Uitspraak BRS.26.002762
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4480
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 24 april 2025 heeft de minister een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 23 oktober 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.002762
ECLI:NL:RVS:2026:4480
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 2 juni 2026 in zaak nr. 25/21776 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 april 2025 heeft de minister een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 23 oktober 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door [gemachtigde], hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Wat u in het hogerberoepschrift hebt aangevoerd, voldoet niet aan de wet (artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Volgens de wet moet iemand die hoger beroep instelt, uitleggen op welk punt de uitspraak van de rechtbank niet juist is en waarom dat volgens hem zo is. Dat hebt u niet gedaan. De rechtbank heeft in de uitspraak uitgelegd waarom de minister terecht de aanvraag voor een mvv voor u heeft afgewezen. Dat is omdat van u mag worden verwacht dat u nog een keer probeert het inburgeringsexamen te halen en omdat u geen stukken kunt laten zien waaruit blijkt dat u moet worden vrijgesteld van het middelenvereiste. Ook heeft de rechtbank uitgelegd waarom de afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM, onder andere omdat u nog niet eerder hebt samengewoond met referent en u geen redenen hebt aangevoerd waarom u niet in Irak zou kunnen samenleven. In hoger beroep legt u niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens u niet juist is. Omdat het hogerberoepschrift dus niet aan de eisen van de wet voldoet, kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over uw hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.P.G. van Bekhoven, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Bekhoven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026
959