Uitspraak 202600112/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4571
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) de aanvraag van [appellant] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds) afgewezen. [appellant] heeft op 10 maart 2023 bij de CSG een uitkering uit het Schadefonds aangevraagd. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij is mishandeld en daardoor ernstig letsel heeft bekomen. De CSG heeft op 12 oktober 2023, gehandhaafd bij besluit van 12 april 2024, geweigerd aan [appellant] een uitkering uit het Schadefonds toe te kennen. Volgens de CSG heeft [appellant] een eigen aandeel gehad in het opzettelijk gepleegde geweldsmisdrijf waarvan hij slachtoffer is geworden, doordat hij als eerste een duw gaf aan de partner van de dader. Verder vindt zij dat het geweld dat tegen hem is gebruikt in verhouding staat tot hetgeen hem te verwijten valt.
- Hoger beroep
- Schadevergoeding
Toon inhoud
202600112/1/A2.
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 december 2025 in zaak nr. 24/2946 in het geding tussen:
[appellant]
en
Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG).
Procesverloop
Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft de CSG de aanvraag van [appellant] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds) afgewezen.
Bij besluit van 12 april 2024 heeft de CSG het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 december 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 juli 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.G. Wattilete, advocaat in Amsterdam, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. A.D. den Besten, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellant] heeft op 10 maart 2023 bij de CSG een uitkering uit het Schadefonds aangevraagd. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij is mishandeld en daardoor ernstig letsel heeft bekomen.
2. De CSG heeft op 12 oktober 2023, gehandhaafd bij besluit van 12 april 2024, geweigerd aan [appellant] een uitkering uit het Schadefonds toe te kennen. Volgens de CSG heeft [appellant] een eigen aandeel gehad in het opzettelijk gepleegde geweldsmisdrijf waarvan hij slachtoffer is geworden, doordat hij als eerste een duw gaf aan de partner van de dader. Verder vindt zij dat het geweld dat tegen hem is gebruikt in verhouding staat tot hetgeen hem te verwijten valt.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de CSG de uitkering mocht afwijzen. Volgens haar is het aannemelijk dat [appellant] een eigen aandeel in het incident heeft gehad en zich daarom in een situatie heeft begeven waarin hij geweld kon verwachten. Zij vindt het op basis van de stukken in het dossier, waaronder de processen-verbaal en de beschikking van het gerechtshof, aannemelijk dat [appellant] zich agressief heeft gedragen tegen de medewerkster van de kraam en als eerste een duw heeft gegeven.
Hoger beroep van [appellant]
4. [appellant] betwist dat hij als eerste fysiek geweld heeft gebruikt door de partner van de dader te duwen. De verklaring van de dader en zijn partner zijn onvoldoende objectief om deze conclusie te dragen. Verder betoogt [appellant] dat een eigen aandeel onvoldoende is om een tegemoetkoming volledig te weigeren. Daarvoor moet ook worden gekeken naar de aard en ernst van het verwijt dat [appellant] kan worden gemaakt, bezien in het licht van het geweld dat tegen hem is gebruikt. Uitgaande van een lichte duw is er disproportioneel geweld gebruikt tegen [appellant] door hem met een nekklem vast te pakken en hem vervolgens gedurende enkele minuten meermaals bij de nek van de grond op te tillen. Dit klemt temeer nu [appellant] letsel behorend bij letselcategorie 4 aan het voorval heeft overgehouden. Tot slot betoogt [appellant] dat de CSG ook niet kenbaar heeft beoordeeld of afwijking op grond van de hardheidsclausule hier op zijn plaats was.
Wettelijk kader en beleid
5. Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg luidt: Uit het Schadefonds kunnen uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.
6. Artikel 5 van de Wsg luidt: Een uitkering kan achterwege blijven of op een geringer bedrag worden bepaald, indien de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan het slachtoffer of de nabestaande is toe te rekenen.
7. De CSG heeft op dit punt beslissingsruimte en heeft daaraan invulling gegeven in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven.
8. Volgens paragraaf C van de Beleidsbundel (versie 1 november 2022) kan een uitkering achterwege blijven of op een lager bedrag worden bepaald, als de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan het slachtoffer is toe te rekenen. Dit wordt het eigen aandeel van het slachtoffer genoemd en staat in artikel 5 van de Wsg.
9. De gedachte achter deze bepaling is dat het schadefonds is opgericht om mensen, die buiten hun schuld slachtoffer worden van geweld, een financiële tegemoetkoming te bieden in hun schade. Als het slachtoffer een eigen aandeel heeft in het geweld is deze tegemoetkoming in principe niet passend, omdat deze moet worden gezien als een uiting van solidariteit van de samenleving met het slachtoffer. De tegemoetkoming wordt namelijk gefinancierd uit gemeenschapsgeld.
10. Voor de beoordeling van het eigen aandeel gaat de CSG na of het slachtoffer het geweldsmisdrijf had kunnen en moeten voorkomen. Hierbij kijkt zij of het slachtoffer zichzelf onnodig in een situatie heeft gebracht waarin hij geweld kon en moest verwachten.
11. Voor vijf situaties van eigen aandeel is omschreven hoe de CSG deze beoordeelt. Dit zijn uitgangspunten. Of de CSG een aanvraag afwijst of de uitkering op een lager bedrag vaststelt, bepaalt zij uiteindelijk aan de hand van de aard en de ernst van het verwijt dat het slachtoffer kan worden gemaakt, bezien in het licht van het geweld dat tegen hem is gebruikt. Hierbij wordt rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval.
12. In de eerste van de vijf omschreven situaties staat dat als het slachtoffer als eerste geweld gebruikt, en de dader hierop een gelijkwaardige reactie heeft gegeven (dus geen disproportioneel geweld van de dader), het Schadefonds de aanvraag volledig afwijst. Als het geweld van de dader niet in verhouding staat tot wat het slachtoffer te verwijten valt en het slachtoffer zeer ernstig letsel heeft opgelopen (in beginsel letselcategorie 4 of hoger), dan wordt het geweld van de dader als disproportioneel aangemerkt. Het uitgangspunt is dan dat 50% van de uitkering wordt toegekend.
13. In de tweede van de vijf omschrijven situaties staat dat als het slachtoffer de confrontatie met de dader heeft opgezocht of heeft bijgedragen aan de escalatie van een situatie, zonder daarbij geweld te gebruiken, het Schadefonds de uitkering op een lager bedrag kan vaststellen. Het uitgangspunt is dan dat 75% van de uitkering wordt toegekend.
Oordeel van de Afdeling
13.1. Naar het oordeel van de Afdeling is het niet aannemelijk geworden dat [appellant] als eerste geweld heeft gebruikt. Zij overweegt daartoe als volgt.
13.2. Niet in geschil is dat [appellant] slachtoffer is geworden van een opzettelijk tegen hem gepleegd geweldsmisdrijf. Ook is niet in geschil dat [appellant] als gevolg hiervan ernstig letsel heeft opgelopen, waaronder psychische letsel passend bij ten minste letselcategorie 3 van de richtlijnen van de CSG.
13.3. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie volgt dat omstanders [appellant] als irritant omschrijven. Niet alleen de medewerkster van de groentekraam waar de mishandeling plaatsvond, maar ook de eigenaar van de groentekraam, de medewerkers van de bakkerskraam en een omwonende. Daarbij benoemt onder meer de eigenaar van de groentekraam dat hij [appellant] al 25 jaar kent, dat hij bewust altijd aan het eind van de dag komt om met korting inkopen te doen en dat hij ook groente en fruit pakt uit de gesealde kratten. Hij wordt, omdat de anderen hem irritant vinden, altijd geholpen door de eigenaar van de groentekraam.
13.4. Uit het proces-verbaal van de politie volgt dat op de dag van de mishandeling [appellant] wederom groente en fruit zou hebben gepakt uit gesealde kratten, waarop hij door de medewerkster vanwege de afwezigheid van de eigenaar is aangesproken, waarna dit is geëscaleerd. Daarbij verklaren de medewerkster en haar partner dat [appellant] de medewerkster heeft geduwd, waarna de partner heeft ingegrepen. [appellant] heeft in het proces-verbaal van aangifte verklaard dat de partner van de medewerkster betrokken raakte, omdat hij een woordenwisseling met haar had en als gevolg daarvan een woordenwisseling kreeg met de partner. Daarna zou hij door de partner van de medewerkster zijn mishandeld.
13.5. Buiten de verklaring van de medewerkster van de groentekraam en haar partner die [appellant] heeft mishandeld, is er geen andere objectieve onderbouwing voor het standpunt dat [appellant] als eerste geweld zou hebben gebruikt door de medewerkster een duw te geven, daargelaten nog of een duw als in het onderhavige geval aan de orde zou zijn, kwalificeert als geweld. Daarentegen blijkt, in strijd met de verklaring van de partner van de medewerkster bij de politie dat hij geen geweld zou hebben gebruikt tegenover [appellant], uit een proces-verbaal van verhoor dat een getuige tegenover de politie heeft verklaard dat de dader [appellant] met twee armen om de nek klemde en hem met beide voeten van de grond tilde. Dit deed hij meerdere keren gedurende een tot enkele minuten. Deze getuige heeft niet gezien dat er vooraf geweld is gebruikt. Wel zag hij dat [appellant] en de dader voorafgaand aan het geweld naar elkaar aan het schreeuwen waren en neus aan neus met elkaar stonden. Dit past dus ook bij de verklaring van [appellant] dat hij is mishandeld als gevolg van de woordenwisseling en dus niet als reactie op een duw die hij zou hebben gegeven aan de medewerkster.
13.6. De CSG heeft naast de bevindingen van de politie gewezen op de beschikking van het gerechtshof Amsterdam naar aanleiding van een beklag van [appellant]. Daaruit volgt evenmin dat [appellant] als eerste geweld zou hebben gebruikt door de medewerkster van de groentekraam een duw te geven, maar dat hij zich agressief zou hebben uitgelaten. Dit is in overeenstemming met de andere aanwijzingen in het dossier dat er een woordenwisseling plaatsvond tussen [appellant] enerzijds en de medewerkster en haar partner anderzijds.
13.7. De slotsom is dat de CSG de aanvraag niet volledig mocht afwijzen, omdat [appellant] als eerste geweld zou hebben gebruikt. Dat [appellant] zich irritant heeft opgesteld en agressief heeft uitgelaten, past eerder bij de door de CSG in haar beleidsbundel omschreven situatie, waarbij het slachtoffer de confrontatie met de dader heeft opgezocht of heeft bijgedragen aan de escalatie van een situatie, zonder dat hij daarbij geweld heeft gebruikt, en waarbij het uitgangspunt is dat 75% van het bedrag behorend bij een bepaalde letselcategorie wordt uitgekeerd.
13.8. Omdat [appellant] heeft betoogd dat hij letsel behorend bij letselcategorie 4 heeft opgelopen, zal de Afdeling niet zelf in de zaak voorzien. Op deze wijze kan [appellant] in overeenstemming met de richtlijnen van het Schadefonds zijn standpunt bij de CSG nader onderbouwen.
13.9. Het betoog slaagt.
Conclusie
14. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 12 april 2024 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Awb. Dit betekent dat de CSG opnieuw op het door [appellant] gemaakte bezwaar moet beslissen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.
15. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld
16. De CSG moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 december 2025 in zaak nr. 24/2946;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 12 april 2024;
V. draagt de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven op om binnen 12 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen;
VI. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VII. veroordeelt de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 476,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kouidar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026
1120