Uitspraak 202305275/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4568
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 4 juli 2023 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat, voor zover in deze zaak van belang, het saneringsplan "Rijkswegen West-Nederland Noord A7, A8, N9, A10" vastgesteld en een aantal geluidproductieplafonds verlaagd. Op grond van artikel 11.19 van de Wet milieubeheer bevinden zich langs rijkswegen referentiepunten waar, voor het geluid van het verkeer op de weg, geluidproductieplafonds gelden. De beheerder van de weg draagt ingevolge artikel 11.20 van de Wet milieubeheer zorg voor naleving van deze geluidproductieplafonds. Met de geluidproductieplafonds worden in de omgeving van de referentiepunten gelegen woningen en andere geluidsgevoelige objecten beschermd tegen geluidsbelasting vanwege de weg. [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] wonen in Zuidoostbeemster, aan weerszijden van het hiervoor genoemde stuk van de A7. Zij ervaren geluidsoverlast van deze rijksweg. Zij vinden de saneringsmaatregel niet toereikend om hun woningen te beschermen tegen geluidsoverlast. Ook vinden zij dat zij te lang zullen moeten wachten op de uitvoering van die maatregel. Bovendien is volgens hen onzeker of het project A7/A8 Amsterdam-Hoorn zal doorgaan.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- RO - Geluid
Toon inhoud
202305275/1/R1.
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant A] en anderen, allen wonend in Zuidoostbeemster, gemeente Purmerend,
2. [appellant B], wonend in Zuidoostbeemster, gemeente Purmerend,
3. [appellant C], wonend in Zuidoostbeemster, gemeente Purmerend,
appellanten,
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 4 juli 2023 heeft de minister, voor zover in deze zaak van belang, het saneringsplan "Rijkswegen West-Nederland Noord A7, A8, N9, A10" vastgesteld en een aantal geluidproductieplafonds verlaagd.
Tegen dit besluit hebben [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant A] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 april 2026, waar [appellant A] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant A], [appellant B], [appellant C], vertegenwoordigd door [appellant B], en de minister, vertegenwoordigd door mr. W.A. Ganesh, D. van der Gugten en M.W.J. Rietman, zijn verschenen.
Na de zitting heeft de minister, daartoe door de Afdeling in de gelegenheid gesteld, een nadere schriftelijke reactie ingediend. Daarop hebben [appellant A] en anderen, ook daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd. Partijen hebben te kennen gegeven geen gebruik te willen maken van hun recht om naar aanleiding van die stukkenwisseling op een nieuwe zitting te worden gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet geluid Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 3.3, tweede lid, aanhef en onder a en c, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet blijft hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer van toepassing op een op grond van artikel 11.56, eerste lid, van de Wet milieubeheer ingediend verzoek tot vaststelling van een saneringsplan totdat dit saneringsplan onherroepelijk is en op een op grond van artikel 11.63, eerste lid, van de Wet milieubeheer ingediend verzoek tot verlaging van geluidproductieplafonds totdat deze verlaging onherroepelijk is.
Dat betekent dat in dit geval hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Op grond van artikel 11.19 van de Wet milieubeheer bevinden zich langs rijkswegen referentiepunten waar, voor het geluid van het verkeer op de weg, geluidproductieplafonds gelden. De beheerder van de weg draagt ingevolge artikel 11.20 van de Wet milieubeheer zorg voor naleving van deze geluidproductieplafonds. Met de geluidproductieplafonds worden in de omgeving van de referentiepunten gelegen woningen en andere geluidsgevoelige objecten beschermd tegen geluidsbelasting vanwege de weg.
Voor bepaalde categorieën woningen en andere geluidsgevoelige objecten die een te hoge geluidsbelasting ondervinden, voorziet afdeling 11.3.6 van de Wet milieubeheer in een saneringsregeling. Het gaat daarbij om saneringsobjecten zoals omschreven in artikel 11.57 van die wet. Op verzoek van de wegbeheerder (Rijkswaterstaat) stelt de minister een saneringsplan vast met maatregelen om de geluidsbelasting vanwege de weg van deze saneringsobjecten te verminderen. Welke maatregelen daarbij in aanmerking kunnen komen, volgt uit artikel 11.59, in samenhang met artikel 11.29 van de Wet milieubeheer.
Als de in het saneringsplan opgenomen maatregelen leiden tot een lagere geluidsbelasting van saneringsobjecten, dan moet in verband daarmee ook een verlaging van de geluidproductieplafonds op de voor die saneringsobjecten relevante referentiepunten plaatsvinden.
2.1. Het besluit van 4 juli 2023 houdt in, voor zover in deze zaak van belang, dat een wegvak van ongeveer 600 meter lang van tweelaags zeer open asfaltbeton (zoab) wordt voorzien. Het gaat om het wegvak van de A7 tussen de hectometerpalen 15,5 en 16,1. De saneringsmaatregel moet worden uitgevoerd binnen tien jaar na het onherroepelijk worden van het besluit. De verwachting van de minister is dat de uitvoering van de maatregel kan worden gecombineerd met het in voorbereiding zijnde project A7/A8 Amsterdam-Hoorn, waarbij de weg wordt verbreed.
2.2. [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] wonen in Zuidoostbeemster, aan weerszijden van het hiervoor genoemde stuk van de A7. Zij ervaren geluidsoverlast van deze rijksweg. Zij vinden de saneringsmaatregel niet toereikend om hun woningen te beschermen tegen geluidsoverlast. Ook vinden zij dat zij te lang zullen moeten wachten op de uitvoering van die maatregel. Bovendien is volgens hen onzeker of het project A7/A8 Amsterdam-Hoorn zal doorgaan.
Relevante wettelijke bepalingen
3. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Ontvankelijkheid
4. De Afdeling ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld in hoeverre het beroep, voor zover dat is ingesteld door [appellant A] en anderen, ontvankelijk is.
4.1. Het beroep is op 17 augustus 2023 ingesteld door appellant [appellant A] namens hemzelf en enkele anderen. Omdat niet duidelijk was of [appellant A] bevoegd was om ook namens die anderen beroep in te stellen, is hem gevraagd om dit aan te tonen. [appellant A] heeft naar aanleiding daarvan op 14 september 2023 machtigingen van diverse (rechts-)personen overgelegd. De Afdeling stelt vast dat enkele van die (rechts-)personen niet worden genoemd in het beroepschrift van 17 augustus 2023 en ook niet in enig ander stuk dat binnen de beroepstermijn is ingediend. Het gaat daarbij om [persoon A], [persoon B], Stichting Beemstergroen en Stichting Nekkerzoom.
4.2. De omstandigheid dat beroep wordt ingesteld namens een persoon of personen van wie tijdens de beroepstermijn de identiteit niet kenbaar is, kan niet worden beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. In dat geval staat tijdens de beroepstermijn namelijk nog niet vast wie beroep heeft willen instellen. De artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb strekken er niet toe het mogelijk te maken beroep in te stellen namens nog onbekende personen. De in artikel 8:1, in samenhang met de artikelen 6:7 en 6:11 van de Awb, neergelegde regeling met betrekking tot de beroepstermijn brengt met zich dat de identiteit van degene(n) namens wie beroep wordt ingesteld, vóór afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn.
4.3. Uit het voorgaande volgt dat gedurende beroepstermijn niet kenbaar was dat [appellant A] het beroep mede heeft ingesteld namens [persoon A], [persoon B], Stichting Beemstergroen en Stichting Nekkerzoom. Gelet daarop is het beroep van [appellant A] en anderen, voor zover dat is ingesteld namens [persoon A], [persoon B], Stichting Beemstergroen en Stichting Nekkerzoom, niet-ontvankelijk.
Ingetrokken beroepsgrond
5. Op de zitting hebben [appellant B] en [appellant C] hun beroepsgrond over geluidhinder van de brug over het Noordhollandsch Kanaal ingetrokken.
Is het verrichte onderzoek toereikend?
6. [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] betogen dat het rapport "Akoestisch onderzoek Saneringsplan Rijkswegen West-Nederland Noord - A7, A8, N9 en A10" van bureau Sweco van 21 april 2023 (het geluidsonderzoek) dat mede aan het besluit ten grondslag ligt, gebrekkig is.
Zij voeren daartoe ten eerste aan dat in het geluidsonderzoek geen rekening is gehouden met de conditie van het geluidsscherm aan de oostzijde van de A7. Volgens hen is dat scherm verouderd, ontbreken delen daarvan en draagt het scherm door het harde materiaal bij aan de overlast door reflectie van geluid. Die omstandigheden zijn volgens hen ten onrechte niet meegenomen in het geluidsonderzoek.
Verder voeren zij aan dat er geen rekening mee is gehouden dat ten zuiden van het wegvak waar het zoab zal worden toegepast, aan de beide zijden van de A7 geluidsschermen staan. Volgens hen leidt die omstandigheid tot trechterwerking. Geluid, fijnstof en andere schadelijke stoffen worden volgens hen door de wind langs de geluidsschermen vanuit zuidelijke richting naar hun woningen geleid. Zij wijzen er daarbij op dat ter hoogte van een aantal van hun woningen alleen aan de oostzijde van de A7 een geluidsscherm aanwezig is.
Ten slotte is er volgens hen in het geluidsonderzoek geen rekening gehouden met de plannen om de A7 te verbreden. Ook daarom kloppen de berekeningen in dat onderzoek niet, zo betogen [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C].
6.1. De minister stelt zich op het standpunt dat het geluidsscherm aan de oostzijde van de A7 op correcte wijze is meegenomen in het geluidsonderzoek. Hij wijst erop dat in het geluidsonderzoek de karakteristieken van dit scherm rechtstreeks zijn overgenomen uit het "geluidregister rijkswegen". Vanwege de hellingshoek van het scherm is in dat register een reflectiecoëfficiënt van 20% opgenomen. Omdat het wegdek ter plaatse niet is overdekt, wordt het geluid naar boven gestuwd. Daardoor is het effect van reflectie door het scherm volgens de minister verwaarloosbaar. De minister bestrijdt om diezelfde reden dat de bestaande geluidsschermen leiden tot trechterwerking. Daarnaast worden glasdelen van het geluidsscherm als die kapot zijn, vervangen door houten panelen.
Wat betreft fijnstof en andere schadelijke stoffen merkt de minister op dat het geluidsscherm aan de oostzijde niet zorgt voor een hogere concentratie aan luchtverontreinigende stoffen of deeltjes en dat het saneringsplan niet gericht is op het verbeteren van de luchtkwaliteit.
De minister brengt tot slot naar voren dat in het saneringsplan niet vooruit gelopen kan worden op toekomstige projecten, zoals de verbreding van de A7, hoewel hij wel verwacht dat het uitvoeren van het saneringsplan kan worden gecombineerd met het project A7/A8 Amsterdam-Hoorn. Volgens hem zijn dat namelijk toekomstige gebeurtenissen die niet geheel zeker zijn. Daarom kon daar in de geluidsberekeningen geen rekening mee worden gehouden, zo stelt de minister.
6.2. De Afdeling ziet in wat [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] aanvoeren, geen grond voor het oordeel dat de minister zich in dit opzicht niet op het geluidsonderzoek mocht baseren. Zij overweegt daartoe als volgt.
De minister heeft toegelicht hoe het geluidsscherm aan de oostzijde van de A7 is meegenomen in de berekeningen. [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] hebben niet gemotiveerd bestreden dat dit op juiste wijze is gebeurd. Verder ziet de Afdeling geen reden om te twijfelen aan de stelling dat het geluid van de A7 door de stand van het geluidsschermen hoofdzakelijk omhoog wordt gereflecteerd. Daarbij betrekt zij dat [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] hun standpunt dat de bestaande geluidsschermen geluid richting hun woningen weerkaatsen niet hebben onderbouwd. Dat geldt ook voor de door hen gestelde trechterwerking.
Daarnaast mocht de minister, gelet op artikel 11.59 van de Wet milieubeheer, geen rekening houden met de effecten van een eventuele verbreding van de A7.
Wat [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] betogen over luchtkwaliteit treft, gelet op wat de minister daarover naar voren brengt, naar het oordeel van de Afdeling ook geen doel. De Afdeling wijst in dit verband ook op haar uitspraak van 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5135, onder 9, 9.1 en 10.
Het betoog slaagt niet.
Moest de minister een andere saneringsmaatregel kiezen?
7. [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] betogen dat de minister had moeten kiezen voor een geluidsscherm in plaats van stil asfalt. Volgens hen biedt stil asfalt namelijk onvoldoende bescherming. Zij voeren aan dat de geluidsoverlast door de A7 ter plaatse van hun woningen fors is en in de toekomst nog zal toenemen. Volgens hen heeft dit negatieve gevolgen voor hun gezondheid. Volgens hen had de minister daarom een andere kosten-batenafweging moeten maken. Daarbij komt volgens hen dat er extra geld beschikbaar is voor saneringsmaatregelen. Zij wijzen in dit verband op het schrappen of uitstellen van infrastructurele projecten vanwege stikstof.
[appellant A] en anderen betogen in dit verband dat de minister ook woningen die geen saneringsobject zijn, in zijn afweging had moeten betrekken en niet alleen de woningen die dat wel zijn. Zij voeren hierover aan dat zij sinds 2018 in gesprek waren met Rijkswaterstaat over een door hen te leveren bijdrage aan de realisatie van een geluidwal, maar dat Rijkswaterstaat het overleg daarover eenzijdig heeft gestopt.
7.1. De minister brengt naar voren dat een geluidsscherm niet doelmatig is. Hij verwijst in dit verband naar het geluidsonderzoek. Daarin is aan de hand van de wettelijk voorgeschreven berekeningsmethode onderzocht welke bron- of overdrachtsmaatregelen doelmatig zijn voor de clusters A7_CL18 en A7_CL19. Dat zijn de clusters waartoe de woningen van [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] behoren. Volgens het geluidsonderzoek is een geluidsscherm hier niet doelmatig.
7.2. De Afdeling stelt voorop dat de minister op grond van artikel 11.59 van de Wet milieubeheer bij de vaststelling van het saneringsplan alleen ten aanzien van saneringsobjecten als bedoeld in artikel 11.57 gehouden is om te beslissen welke geluidbeperkende maatregelen nodig zijn. De Afdeling wijst ook hier op haar uitspraak van 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5135, onder 8.2.
Ingevolge artikel 11.57, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet milieubeheer worden, voor zover in deze zaak van belang, onder "saneringsobjecten" begrepen:
- woningen en andere geluidsgevoelige objecten langs wegen die op de geluidplafondkaart zijn aangegeven, die op grond van artikel 88 van de Wet geluidhinder, zoals dat luidde vóór 1 januari 2007, bij de minister tijdig zijn gemeld, voor zover deze nog niet zijn gesaneerd, en de geluidsbelasting bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds hoger is dan 60 dB;
- woningen alsmede in een bestemmingsplan opgenomen ligplaatsen voor woonschepen en standplaatsen voor woonwagens, waarvan de geluidsbelasting vanwege een in artikel 11.56 bedoelde weg bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds hoger is dan 65 dB.
7.3. In het geluidsonderzoek is aan de hand van de Standaardrekenmethode 2 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 bepaald welke potentiële saneringsobjecten in het onderzoeksgebied aanwezig zijn. Voor zover in deze zaak van belang is vastgesteld dat binnen de clusters A7_CL18 en A7_CL19 alleen de woningen Volgerweg 79, Noorderpad 11 en Noorderpad 12 saneringsobjecten zijn. Dit betekent dat de minister, gelet op het voorgaande, geen rekening hoefde te houden met de geluidsbelasting van andere woningen binnen deze clusters.
7.4. De minister heeft vervolgens in overeenstemming met artikel 11.29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer bepaald welke geluidbeperkende maatregelen ten aanzien van deze saneringsobjecten financieel doelmatig zijn. Op grond van dit artikellid neemt de minister een maatregel niet in aanmerking, indien het treffen daarvan financieel niet doelmatig is met betrekking tot het beperken van de geluidsbelasting van een of meer geluidsgevoelige objecten.
Ingevolge artikel 31, eerste lid, van het Besluit geluid milieubeheer (Bgm) is een geluidbeperkende maatregel in beginsel financieel doelmatig indien het aantal maatregelpunten van de geluidbeperkende maatregel niet hoger is dan het aantal reductiepunten behorende bij het cluster waar de maatregel voor is bedoeld. De reductiepunten vormen in zoverre het ‘budget’ waaruit de maatregelpunten worden bekostigd.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Bgm is een cluster een geluidsgevoelig object of verzameling bijeengelegen geluidsgevoelige objecten die een relevante verlaging van de geluidsbelasting vanwege een weg of spoorweg zou kunnen ondervinden van een aaneengesloten geluidbeperkende maatregel.
7.5. In het geluidsonderzoek staat dat 8.100 reductiepunten beschikbaar zijn voor cluster A7_CL18. Voor cluster A7_CL19 zijn dat 15.900 reductiepunten. In het onderzoek staat verder dat de minimale lengte voor tweelaags zoab om technische redenen 500 meter bedraagt en dat het 16.500 maatregelpunten kost om een weggedeelte met deze lengte en 2 x 2 rijstroken te voorzien van dit type verharding. Dat betekent dat elk van de clusters afzonderlijk onvoldoende reductiepunten kan leveren om de benodigde 16.500 maatregelpunten te bekostigen. Daarom wordt in het geluidsonderzoek geadviseerd om voor beide clusters gezamenlijk één geluidbeperkende maatregel in de vorm van 600 meter tweelaags zoab te treffen. Omdat de clusters samen in totaal 24.000 reductiepunten kunnen leveren, is er voldoende budget voor deze maatregel.
In het geluidsonderzoek is ook bezien of de clusters voldoende budget zouden kunnen leveren voor een overdrachtsmaatregel in de vorm van een 2 meter hoog geluidsscherm. Volgens het geluidsonderzoek is dat niet het geval. Dat komt omdat zo’n scherm minstens zo lang moet zijn als de clusterlengte. In het geluidsonderzoek staat dat zowel cluster A7_CL18 als cluster A7_CL19 onvoldoende budget bieden om aan die lengte-eis te voldoen.
7.6. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat een geluidsscherm niet financieel doelmatig is. De gekozen saneringsmaatregel is dat daarentegen wel. Uit het geluidsonderzoek volgt dat de saneringsobjecten in de clusters waartoe de woningen van [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] behoren, na het toepassen van het zoab voldoen aan de grenswaarden die daarvoor gelden. Zoals hiervoor onder 6.2 is overwogen, hebben [appellant B] en [appellant C] de uitgangspunten en berekeningen van het geluidsonderzoek onvoldoende gemotiveerd bestreden. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de minister moest kiezen voor een andere saneringsmaatregel dan in het saneringsplan is opgenomen. De enkele omstandigheid dat de minister, naar [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] stellen, extra budget heeft als gevolg van het schrappen of uitstellen van andere infrastructurele projecten, maakt dit niet anders. Datzelfde geldt voor het aanbod van [appellant A] en anderen om bij te dragen aan een gezamenlijk op te richten geluidswal.
Voor zover [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] betogen dat de geluidsoverlast van de A7 toeneemt, is de Afdeling van oordeel dat dit een kwestie van naleving van de geluidproductieplafonds is. Op grond van artikel 11.20 van de Wet milieubeheer is de wegbeheerder daarmee belast. Dit staat los van het saneringsplan waarmee de minister heeft ingestemd.
Het betoog slaagt niet.
Status woningen Noorderpad 8 en 12
8. [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] betogen dat de woningen Noorderpad 8 en 12 in het saneringsplan ten onrechte niet als zogenaamd "categorie A saneringsobject" zijn aangemerkt. Volgens hen is het aan de gemeente te wijten dat deze woningen niet tijdig bij de minister zijn aangemeld als saneringsobject. Omdat dit niet hun schuld is, had de minister de woningen toch als categorie A saneringsobject moeten aanmerken.
8.1. De minister brengt naar voren dat hij de woningen in overeenstemming met artikel 11.57 van de Wet milieubeheer niet als "categorie A saneringsobject" heeft aangemerkt. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3305, onder 3.3, stelt de minister zich op het standpunt dat het hiervoor genoemde artikel een gesloten systeem bevat. Er is geen ruimte om daarvan af te wijken. Dit leidt er volgens de minister toe dat de woning Noorderpad 8 geen saneringsobject is. De woning Noorderpad 12 is dat wel, maar dan een categorie B saneringsobject. Dat betekent dat daarvoor een grenswaarde van 65 dB geldt, in plaats van de 60 dB die voor een categorie A saneringsobject geldt. Overigens maakt dit voor de afweging van maatregelen in het saneringsplan niet uit, zo stelt de minister.
8.2. In artikel 11.57 van de Wet milieubeheer is, voor zover hier van belang, bepaald dat woningen langs wegen die op de geluidplafondkaart zijn aangegeven, in beginsel in aanmerking komen voor sanering als de geluidsbelasting bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds hoger is dan 60 dB. Dit zijn de zogenaamde "categorie A saneringsobjecten". In het eerste lid van artikel 11.57 staat als voorwaarde dat die woningen tijdig zijn aangemeld bij de minister op grond van artikel 88 van de Wet geluidhinder, zoals dat tot 1 januari 2007 luidde. Partijen zijn het erover eens dat niet aan die voorwaarde is voldaan. De wet biedt geen ruimte om niet tijdig aangemelde woningen toch als "categorie A saneringsobjecten" aan te merken. De minister heeft de woningen Noorderpad 8 en 12 daarom terecht niet aangemerkt als zulke saneringsobjecten.
Het betoog slaagt niet.
Termijn uitvoering maatregel
9. [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] betogen dat de minister er ten onrechte mee heeft ingestemd dat de saneringsmaatregel pas wordt uitgevoerd op het moment dat de A7 wordt verbreed. Zij voeren aan dat de overlast in de loop der jaren fors is toegenomen en nog zal toenemen. Daarom kan niet worden gewacht met het nemen van maatregelen totdat de A7 wordt verbreed. Het is bovendien onzeker of, en zo ja, wanneer dat gaat gebeuren, zo voeren [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] aan.
9.1. De minister wijst erop dat het uitvoeren van de saneringsmaatregel niet dwingend is gekoppeld aan het verbreden van de A7.
9.2. Ingevolge artikel 11.60, derde lid, van de Wet milieubeheer geeft de minister in zijn besluit tot vaststelling van het saneringsplan aan binnen hoeveel tijd na het onherroepelijk worden van het saneringsplan, de saneringsmaatregelen uit het saneringsplan getroffen moeten zijn.
9.3. De Afdeling stelt vast dat in artikel 2 van het besluit van 4 juli 2023 staat dat de bron- en afschermende maatregelen zoals opgenomen in bijlage 2 en bijlage 5 van dat besluit, moeten worden getroffen binnen tien jaar na het onherroepelijk worden van dat besluit. De minister heeft hiermee willen aansluiten bij de verwachte planning van de verbreding van de A7.
In wat [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] aanvoeren, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de minister niet voor een termijn van tien jaar heeft mogen kiezen. Hiermee is bovendien verzekerd dat de saneringsmaatregel die in deze zaak voorligt binnen die termijn wordt uitgevoerd, ook als de verbreding van de A7 niet doorgaat of langer op zich laat wachten.
Het betoog slaagt niet.
Geluidhinder brug
10. [appellant A] en anderen brengen naar voren dat zij geluidhinder ondervinden van de brug over het Noordhollandsch Kanaal. Volgens hen bestaat deze brug uit ongelijke delen en veroorzaakt dit een dreunend geluid. Zij dringen erop aan dat dit wordt opgelost.
10.1. De minister erkent dat de voegovergangen in de hiervoor genoemde brug in een aantal gevallen voor specifieke geluidhinder kunnen zorgen. Maar volgens de minister wordt dit geluid niet meegenomen in de berekeningen die overeenkomstig het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (Rmg 2012) moeten worden gemaakt. Het gaat namelijk om piekgeluiden die niet van invloed zijn op het jaargemiddelde geluidsniveau, uitgedrukt in Lden.
10.2. De minister kon geen rekening houden met het geluid vanwege de voegovergangen in de brug over het Noordhollandsch Kanaal. Hij wijst er terecht op dat dit geluid geen onderdeel is van de berekeningen die met het Rmg 2012 worden gemaakt. Incidentele geluidsbronnen vanwege onjuist gebruik van de weg of gebreken daaraan tellen namelijk niet mee in die berekeningen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2143, onder 7.1).
Het betoog slaagt niet.
Representativiteit nalevingsverslag 2021
11. [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] betogen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat geen overschrijding van de geluidproductieplafonds dreigt. Volgens hen kan de minister zich op dit punt niet beroepen op het nalevingsverslag over het jaar 2021. Zij voeren aan dat er dat jaar minder vrachtverkeer was, omdat de detailhandel gesloten was vanwege de coronacrisis. Volgens hen is het verslag daardoor niet representatief.
11.1. De minister stelt zich op het standpunt dat de sanering van geluid los staat van de controle op de naleving van de geluidproductieplafonds. In zoverre heeft het nalevingsverslag geen betekenis voor het voorliggende saneringsplan.
11.2. Naar het oordeel van de Afdeling is het nalevingsverslag niet van belang bij het beoordelen van de rechtmatigheid van het besluit van 4 juli 2023. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat een nalevingsverslag met een ander doel wordt opgesteld dan een saneringsplan. Daarbij worden andere brongegevens gebruikt. Bij het opstellen van een saneringsplan worden brongegevens gebruikt die leiden tot een maximale invulling van de geluidproductieplafonds. Een nalevingsverslag is gebaseerd op brongegevens van het desbetreffende monitoringsjaar, zoals de verkeersintensiteit. Tussen die brongegevens kunnen verschillen bestaan.
De omstandigheid dat het besluit van 4 juli 2023 mede berust op de nota van antwoord waarin minister heeft verwezen naar het nalevingsverslag, betekent niet dat dit besluit mede op het nalevingsverslag is gebaseerd. De Afdeling begrijpt de opmerking van de minister in de nota van antwoord zo, dat hij duidelijk heeft willen maken dat de geluidproductieplafonds feitelijk niet worden overschreden.
Voor zover [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] de Afdeling hebben verzocht om het nalevingsverslag 2023 te publiceren, merkt zij op dat dit buiten de reikwijdte van haar taken valt. Overigens is met partijen op de zitting besproken dat dit verslag inmiddels beschikbaar is op www.rijksoverheid.nl.
Het betoog slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
12. [appellant A] en anderen betogen dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zij voeren aan dat in vijf andere situaties rond Nederlandse snelwegen ook een geluidsscherm of een andere vorm van geluidswering zijn aangelegd ten behoeve van een of enkele woningen. Maar ook al zouden dat geen gelijke gevallen zijn, dan had de minister volgens hen in ieder geval moeten uitleggen waarom hij in dit geval niet heeft gekozen voor een geluidswal. [appellant A] en anderen wijzen in dit verband aanvullend op de plannen voor de zonnegeluidswal bij het Naarderwoonbos.
12.1. De minister stelt zich op het standpunt dat op de gevallen waarnaar [appellant A] en anderen verwijzen, een ander wettelijk kader van toepassing was. Daarom is volgens de minister het gelijkheidsbeginsel niet geschonden.
12.2. De Afdeling ziet niet dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
Zij betrekt daarbij de toelichting die de minister heeft gegeven op de door [appellant A] en anderen naar voren gebrachte gevallen. Daaruit blijkt dat in vier van de vijf gevallen de doelmatigheid van het betreffende geluidsscherm of de geluidsschermen is beoordeeld aan de hand van een afwijkende systematiek op grond van de Wet geluidhinder zoals die ten tijde van de besluitvorming gold. In het overige geval gaat het om een grondwal die tot doel heeft de hoger gelegen snelweg aan het zicht te onttrekken. De minister heeft daarmee voldoende toegelicht dat het niet gaat om gelijke gevallen. [appellant A] en anderen hebben die toelichting onvoldoende gemotiveerd weersproken.
De Afdeling ziet ook geen grond voor het oordeel dat de motivering van de gekozen saneringsmaatregel gebrekkig is, omdat daarin niet is ingegaan op de door [appellant A] en anderen aangehaalde gevallen, waaronder het Naarderwoonbos. Zij stelt vast dat [appellant A] en anderen deze gevallen niet in hun zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht. Daarom kon de minister daar in zijn besluit niet op reageren. Gelet daarop kon de minister vanwege de wettelijke systematiek volstaan met de gemotiveerde vaststelling dat een geluidsscherm niet financieel doelmatig is.
Het betoog slaagt niet.
Onzorgvuldige omgang met informatie
13. [appellant A] en anderen betogen dat er onzorgvuldig is omgegaan met belangrijke informatie die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Zij voeren aan dat Rijkswaterstaat hun woningen jarenlang ten onrechte als zijnde gesaneerd heeft geregistreerd en dat het hoofd van het Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV) weigert om deze volgens hen onjuiste registratie aan te passen. Ter onderbouwing verwijzen zij naar de mailwisseling tussen [appellant A] en het hoofd van het BSV.
14. Deze beroepsgrond kan niet slagen. Het is de Afdeling namelijk niet gebleken dat het besluit van de minister tot vaststelling van het saneringsplan gebaseerd is op de door [appellant A] en anderen gestelde onjuiste registraties. Het besluit is gebaseerd op een berekening van de geluidsbelasting van de gevels van de woningen van [appellant A] en anderen. De uitkomsten van die berekening zijn opgenomen in bijlage D van het geluidsonderzoek. Omdat [appellant A] en anderen de juistheid van die berekeningen niet hebben bestreden, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de minister bij het nemen van zijn besluit is uitgegaan van onjuiste gegevens.
Conclusie
15. Het beroep van [appellant A] en anderen, voor zover dat is ingesteld door [persoon A], [persoon B], Stichting Beemstergroen en Stichting Nekkerzoom is niet-ontvankelijk. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.
16. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant A] en anderen, voor zover dat is ingesteld door [persoon A], [persoon B], Stichting Beemstergroen en Stichting Nekkerzoom, niet-ontvankelijk;
II. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026
195-1136
BIJLAGE
Wet milieubeheer
Artikel 11.1
1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
beheerder: beheerder van de weg of spoorweg;
[…]
geluidbeperkende maatregel: bij ministeriële regeling aangewezen maatregel die de geluidproductie vanwege een weg of spoorweg beperkt, met uitzondering van een maatregel inzake het gebruik van de weg of spoorweg;
[…]
geluidproductieplafond: toegestane geluidproductie;
[…]
saneringsobject: object als bedoeld in artikel 11.57;
[…]
Artikel 11.19
1. Aan weerszijden van een weg of spoorweg of een geprojecteerde weg of spoorweg bevinden zich referentiepunten.
2. Op elk referentiepunt geldt een geluidproductieplafond:
a. dat tot stand gekomen is met toepassing van artikel 11.45;
[…]
Artikel 11.20
De beheerder draagt zorg voor de naleving van de geluidproductieplafonds.
Artikel 11.22
1. De beheerder zendt voor 1 oktober van het kalenderjaar, volgend op het eerste kalenderjaar waarin dit hoofdstuk het gehele jaar van toepassing is, en vervolgens elk kalenderjaar voor 1 oktober, aan Onze Minister een verslag met betrekking tot de naleving van de geluidproductieplafonds in het voorafgaande kalenderjaar.
Artikel 11.29
1. Bij de voorbereiding van een besluit omtrent het vaststellen of wijzigen van een geluidproductieplafond neemt Onze Minister een geluidbeperkende maatregel niet in aanmerking, indien het treffen daarvan:
a. financieel niet doelmatig is met betrekking tot het beperken van de geluidsbelasting van een of meer geluidsgevoelige objecten, dan wel
b. stuit op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard.
[…]
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de toepassing van het criterium, bedoeld in het eerste lid, onder a.
Afdeling 11.3.4. Geluidproductieplafonds voor op 1 juli 2012 bestaande of geprojecteerde wegen en spoorwegen
§ 11.3.4.1. Het tot stand komen van de geluidproductieplafonds
Artikel 11.44
Deze afdeling is van toepassing op geluidproductieplafonds die tot stand zijn gekomen met toepassing van artikel 11.45 voor een op 1 juli 2012 bestaande weg of spoorweg en geprojecteerde weg of spoorweg, die wordt geplaatst op de geluidplafondkaart.
Artikel 11.45
1. De geluidproductieplafonds voor de wegen of spoorwegen, bedoeld in artikel 11.44, zijn de over de door Onze Minister aangewezen referentieperiode door hem berekende heersende geluidproducties op de daartoe door hem aangegeven referentiepunten, vermeerderd met 1,5 dB.
[…]
Artikel 11.46
1. Onze Minister stelt nadere regels omtrent de wijze waarop de geluidproductie, bedoeld in artikel 11.45, wordt berekend.
2. In afwijking van artikel 11.25, tweede en derde lid, worden ten minste de navolgende gegevens in het geluidregister opgenomen op 1 juli 2012:
a. de ligging van de referentiepunten, bedoeld in artikel 11.45, eerste tot en met derde lid;
b. de heersende geluidproductie op elk van die referentiepunten;
c. de hoogte van het geluidproductieplafond op elk van die referentiepunten;
d. een vermelding van het lid van artikel 11.45 met toepassing waarvan elk van die geluidproductieplafonds tot stand is gekomen;
e. de brongegevens die behoren bij elk van deze geluidproductieplafonds.
Artikel 11.56
1. De beheerder van een weg of spoorweg waarvoor:
a. de geluidproductieplafonds bij inwerkingtreding van de Invoeringswet geluidproductieplafonds tot stand zijn gekomen met toepassing van artikel 11.45, eerste lid, en;
b. niet eerder een saneringsplan is vastgesteld of toepassing is gegeven aan artikel 11.42, tweede tot en met vijfde lid; doet uiterlijk 31 december 2023 een verzoek aan Onze Minister tot vaststelling van een saneringsplan.
[…]
3. Bij het verzoek worden ten minste overgelegd:
a. een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting die vanwege de weg of spoorweg bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds wordt ondervonden door saneringsobjecten;
b. het mede op basis van het akoestisch onderzoek opgesteld voorstel voor een saneringsplan;
c. een planning voor de uitvoering van het saneringsplan;
d. een voorstel voor de saneringsmaatregelen, bedoeld in artikel 11.59.
[…]
5. Op het akoestisch onderzoek is artikel 11.33, tweede en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
[…]
Artikel 11.57
1. Saneringsobjecten zijn geluidsgevoelige objecten die vallen onder een of meer van de volgende categorieën:
a. woningen en andere geluidsgevoelige objecten langs wegen en spoorwegen die op de geluidplafondkaart zijn aangegeven, die op grond van artikel 88 van de Wet geluidhinder, zoals dat luidde voor 1 januari 2007, of artikel 4.17 van het Besluit geluidhinder bij Onze Minister tijdig zijn gemeld, voor zover deze nog niet zijn gesaneerd, en de geluidsbelasting bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds hoger is dan 60 dB als het een weg betreft of 65 dB als het een spoorweg betreft,
b. woningen alsmede in een bestemmingsplan opgenomen ligplaatsen voor woonschepen en standplaatsen voor woonwagens, waarvan de geluidsbelasting vanwege een in artikel 11.56 bedoelde weg of spoorweg bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds hoger is dan 65 dB als het een weg betreft of 70 dB als het een spoorweg betreft,
[…]
Artikel 11.58
Een saneringsplan kan betrekking hebben op een of meer delen van wegen of spoorwegen.
Artikel 11.59
1. Een saneringsplan bevat voor saneringsobjecten de maatregelen die met overeenkomstige toepassing van artikel 11.29 in aanmerking zijn genomen om de geluidsbelasting vanwege de desbetreffende weg of spoorweg bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds op de gevel van de saneringsobjecten te beperken tot de streefwaarde van 60 dB als het een weg betreft of 65 dB als het een spoorweg betreft.
[…]
3. Een saneringsplan kan voor saneringsobjecten voorts andere in aanmerking komende saneringsmaatregelen bevatten.
Artikel 11.60
1. Een saneringsplan wordt vastgesteld door Onze Minister.
[…]
3. Bij zijn beslissing geeft Onze Minister aan binnen hoeveel tijd na het onherroepelijk worden van het saneringsplan, de saneringsmaatregelen uit het saneringsplan getroffen moeten zijn.
Besluit geluid milieubeheer
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]
cluster: geluidsgevoelig object of verzameling bijeengelegen geluidsgevoelige objecten die een relevante verlaging van de geluidsbelasting vanwege een weg of spoorweg zou kunnen ondervinden van een aaneengesloten geluidbeperkende maatregel;
[…]
Artikel 31
1. Een geluidbeperkende maatregel is financieel doelmatig indien het aantal maatregelpunten van de geluidbeperkende maatregel niet hoger is dan het aantal reductiepunten behorende bij het cluster waar de maatregel voor is bedoeld.
[…]
4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop het aantal maatregelpunten van een geluidbeperkende maatregel wordt bepaald.
Regeling geluid milieubeheer
Artikel 10
1. Als geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 11.1, eerste lid, van de wet worden aangewezen de maatregelen, bedoeld in de tabellen 1, 2 en 3 van bijlage 3 bij deze regeling, indien en voor zover deze maatregelen worden toegepast onder de in die tabellen genoemde randvoorwaarden.
[…]
Artikel 11
1. De maatregelpunten van de geluidbeperkende maatregelen, bedoeld in artikel 31 van het besluit, worden bepaald overeenkomstig tabel 1 of 2 van bijlage 3 bij deze regeling.
2. De maatregelpunten, bedoeld in het eerste lid, omvatten het totaal van de maatregelpunten van bestaande en nieuw te treffen geluidbeperkende maatregelen, ten opzichte van een weg of spoorweg in de situatie zonder maatregelen.
Saneringsplan ‘Rijkswegen A7, A8 en A10’
Uitspraak over het saneringsplan ‘Rijkswegen A7, A8 en A10’ dat de minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft vastgesteld. Aan weerszijden van een rijksweg zijn referentiepunten. Op deze referentiepunten geldt een geluidproductieplafond. Het verkeersgeluid mag niet boven de waarde van het geluidproductieplafond uitkomen. Bij volledige benutting van zo’n geluidproductieplafond mag de geluidsbelasting op woningen van een rijksweg in beginsel niet hoger zijn dan 60 of 65 dB. Is de geluidsbelasting bij bepaalde woningen toch hoger, dan moet de minister een saneringsplan vaststellen. Een saneringsplan bevat voor die woningen maatregelen om de geluidsbelasting te verlagen. Het saneringsplan dat de minister heeft vastgesteld houdt in dat een wegvak van de A7 van ongeveer 600 meter lang tweelaags zeer open asfaltbeton (zoab) krijgt. De minister verwacht dat de uitvoering van de maatregel kan worden gecombineerd met het project A7/A8 Amsterdam-Hoorn dat in voorbereiding is. Daarbij wordt de weg verbreed. Enkele inwoners van Zuidoostbeemster zijn het niet eens met het saneringsplan en zijn in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij ervaren geluidsoverlast van de rijksweg en vinden de saneringsmaatregel niet toereikend om hun woningen te beschermen tegen geluidsoverlast. Ook vinden zij dat zij te lang zullen moeten wachten op de uitvoering van de maatregel. Bovendien is volgens hen onzeker of het project A7/A8 Amsterdam-Hoorn zal doorgaan. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 14 april 2026 op zitting behandeld.