Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202404953/1/R3

Uitspraak 202404953/1/R3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4418
Datum uitspraak
29 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 11 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Hardenberg het bestemmingsplan "[locatie A], Schuinesloot" vastgesteld. Het plan voorziet in de mogelijkheid om drie woningen te realiseren op het perceel [locatie A] en het daarnaast gelegen nog ongenummerde perceel in Schuinesloot. Twee woningen worden gerealiseerd in een bestaande kapel. Daarnaast voorziet het plan in de bouw van een vrijstaande nieuwbouwwoning naast de kapel op het huidige parkeerterrein. [partij] is initiatiefnemer van het plan. [appellante] woont op het aangrenzende perceel [locatie B] en kan zich niet verenigen met het bestemmingsplan, voor zover dat de bouw van een nieuwe woning op het bestaande parkeerterrein bij de kapel mogelijk maakt.
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Overijssel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202404953/1/R3.
Datum uitspraak: 29 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend in Schuinesloot, gemeente Hardenberg,

appellante,

en

de raad van de gemeente Hardenberg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie A], Schuinesloot" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 juni 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. K. Timmer, advocaat in Groningen, en de raad, vertegenwoordigd door M. Broekhuis, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij] verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 26 oktober 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Het plan voorziet in de mogelijkheid om drie woningen te realiseren op het perceel [locatie A] en het daarnaast gelegen nog ongenummerde perceel in Schuinesloot. Twee woningen worden gerealiseerd in een bestaande kapel. Daarnaast voorziet het plan in de bouw van een vrijstaande nieuwbouwwoning naast de kapel op het huidige parkeerterrein. [partij] is initiatiefnemer van het plan.

[appellante] woont op het aangrenzende perceel [locatie B] en kan zich niet verenigen met het bestemmingsplan, voor zover dat de bouw van een nieuwe woning op het bestaande parkeerterrein bij de kapel mogelijk maakt.

Toetsingskader

3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Parkeerterrein en bereikbaarheid woning

4.       [appellante] betoogt dat de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang dat het parkeerterrein voor haar heeft. [appellante] is op leeftijd en moet door het verdwijnen van het bestaande parkeerterrein bij de kapel een grotere afstand afleggen van een parkeerplek naar haar woning.

4.1.    In het algemeen kunnen aan een geldend plan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

De Afdeling stelt vast dat het bestaande parkeerterrein bij de kapel direct naast het perceel van [appellante] ligt. De raad is in de nota van zienswijzen uitgebreid ingegaan op de aanwezigheid van parkeerplekken en op de bereikbaarheid van de woning van [appellante]. De raad heeft hierbij zijn keuze voor de nieuwe bestemming van het parkeerterrein gemotiveerd door te beoordelen of er voldoende parkeerplekken resteren na het verdwijnen van het parkeerterrein bij de kapel en hoe het achtererf van [appellante] te bereiken is. De raad heeft daarbij terecht opgemerkt dat er direct voor de woning van [appellante], ten oosten daarvan, parkeerplekken voor openbaar gebruik aanwezig zijn. De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen de openbare parkeerplekken ten oosten van de woning van [appellante] tot haar perceel ongeveer 6 meter bedraagt. Vanaf die parkeerplekken hoeft [appellante] alleen de straat over te steken om bij haar woning te komen. Deze straat dient alleen ter ontsluiting van het parkeerterrein, de parkeerplekken en de woning van [appellante]. Direct na haar perceel eindigt de straat en gaat over in een voetpad. [appellante] heeft de mogelijkheid van het gebruik van de parkeerplekken niet betwist. Bovendien hebben de raad en de initiatiefnemer in overleg met [appellante] gekeken naar alternatieve mogelijkheden. Zo heeft de initiatiefnemer voorgesteld om een strook van 1 meter aan [appellante] te verkopen voor de realisatie van een brede oprit aan de oostzijde van haar woning, maar daar is [appellante] niet mee akkoord gegaan. Op de zitting heeft zij toegelicht dat de aangeboden strook van 1 meter niet voldoende is om een parkeerplek op haar eigen perceel te realiseren. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad, ook als [appellante] geen parkeerplek op haar eigen perceel realiseert, de iets grotere loopafstand van ongeveer 6 meter niet zodanig bezwaarlijk voor [appellante] hoeven achten dat daarmee de bouw van de nieuwe woning op het bestaande parkeerterrein bij de kapel als onevenredig moet worden aangemerkt.

Het betoog slaagt niet.

Toets aan Buurtschappennota 2014

5.       [appellante] betoogt dat het plan in strijd is met ruimtelijk beleid van de raad. Zo worden er verschillende stedenbouwkundige uitgangspunten geschonden zoals vastgesteld in de paragrafen 4.1 tot en met 4.1.2 van de "Buurtschappennota 2014, beleidsregel, locaties voor woningbouw, zes buurtschappen of dorpen in de gemeente Hardenberg", vastgesteld door de raad op 2 december 2014. Het gaat hierbij om verschillende minimumafstanden.

[appellante] voert aan dat aan alle vier de afstanden niet voldaan wordt. Zo is het nieuwe bouwperceel aan de achterkant te smal, is er te weinig onbebouwde ruimte aanwezig tussen de bestaande bebouwing van [locatie A] en [locatie B], is de afstand tussen de nieuwbouwwoning en de woning op [locatie B] te klein en is de zijdelingse perceelgrensafstand van de nieuwbouwwoning ook te klein doordat het perceel aan de achterzijde smaller is dan aan de voorzijde.

[appellante] betoogt dat de raad met het afwijken van de afstanden zoals opgenomen in de Buurtschappennota artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) schendt. Zij voert aan dat er geen sprake is van relevante bijzondere omstandigheden die de afwijking van de Buurtschappennota rechtvaardigen. Zij voert verder aan dat, voor zover de raad stelt dat er wel sprake is van bijzondere omstandigheden, de afwijking van de beleidsregel onvoldoende gemotiveerd is.

5.1.    In hoofdstuk 1 van de Buurtschappennota 2014 staat:

"De Buurtschappennota geeft een visie op bouwmogelijkheden in Schuinesloot (inclusief De Belt), Rheezerveen, Hoogenweg, Kadewijk, Ane en De Krim.

[…]

In deze Buurtschappennota zijn stedenbouwkundige uitgangspunten opgenomen. Deze uitgangspunten maken theoretisch een aantal bouwlocaties mogelijk. Of een theoretische bouwlocatie daadwerkelijk wordt bebouwd is onder andere afhankelijk van particulier initiatief."

In hoofdstuk 2 van de Buurtschappennota 2014 staat:

"De vijf buurtschappen en De Krim bezitten elk afzonderlijke kenmerken, kwaliteiten en identiteiten. Deze komen voort uit de ontstaansgeschiedenis van de oorspronkelijke nederzettingen. De ruimtelijke kwaliteiten bepalen hoe in dit verband met buurtschappen en dorpen kan worden omgegaan. Verbetering van ruimtelijke kwaliteit is het criterium, om eventuele bebouwing wel of juist niet toe te staan.

[…]

Door een verantwoorde en optimale benutting van bestaande lintbebouwingen en bebouwingsstructuren, kan de eventuele realisatie van nieuwe uitleggebieden voor planmatige woningbouw enigszins worden beperkt. Dit verbetert in algemene zin de ruimtelijke kwaliteit. Het doel van deze Buurtschappennota is dan ook om enige woningbouw toe te staan met behoud van ruimtelijke identiteit en kwaliteit."

In hoofdstuk 4 van de Buurtschappennota 2014 staat:

"In dit hoofdstuk wordt een verkenning gedaan naar de mogelijke locaties voor woningbouw. Het behoud van de ruimtelijke kwaliteit is daarbij het vertrekpunt."

In paragraaf 4.1 van de Buurtschappennota 2014 staat:

"Aan de orde is nu een mogelijke verdichting van de weglinten en het kanaallint. Het belangrijkste kenmerk is, zoals eerder al genoemd, de informele bebouwingsstructuur gericht op de ontginnings-as en de doorzichten naar het achterliggende landelijk gebied. Deze informele bebouwingsstructuur heeft een bepaalde "dichtheid" van bebouwing. De kavelbreedtes variëren, maar er is toch een gemeenschappelijke maat."

In paragraaf 4.1.1 van de Buurtschappennota 2014 staat over de bebouwingsstructuur in onder andere Schuinesloot:

"De bebouwingsstructuur zegt dus iets over de "dichtheid" van bebouwing. Voorkomen moet worden dat de bestaande informele bebouwingsstructuur te veel wordt verstoord. Dit zou kunnen gebeuren als het lint volledig wordt dicht gebouwd. Hoe breed moet een kavel dan minimaal zijn om voor bebouwing in aanmerking te kunnen komen?

[…]

Uitgangspunt is dat een bouwperceel minimaal 2O meter breed moet zijn om voor bebouwing in aanmerking te kunnen komen. Er moet minimaal 3O meter onbebouwde ruimte aanwezig zijn tussen duidelijk waarneembare bebouwing. Hoofdgebouwen moeten op minimaal 10 meter afstand van elkaar worden gebouwd. De zijdelingse perceelgrensafstand bedraagt minimaat 5 meter. De voorgevelrooilijn wordt nader bepaald."

In paragraaf 4.1.2 van de Buurtschappennota 2014 staat:

"[…]

Schuinesloot.

Schuinesloot heeft geen gemeentelijke bouwkavels voor woningbouw meer beschikbaar. In het weglint van Schuinesloot zijn er bovendien weinig fysieke mogelijkheden voor nieuwe woningbouwlocaties. Op basis van concrete behoefte vanuit het woonbeleid zou voor Schuinesloot extra woningbouw nodig kunnen zijn.

Uitbreiding van het plangebied/woonlint, met extra bouwmogelijkheden, in oostelijke richting (Schuineslootweg) is niet gewenst of mogelijk vanwege de overgang van woonlint naar agrarisch lint. Het ligt daarom voor de hand om directe aansluiting te zoeken bij het gebied waar al kernvorming heeft plaatsgevonden. Omdat (gemeentelijke) planmatige uitbreiding aan nieuw aan te leggen straten niet aan de orde is dient particuliere uitbreiding aan bestaande wegen plaats te vinden."

5.2.    Artikel 1.20 van de regels van het bestemmingsplan "[locatie A], Schuinesloot" bevat de definitie van bouwperceel die luidt:

"een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;"

5.3.    Artikel 6.2 van de regels van de beheersverordening "Schuinesloot" bevat de bouwregels voor onder andere hoofdgebouwen binnen de bestemming "Woongebied" en luidt:

"a. Voor het bouwen van hoofdgebouwen voor wonen gelden de volgende regels:

[…]

4. de afstand van een hoofdgebouw of een blok van aaneen gebouwde hoofdgebouwen tot de zijdelingse bouwperceelgrens bedraagt ten minste 3 m, dan wel niet minder dan de afstand van het bestaande hoofdgebouw tot die perceelgrens voor zover deze minder bedraagt;"

5.4.    De Afdeling stelt vast dat de onbebouwde gronden van het ongenummerde perceel tussen [locatie A] en [locatie B], waar zich in de bestaande situatie een parkeerterrein bevindt, in het plan de bestemming "Woongebied", een bouwvlak, en de aanduidingen "specifieke vorm van wonen - voorwaardelijke verplichting" en "vrijstaand" hebben gekregen. Op grond van artikel 3.2.1, aanhef en onder a en c, van de planregels mag binnen het bouwvlak één hoofdgebouw worden gebouwd dat bestemd is voor wonen. Op grond van artikel 3.4.1, aanhef en onder e en f, van de planregels is het verplicht om uitvoering te geven aan aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in bijlage 1 opgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan, om te komen tot een goede landschappelijke inpassing van de nieuwe woning.

De vrijstaande woning moet dus binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. Daarvan uitgaande en aan de voorzijde van het bouwvlak en bouwperceel metend, omdat dat gelet op het hiervoor onder 5.1 beschreven doel van de Buurtschappennota het meest voor de hand ligt, komt de Afdeling tot de volgende afstanden. Aan de hand van de verbeelding stelt de Afdeling vast dat het bouwperceel, uitgaande van de begripsbepaling van artikel 1.20 van de planregels, ongeveer 27 m breed is. Dat voldoet aan de minimale breedte van 20 m. Vervolgens stelt de Afdeling vast dat de onbebouwde ruimte tussen de kapel en de woning van [appellante], wat duidelijk waarneembare bebouwing is als bedoeld in paragraaf 4.1.1 van de Buurtschappennota, ongeveer 34,5 m bedraagt. Dat voldoet aan de minimale onbebouwde ruimte van 30 m tussen duidelijk waarneembare bebouwing. Verder stelt de Afdeling vast dat de afstand tussen de kapel en het bouwvlak voor de nieuwe woning ongeveer 15,5 m bedraagt. De afstand tussen het bouwvlak en de woning van [appellante] bedraagt ongeveer 7 m. Dit laatste voldoet niet aan de minimale afstand van 10 m tussen hoofdgebouwen. Ten slotte stelt de Afdeling vast dat de afstand tussen het bouwvlak en de zijdelingse perceelsgrens aan de zuidzijde ongeveer 8 m bedraagt en aan de noordzijde ongeveer 3 m. Die laatste afstand voldoet niet aan de minimale afstand van 5 m tot de zijdelingse perceelsgrens.

5.5.    Vaststaat dus dat het plan deels afwijkt van twee van de vier uitgangspunten uit de Buurtschappennota. De Buurtschappennota is een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb. Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

5.6.    De Afdeling volgt de toelichting van de raad dat er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de raad kon afwijken van de genoemde uitgangspunten. Daarbij betrekt de Afdeling het volgende.

De Afdeling stelt voorop dat de Buurtschappennota slechts "stedenbouwkundige uitgangspunten" bevat die "theoretisch een aantal bouwlocaties mogelijk maken" (zie onder 5.1). Het doel van de Buurtschappennota is om een verkenning naar mogelijke locaties voor woningbouw te doen, waarbij het behoud van de ruimtelijke kwaliteit het vertrekpunt is. Zoals naar voren komt in het raadsvoorstel en in hoofdstuk 4 van de Buurtschappennota zijn er geen gemeentelijke bouwkavels in Schuinesloot beschikbaar. Bovendien zijn de bouwmogelijkheden aan het weglint beperkt. Daarentegen is er wel behoefte aan woningbouw ter opvulling van de woningvoorraad.

Zoals de raad heeft toegelicht, is de Buurtschappennota meer dan tien jaar oud. Destijds waren er nog geen concrete plannen voor de invulling van de percelen van de kapel en het daarbij behorende parkeerterrein en die zijn dus niet verdisconteerd in de Buurtschappennota. Deze veranderde omstandigheid is relevant voor de beoordeling of de raad van de Buurtschappennota af kon wijken.

Verder acht de Afdeling van belang dat vergelijkbare afwijkingen van de genoemde minimumafstanden niet ongebruikelijk zijn binnen het kerngebied van Schuinesloot. Zo stelt de raad zich in de nota van zienswijzen terecht op het standpunt dat de zijdelingse perceelgrensafstand van 3 m aan de noordzijde van het perceel aansluit bij de in de geldende beheersverordening "Schuinesloot" gestelde eis van 3 m voor het bouwen van woningen (artikel 6.2 van de regels van de beheersverordening). De Afdeling acht het niet onredelijk om daarbij aan te sluiten, nu deze regel voor het gehele kerngebied, waaronder Schuineslootweg ongenummerd (tussen [locatie A] en [locatie B]), van Schuinesloot geldt. Verder volgt de Afdeling ook de onderbouwing van de raad in de nota van zienswijzen dat de lintbebouwing in het kerngebied niet meer als zodanig ervaren wordt. Nu er een compactere bebouwingsstructuur binnen het kerngebied van Schuinesloot geldt, levert de afwijking van het uitgangspunt voor de afstand tussen hoofdgebouwen geen stedenbouwkundige belemmering op. De raad is in de paragrafen 2.2.2 ‘Stedenbouwkundige motivering’ en 3.4.4.4 ‘Toetsing van het initiatief aan de Buurtschappennota’ van de plantoelichting ook uitgebreid ingegaan op de stedenbouwkundige inpasbaarheid van de nieuwe woning.

De Afdeling is van oordeel dat de raad op basis hiervan deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het van zijn eigen beleid afwijkt. De Afdeling acht onder de hiervoor genoemde omstandigheden het standpunt van de raad dat de gedeeltelijke afwijkingen van de minimumafstanden uit de Buurtschappennota die in het bestemmingsplan zijn voorzien, stedenbouwkundig aanvaardbaar zijn, niet onredelijk.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

6.       Het beroep is ongegrond.

7.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Wolvers-Poppelaars, griffier.

w.g. Van den Biggelaar
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Wolvers-Poppelaars
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026

780-1200


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon