Uitspraak BRS.25.002717
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4519
- Datum uitspraak
- 4 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- De minister van Asiel en Migratie heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 december 2025 in zaak nr. NL25.21827. Verzoeker heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De minister heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven. Verzoeker heeft op verzoek van de Afdeling daarop gereageerd.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
BRS.25.002717
ECLI:NL:RVS:2026:4519
Datum uitspraak: 4 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:118 van de Algemene wet bestuursrecht; Awb).
Procesverloop
De minister van Asiel en Migratie heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 december 2025 in zaak nr. NL25.21827.
Verzoeker heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven.
Verzoeker heeft op verzoek van de Afdeling daarop gereageerd.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 maart 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. J.V. de Kort, advocaat in Den Haag, en mr. T.L. Schuitemaker, en verzoeker, vertegenwoordigd door mr. E. Derksen, advocaat in Velp, zijn verschenen.
Tijdens de zitting heeft de minister het hoger beroep en verzoeker het incidenteel hoger beroep ingetrokken. Verder heeft verzoeker de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
Overwegingen
De kosten voor het hoger beroep van de minister
1. Op grond van artikel 8:118, eerste lid, van de Awb kan in het geval het hoger beroep door het bestuursorgaan wordt ingetrokken het bestuursorgaan op verzoek van een partij in de proceskosten worden veroordeeld.
1.1. De minister heeft het hoger beroep tijdens de zitting bij de Afdeling ingetrokken, nadat verzoeker kosten heeft gemaakt voor het geven van een schriftelijke uiteenzetting en een nadere schriftelijke uiteenzetting op verzoek van de Afdeling en voor het verschijnen op de zitting bij de Afdeling. De kosten voor het geven van de schriftelijke uiteenzetting en voor het verschijnen op de zitting bij de Afdeling komen voor vergoeding in aanmerking. Ook de kosten voor het geven van de nadere schriftelijke uiteenzetting komen, hoewel het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voorziet in de vergoeding van die kosten, voor vergoeding in aanmerking, omdat de nadere schriftelijke uiteenzetting is gegeven op het verzoek van de Afdeling.
De kosten voor het incidenteel hoger beroep
2. Op grond van artikel 8:75a, gelezen in samenhang met artikel 8:108, eerste lid, en artikel 8:110, eerste lid, van de Awb kan, in geval van intrekking van een hoger beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het hogerberoepschrift is tegemoetgekomen, dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb worden veroordeeld.
2.1. Het bestuursorgaan komt tegemoet, indien het bestuursorgaan het door de indiener van het hogerberoepschrift gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt, tenzij dit besluit kennelijk is genomen op andere gronden dan de indiener van het hogerberoepschrift heeft aangevoerd.
2.2. De minister heeft geen nieuw besluit genomen, maar heeft toegezegd dat hij het verzoek om heroverweging van een asielbesluit dat eerder negatief uitviel voor verzoeker, opnieuw gaat beoordelen. De minister is dus niet tegemoetgekomen aan verzoeker. Daarom komen de kosten voor het incidenteel hogerberoepschrift niet voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie
3. De Afdeling wijst het verzoek toe. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.335,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026
307-1113