, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Tatli
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026
1046