Uitspraak 202400129/1/R4 en 202400181/1/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4444
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 15 november 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Houten aan [appellant B] een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een overkapping en een fietsenberging met kliko-ombouw (de fietsenberging) op het adres [locatie 1] in Houten (het perceel). Het perceel is een voormalig boerenerf. Op het perceel staat een monumentale dwarshuisboerderij met de naam "De Grote Geer". Verder staat aan de voorzijde van het perceel een gebouw dat "het Bouwhuys" heet. [appellant B] is eigenaar van het perceel en heeft in De Grote Geer een gezinshuis gevestigd. Zijn aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op het realiseren van de fietsenberging aan de voorzijde van het perceel en een overkapping met zonnecollectoren in het achtererfgebied van het perceel. Volgens het bouwplan komt de overkapping aan de zuidzijde van het perceel te staan. [appellant A] woont op het adres [locatie 2]. Vanuit zijn woning kijkt hij recht op de overkapping. In bezwaar heeft hij zich verzet tegen de vergunning voor beide bouwwerken.
- Hoger beroep
- Bouwen
Toon inhoud
202400129/1/R4 en 202400181/1/R4.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A], wonend in Houten,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 november 2023 in zaak nr. 22/5270 in het geding tussen:
[appellant A],
en
het college van burgemeester en wethouders van Houten;
en op het hoger beroep van:
[appellant B], wonend in Houten,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 november 2023 in zaak nr. 22/5218 in het geding tussen:
[appellant B]
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 15 november 2021 heeft het college aan [appellant B] een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een overkapping en een fietsenberging met kliko-ombouw (de fietsenberging) op het adres [locatie 1] in Houten (het perceel).
Bij besluit van 30 september 2022 heeft het college het door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 15 november 2021 herroepen, voor zover daarbij een omgevingsvergunning voor de fietsenberging is verleend, en alsnog geweigerd deze vergunning te verlenen. Het college heeft het besluit van 15 november 2021 voor het overige in stand gelaten en aan de vergunning voor de overkapping een vergunningvoorschrift verbonden dat de haag achter de overkapping 2,00 m hoog moet zijn.
Bij uitspraak van 21 november 2023, in zaak nr. 22/5270, heeft de rechtbank het door [appellant A] tegen het besluit van 30 september 2022 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 november 2023, in zaak nr. 22/5218, heeft de rechtbank het door [appellant B] tegen het besluit van 30 september 2022 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit gedeeltelijk vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand gelaten.
[appellant A] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak in zaak nr. 22/5270.
[appellant B] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak in zaak nr. 22/5218.
Het college en [appellant B] hebben ieder voor zich een schriftelijke uiteenzetting gegeven over het hoger beroep van [appellant A]. Het college en [appellant A] hebben ieder voor zich een schriftelijke uiteenzetting gegeven over het hoger beroep van [appellant B].
[appellant A] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaken gevoegd op een zitting behandeld op 4 mei 2026, waar [appellant A], vertegenwoordigd door mr. J.M. Lammers-Dudink, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, [appellant B] en het college, vertegenwoordigd door mr. A.R.E. Maris en ing. D.H. Wieringa, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 30 juli 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het perceel is een voormalig boerenerf. Op het perceel staat een monumentale dwarshuisboerderij met de naam "De Grote Geer". Verder staat aan de voorzijde van het perceel een gebouw dat "het Bouwhuys" heet. [appellant B] is eigenaar van het perceel en heeft in De Grote Geer een gezinshuis gevestigd. Zijn aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op het realiseren van de fietsenberging aan de voorzijde van het perceel en een overkapping met zonnecollectoren in het achtererfgebied van het perceel. Volgens het bouwplan komt de overkapping aan de zuidzijde van het perceel te staan. Omdat de aanvraag betrekking heeft op bouwwerken bij een gemeentelijk monument, heeft het college het bouwplan aan de erfgoedcommissie van de gemeente Houten voorgelegd. De erfgoedcommissie heeft in haar adviezen van 25 februari 2021 en 25 maart 2021 geadviseerd de overkapping niet in oost-westrichting te positioneren, maar een kwartslag te draaien, conform de situering van de historische schuur die er ooit stond. In haar advies van 25 maart 2021 heeft de erfgoedcommissie daarbij gewezen op de erfindeling van De Grote Geer en toegelicht dat de compacte opzet van een boerenerf anders verloren gaat. [appellant B] heeft zijn ongewijzigde bouwplan hierna nogmaals toegelicht bij de erfgoedcommissie. In haar advies van 3 juni 2021 heeft de erfgoedcommissie alsnog positief geadviseerd over de positionering van de overkapping in de oost-westrichting van het perceel mits de overkapping niet boven de haag uitkomt en de voorzijde open blijft.
Bij het besluit van 15 november 2021 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor zowel de overkapping als de fietsenberging. De vergunning heeft betrekking op de activiteiten bouwen, het wijzigen van een gemeentelijk monument en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Op grond van het bestemmingsplan "De Geer, Houten" mogen ter plaatse van de fietsenberging en de overkapping geen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. Het college maakt de overkapping en fietsenberging daarom in afwijking van het bestemmingsplan mogelijk met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
[appellant A] woont op het adres [locatie 2]. Vanuit zijn woning kijkt hij recht op de overkapping. In bezwaar heeft hij zich verzet tegen de vergunning voor beide bouwwerken.
Bij het besluit van 30 september 2022 heeft het college naar aanleiding van het advies van de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Houten alsnog geweigerd een omgevingsvergunning voor de fietsenberging te verlenen. De vergunning voor de overkapping heeft het college in stand gelaten. Onder verwijzing naar het advies van de erfgoedcommissie van 30 juni 2022 heeft het college aan deze vergunning voor de overkapping een voorschrift verbonden dat de haag achter de overkapping 2,00 m hoog moet zijn.
3. [appellant A] en [appellant B] zijn beiden in beroep gegaan tegen het besluit op bezwaar van 30 september 2022. Bij de uitspraak van 21 november 2023, in zaak nr. 22/5270, heeft de rechtbank het beroep van [appellant A] ongegrond verklaard. Bij de uitspraak van diezelfde datum, in zaak nr. 22/5218, heeft de rechtbank het beroep van [appellant B] gegrond verklaard en het besluit van 30 september 2022 gedeeltelijk vernietigd. Volgens de rechtbank heeft het college namelijk ten onrechte wegens strijd met artikel 16, eerste lid, van de Erfgoedverordening geweigerd een omgevingsvergunning voor de fietsenberging te verlenen. Zij heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand gelaten, omdat het college volgens haar voldoende heeft gemotiveerd dat het de vergunning ook mocht weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.
De hoger beroepen
Overkapping
4. [appellant A] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bij zijn besluit om een omgevingsvergunning voor de overkapping te verlenen op het advies van de erfgoedcommissie van 3 juni 2021 heeft mogen afgegaan. [appellant A] voert aan dat dit advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, omdat hierin zonder motivering is afgeweken van eerdere adviezen waarin negatief is geadviseerd over het plaatsen van de overkapping in de oost-westrichting van het perceel. [appellant A] verwijst naar de second opinion van Stichting Het Oversticht van 14 maart 2022 en stelt dat het gewijzigd advies van de erfgoedcommissie onbegrijpelijk is vanuit het cultuurhistorische belang bij een compacte opzet van de erfindeling. Volgens [appellant A] heeft de erfgoedcommissie zich bij deze inhoudelijke wijziging van haar adviezen ten onrechte laten leiden door argumenten over het nut en de noodzaak van zonnecollectoren.
4.1. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat [appellant A] over het advies heeft aangevoerd.
4.2. De conclusie van het advies van 3 juni 2021 over de positionering van de overkapping is het compleet tegenovergestelde van wat in de eerdere adviezen van 25 februari 2021 en 25 maart 2021 is geconcludeerd. In de eerdere adviezen heeft de erfgoedcommissie negatief geadviseerd over het plaatsen van de overkapping in de oost-westrichting van het perceel. Volgens haar moest de overkapping een kwartslag worden gedraaid, zodat de compacte opzet van het boerenerf kon worden behouden. Hiermee zou volgens haar worden aangesloten bij de historische erfindeling van De Grote Geer. In het advies van 3 juni 2021 heeft de erfgoedcommissie daarentegen geconcludeerd dat de overkapping toch in de oost-westrichting kan worden geplaatst. Zij heeft daarbij niet toegelicht waarom zij tot een andere conclusie is gekomen en heeft niet uitgelegd waarom haar redenering over het behoud van de compacte opzet van het boerenerf niet meer opging. Omdat een onderbouwing voor de conclusie in het advies van 3 juni 2021 ontbreekt, zijn er naar het oordeel van de Afdeling concrete aanknopingspunten voor twijfel over de conclusie in dat advies. Het college heeft op de zitting onvoldoende kunnen verklaren waarom de erfgoedcommissie haar standpunt over de positionering van de overkapping heeft gewijzigd en welke redenering hieraan ten grondslag ligt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de conclusie van het advies van 3 juni 2021 niet zonder nadere motivering kan worden gevolgd. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat het college mocht afgaan op het advies van de erfgoedcommissie van 3 juni 2021.
Het betoog slaagt.
Hoogte van de haag
5. [appellant A] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college aan de omgevingsvergunning voor de overkapping een voorschrift mocht verbinden dat de haag 2,00 m hoog moet zijn. Volgens hem mag de haag volgens de anterieure overeenkomsten over de verkoop van De Grote Geer niet hoger zijn dan 1,80 m.
5.1. Een zogenoemde privaatrechtelijke belemmering kan in de weg staan aan de verlening van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan. De burgerlijke rechter en niet de bestuursrechter moet als eerste beoordelen of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan het uitvoeren van een activiteit. De bestuursrechter zal daarom alleen oordelen dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vergunningverlening in de weg staat als die belemmering evident is. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de bouw van een bouwwerk de toestemming van een ander vereist is en die ander die toestemming niet geeft en ook niet hoeft te geven.
5.2. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat er geen evidente privaatrechtelijke belemmering is. Zonder nader onderzoek kan namelijk niet worden vastgesteld of de anterieure overeenkomsten tussen [appellant B] en de gemeente Houten, waarop [appellant A] zich beroept, in de weg staan aan het voorschrift dat bepaalt dat de haag 2,00 m hoog moet zijn.
Het betoog slaagt niet.
6. [appellant B] betoogt ook dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college aan de omgevingsvergunning voor de overkapping het voorschrift mocht verbinden dat de haag achter de overkapping 2,00 m hoog moet zijn. Hij voert echter aan dat het voorschrift niet past bij een levende haag en hij vreest voor handhavingsprocedures als de haag boven de 2,00 m groeit.
6.1. Artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Artikel 2.22, tweede lid, bepaalt dat aan een omgevingsvergunning de voorschriften worden verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20.
6.2. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het aan de omgevingsvergunning een voorschrift mocht verbinden dat de haag achter de overkapping 2,00 m moet zijn. Voorschrijven dat de haag precies 2,00 m moet zijn, zoals de erfgoedcommissie in haar advies van 30 juni 2022 heeft voorgesteld, past namelijk niet bij een levende haag. Zoals [appellant B] heeft aangevoerd, kan in dat geval al een verzoek om handhaving worden gedaan als de haaghoogte 1 cm afwijkt van de hoogte in het voorschrift. Hoewel het college op de zitting heeft toegelicht dat het er geen bezwaar tegen heeft als de hoogte in het voorschrift als een minimumhoogte wordt uitgelegd, blijkt dit naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende uit de tekst van het voorschrift, en is dat bovendien ook in niet in overeenstemming met het advies van de erfgoedcommissie, die juist vond dat de haag zo laag mogelijk moest worden gehouden.
Het betoog slaagt.
Fietsenberging
7. [appellant B] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het mocht weigeren om een omgevingsvergunning voor de fietsenberging te verlenen. Volgens [appellant B] had de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit op bezwaar niet in stand mogen laten.
[appellant B] voert in de eerste plaats aan dat in het besluit op bezwaar een motivering voor de weigering ontbreekt. Volgens hem heeft het college de weigering wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening pas op de zitting in beroep en niet in het besluit op bezwaar gegeven.
In de tweede plaats voert [appellant B] aan dat de pas in beroep gegeven motivering om de vergunning te weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening onvoldoende is. Volgens [appellant B] heeft het college ten onrechte bij zijn motivering betrokken dat de fietsenberging in het voorerfgebied staat. Hij voert aan dat er geen planregel, beleidsregel of vaste gedragslijn is op basis waarvan het college kon concluderen dat de fietsenberging niet in het voorerfgebied mag worden gebouwd. Daarnaast staat het Bouwhuys, dat groter is dan de fietsenberging, ook in het voorerfgebied. Ook is de rechtbank er volgens hem ten onrechte aan voorbijgegaan dat volgens het tegenadvies van M&DM van september 2023 de aard en inrichting van De Grote Geer zich niet verzetten tegen een bouwwerk in het voorerfgebied. Volgens [appellant B] heeft het college zich verder ten onrechte op het standpunt gesteld dat de fietsenberging zal leiden tot verrommeling. Hij voert aan dat dit standpunt uitsluitend is gebaseerd op adviezen van de erfgoedcommissie, maar volgens [appellant B] mocht het college geen advies van de erfgoedcommissie inwinnen, omdat het bouwen van de fietsenberging geen wijziging aanbrengt aan een monument. Daarnaast blijkt uit het tegenadvies van M&DM dat de fietsenberging juist verrommeling tegengaat en dat boerenerven, waaronder De Grote Geer, in het verleden omringd werden door schuren. Tot slot heeft het college volgens [appellant B] ten onrechte gesteld dat het verlenen van de vergunning voor de fietsenberging een precedent zou scheppen voor toekomstige besluitvorming. Hij voert aan dat er geen duidelijke gedragslijn is waarvan kan worden afgeweken en dat de status en ligging van De Grote Geer zo zijn uniek dat geen precedentwerking valt te verwachten.
7.1. In het hoger beroep is niet in geschil dat het college in het besluit op bezwaar geen deugdelijke motivering heeft gegeven waarom het mocht weigeren een omgevingsvergunning voor de fietsenberging te verlenen. De rechtbank heeft om die reden het besluit op bezwaar deels vernietigd. Maar als een besluit wordt vernietigd, moet de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil onderzoeken. Daarbij moet zij onder meer beoordelen of er grond is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit of het vernietigde gedeelte daarvan, in stand te laten. Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen is niet vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is. Uit een oogpunt van proceseconomie kan het aangewezen zijn de rechtsgevolgen in stand te laten, als het bestuursorgaan vasthoudt aan zijn besluit, het besluit alsnog voldoende motiveert en de andere partij zich daarover in voldoende mate heeft kunnen uitlaten. Daarbij is beslissend of de inhoud van het vernietigde besluit na de kenbaar gemaakte motivering de rechterlijke toets kan doorstaan. Dit is vaste rechtspraak van de Afdeling. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1382, onder 13.1.
7.2. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
7.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college in beroep alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het geen omgevingsvergunning verleent voor de fietsenberging. Het mocht daarbij betrekken dat de fietsenberging in het voorerfgebied leidt tot een voller en rommeliger perceel en straatbeeld. Weliswaar biedt de fietsenberging ruimte voor fietsen en kliko’s, maar dit neemt niet weg dat met de fietsenberging meer losstaande bebouwing aan de voorzijde van het perceel komt te staan. Het college mocht zich daarom op het standpunt stellen dat het perceel en het straatbeeld door de losstaande fietsenberging voller en rommeliger zouden worden. Anders dan [appellant B] stelt, hoeft het college dit standpunt niet te baseren op het bestemmingsplan of een beleidsregel. Het college heeft namelijk, mits gemotiveerd, beleidsruimte om wel of niet mee te werken aan bouwplannen waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan. De fietsenberging is niet te vergelijken met het Bouwhuys. Het Bouwhuys mag op grond van het bestemmingsplan namelijk wel in het voorerfgebied staan, omdat ten behoeve van dit bouwwerk een bouwvlak is ingetekend in de verbeelding bij het bestemmingsplan. Verder mocht het college bij zijn motivering betrekken dat het verlenen van een omgevingsvergunning voor de fietsenberging een ongewenst precedent kan scheppen. Hoewel uit het tegenadvies blijkt dat De Grote Geer van oorsprong een boerenerf was in een weiland, staat De Grote Geer inmiddels in een woonwijk. Het college mocht zich daarom op het standpunt stellen dat het met de weigering wil voorkomen dat het ook op andere plekken in de wijk moet toestaan dat bouwwerken aan de straatzijde van het perceel worden gebouwd.
Hoewel de aanvraag om omgevingsvergunning voor de fietsenberging geen wijzigingen aanbrengt aan een monument, heeft die aanvraag wel gevolgen voor het straatbeeld en de zichtbaarheid van De Grote Geer. Geen rechtsregel of -beginsel staat eraan in de weg dat het college in zo’n geval de erfgoedcommissie om advies vraagt.
Omdat het college in beroep alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het geen omgevingsvergunning wil verlenen voor de fietsenberging, mocht de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit op bezwaar in stand laten.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. Het hoger beroep van [appellant A] is gegrond. De uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 22/5270 moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant A] alsnog gegrond verklaren.
Het hoger beroep van [appellant B] is gegrond. De uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 22/5218 moet worden vernietigd, voor zover daarbij het besluit van 30 september 2022 in stand is gelaten wat betreft het voorschrift dat de haag achter de overkapping 2,00 m moet zijn. Deze uitspraak moet voor het overige worden bevestigd, voor zover aangevallen.
Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het besluit van 30 september 2022 vernietigen, voor zover daarbij het besluit van 15 november 2021 tot verlening van een omgevingsvergunning voor de overkapping in stand is gelaten en aan die omgevingsvergunning een voorschrift is verbonden dat de haag achter de overkapping 2,00 m moet zijn.
9. Het college moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van [appellant A] tegen het besluit van 15 november 2021, voor zover daarbij een omgevingsvergunning voor de overkapping is verleend.
10. Het college moet de proceskosten vergoeden die [appellant A] in verband met de behandeling van zijn hoger beroep en beroep heeft gemaakt. Het moet de proceskosten vergoeden die [appellant B] in verband met de behandeling van zijn hoger beroep heeft gemaakt.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [appellant A] tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 november 2023 in zaak nr. 22/5270 gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 november 2023 in zaak nr. 22/5270;
III. verklaart het beroep van [appellant A] gegrond;
IV. verklaart het hoger beroep van [appellant B] tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 november 2023 in zaak nr. 22/5218, gegrond;
V. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 november 2023 in zaak nr. 22/5218, voor zover daarbij het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Houten van 30 september 2022, kenmerk 758364, in stand is gelaten wat betreft het voorschrift dat de haag achter de overkapping 2,00 m hoog moet zijn;
VI. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 november 2023 in zaak nr. 22/5218 voor het overige, voor zover aangevallen;
VII. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Houten van 30 september 2022, kenmerk 758364, voor zover daarbij het besluit van 15 november 2021 tot verlening van een omgevingsvergunning voor de overkapping in stand is gelaten en voor zover daarbij aan die omgevingsvergunning het voorschrift is verbonden dat de haag achter de overkapping 2,00 m moet zijn;
VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Houten tot vergoeding van bij [appellant A] in verband met de behandeling van het hoger beroep en beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IX. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Houten tot vergoeding van bij [appellant B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 973,85, waarvan € 934,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
X. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Houten aan [appellant A] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 463,00 vergoedt;
XI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Houten aan [appellant B] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 279,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.E.P. van Gulik, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Gulik
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
610-1098