Uitspraak 202601721/1/A2 en 202601721/2/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4335
- Datum uitspraak
- 24 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 november 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellante] woont in een tweekamerwoning van 32 m2 in Amsterdam met haar drie minderjarige kinderen. Op 13 november 2025 heeft [appellante] een urgentieverklaring aangevraagd op medische gronden. Aan deze aanvraag heeft zij ten grondslag gelegd dat zij als gevolg van de woonsituatie ernstige slaapstoornissen heeft ontwikkeld en medicatie moet gebruiken om te kunnen slapen en dat de woonsituatie ook een impact heeft op haar kinderen. Het college heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024. Uit deze bepaling volgt dat het college een urgentieverklaring weigert als er sprake is van een van de in die bepaling genoemde situaties. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard. Zij is het hiermee niet eens. Haar hogerberoepsgronden komen er in de kern op neer dat geen van de drie algemene weigeringsgronden van toepassing zijn.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Verordeningen
Toon inhoud
202601721/1/A2 en 202601721/2/A2.
Datum uitspraak: 24 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2026 in zaak nr. 26/1276 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 20 november 2025 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 29 januari 2026 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 april 2026 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 10 juli 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. B. Blanckenburg, advocaat in Amsterdam, is verschenen.
Overwegingen
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
3. [appellante] woont in een tweekamerwoning van 32 m2 in Amsterdam met haar drie minderjarige kinderen. Op 13 november 2025 heeft [appellante] een urgentieverklaring aangevraagd op medische gronden. Aan deze aanvraag heeft zij ten grondslag gelegd dat zij als gevolg van de woonsituatie ernstige slaapstoornissen heeft ontwikkeld en medicatie moet gebruiken om te kunnen slapen en dat de woonsituatie ook een impact heeft op haar kinderen.
Besluitvorming
4. Het college heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024. Uit deze bepaling volgt dat het college een urgentieverklaring weigert als er sprake is van een van de in die bepaling genoemde situaties. Dit worden ook de algemene weigeringsgronden genoemd. Volgens het college zijn er drie algemene weigeringsgronden van toepassing op de aanvraag van [appellante]. Allereerst is er volgens het college geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem (sub b). Onder verwijzing naar artikel 3, ad b, van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 stelt het college dat een te kleine woning geen urgent huisvestingsprobleem vormt. Daarnaast was het huisvestingsprobleem volgens het college redelijkerwijs op te lossen of te voorkomen (sub c). Daarvan is volgens het college sprake omdat [appellante] een gezin heeft gesticht of gaat stichten zonder over daartoe passende woonruimte te beschikken, zoals opgenomen in artikel 3, ad c, van de Nadere regels. Ten slotte stonden [appellante] en alle personen die tot haar huishouden behoren niet ten minste vier jaar onafgebroken ingeschreven in de basisregistratie personen van Amsterdam (sub i), omdat de echtgenoot van [appellante] niet staat ingeschreven in Amsterdam. Het college heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd.
Beoordeling van het hoger beroep
5. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard. Zij is het hiermee niet eens. Haar hogerberoepsgronden komen er in de kern op neer dat geen van de drie algemene weigeringsgronden van toepassing zijn. Voor zover deze wel van toepassing zouden zijn, betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen geslaagd beroep kan doen op de hardheidsclausule.
6. De voorzieningenrechter bespreekt hierna allereerst de drie algemene weigeringsgronden.
Algemene weigeringsgrond b: geen urgent huisvestingsprobleem
6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. De kleine woning van [appellante] levert dat probleem niet en zij voldoet evenmin aan de voorwaarden voor medische urgentie zodat er ook in dat opzicht geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de aanvraag van [appellante] mogen afwijzen omdat er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem en licht hij hierna toe waarom.
6.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de Afdeling al eerder heeft geoordeeld dat het college de afweging heeft mogen maken dat er geen urgent huisvestingsprobleem is als uitsluitend sprake is van een te kleine woning (zie de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:93).
6.3. Op grond van artikel 10.1, derde lid, van de Nadere regels kan een urgentieverklaring op medische gronden alleen worden verkregen indien de aanvrager kampt met ernstige en chronische medische problematiek, het medische probleem levensontwrichtend is voor de aanvrager waardoor ernstige woonproblemen ontstaan, de aanvrager daardoor niet meer in staat is zelfstandig te functioneren en een zelfstandige woning een substantieel deel van de oplossing voor het probleem van de aanvrager vormt. In artikel 11 van de Nadere regels heeft het college in het geval van ernstige medische problematiek aanvullende voorwaarden geformuleerd. In sub b staat dat de psychische problemen aantoonbaar chronisch moeten zijn en de aanvrager op het moment van de aanvraag minimaal zes maanden onder behandeling moet zijn voor het betreffende medische probleem bij een specialistische, tweedelijns, GGZ-instelling of vrijgevestigde psychiater in Nederland.
6.4. Niet in geschil is dat [appellante] niet aan de aanvullende voorwaarden van artikel 11 voldoet. Hoewel [appellante] in het verleden onder behandeling heeft gestaan van een psycholoog en een psychiater, was deze behandeling afgerond en stond zij ten tijde van de aanvraag daarom niet meer onder behandeling. [appellante] betoogt dat de aanvullende voorwaarden onevenredig zijn. Zij zou ook op een andere manier moeten kunnen aantonen dat zij leidt aan chronische levensontwrichtende psychische problemen. Zij wijst in dit kader op de door haar overgelegde verklaringen van de huisarts, praktijkondersteuner, psycholoog en psychiater.
6.5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de voorwaarden zoals deze zijn neergelegd in artikel 10.1 en 11 van de Nadere regels in algemene zin niet onevenredig. Deze strikte voorwaarden voor medische urgentie zijn ingegeven door de zeer grote schaarste aan sociale huurwoningen in Amsterdam. Hierdoor is het college genoodzaakt om lastige keuzes te maken als het aankomt op wie met voorrang in aanmerking mag komen voor een sociale huurwoning en wie daardoor (nog) langer moet wachten. In de hiervoor genoemde uitspraak van 11 januari 2023 heeft de Afdeling dit restrictieve beleid niet onredelijk geacht.
Voorgaande neemt niet weg dat er feiten en omstandigheden kunnen zijn die maken dat de toepassing van dit beleid in een concreet geval wel onevenredig is en dat het beleid in dat geval buiten toepassing moet worden gelaten. Daarvan is in het geval van [appellante] echter geen sprake. Met de door haar overgelegde stukken is [appellante] er niet in geslaagd om aan te tonen dat er, ondanks de afwezigheid van een tweedelijns behandeling, sprake is van psychische problematiek die dermate levensontwrichtend is dat zij niet meer in staat is om zelfstandig te functioneren. Dat uit de brief van de huisarts volgt dat een stabiele woning met voldoende ruimte en een rustige slaapplaats essentieel is om verdere verslechtering van de gezondheid te voorkomen en behandeling effectief te laten plaatsvinden, is hiervoor onvoldoende.
Algemene weigeringsgrond c: het huisvestingsprobleem kon redelijkerwijs worden voorkomen
6.6. Wanneer een huisvestingsprobleem in ieder geval redelijkerwijs was op te lossen of te voorkomen, heeft het college uiteengezet in artikel 3, ad c, van de Nadere regels. Onder 2 wordt de situatie genoemd dat de aanvrager een gezin heeft gesticht of gaat stichten zonder over daartoe passende woonruimte te beschikken. Nog daargelaten of het uitbreiden van een gezin niet ook hieronder kan worden volstaan, merkt de voorzieningenrechter op dat deze bepaling geen limitatieve opsomming bevat. Volgens de voorzieningenrechter was het voor [appellante] voorzienbaar dat zij als gevolg van haar keuze om haar gezin uit te breiden in de toekomst te maken zou gaan krijgen met een huisvestingsprobleem. [appellante] is in december 2017 in de woning getrokken met haar kind van tien maanden oud. Zij heeft vervolgens in deze woning twee kinderen gekregen. Het enkele gegeven dat daardoor vier personen in een tweekamerwoning van 32m2 zouden komen te wonen, is voldoende om aan te nemen dat het huisvestingsprobleem voorzienbaar was. Hiermee zegt de voorzieningenrechter niet dat [appellante] haar gezin niet had mogen uitbreiden. Dit betekent alleen dat het college niet gehouden is om een oplossing te bieden voor het als gevolg van die keuze ontstane huisvestingsprobleem. Het tegenwerpen van deze weigeringsgrond is naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom ook niet onevenredig.
Weigeringsgrond i: bindingseis
6.7. Niet in geschil is dat de echtgenoot van [appellante] niet staat ingeschreven in de basisregistratie personen van Amsterdam. In geschil is of de echtgenoot van [appellante] kan worden gerekend tot haar huishouden. Anders dan het college en de rechtbank hebben geoordeeld, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit niet het geval is.
6.8. Op grond van artikel 1, aanhef en onder k, van de huisvestingsverordening wordt onder huishouden verstaan: "een alleenstaande, dan wel twee personen met of zonder kinderen, die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren waarbij er sprake is van bewuste wederzijdse zorg en taakverdeling die het enkel gezamenlijk bewonen van een bepaalde woonruimte te boven gaat en waarbij de intentie bestaat om voor onbepaalde periode samen te wonen. Gehuwden en geregistreerde partners worden verondersteld een huishouden te vormen;"
6.9. Hoewel gehuwden verondersteld worden een huishouden te vormen, heeft [appellante] terecht opgemerkt dat aan de hand van tegenbewijs moet worden beoordeeld of de veronderstelling inderdaad klopt. Op basis van de door [appellante] overgelegde stukken en haar toelichting op de zitting stelt de voorzieningenrechter vast dat de echtgenoot op geen enkel moment onderdeel is geweest van het huishouden noch dat hij in de toekomst onderdeel zal gaan uitmaken van het huishouden. Uit de brief van de echtscheidingsadvocaat volgt dat [appellante] daarnaast stappen heeft gezet om het huwelijk te ontbinden. Onder die specifieke omstandigheden mag het college haar deze algemene weigeringsgrond niet tegenwerpen.
Tussenconclusie: algemene weigeringsgronden
6.10. Hoewel het college [appellante] de algemene weigeringsgrond van artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder i, van de Huisvestingsverordening niet heeft mogen tegenwerpen, leidt dit niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de beslissing van het college. Zoals de voorzieningenrechter hiervoor heeft geoordeeld, heeft het college namelijk de andere twee algemene weigeringsgronden wel tegen mogen werpen. Het beroep is in zoverre daarom ongegrond. In het kader van de hardheidsclausule moet vervolgens worden beoordeeld of er redenen zijn om, ondanks de aanwezigheid van deze weigeringsgronden, toch een urgentieverklaring te verlenen.
Hardheidsclausule
7. Zodra er één van de algemene weigeringsgronden van artikel 2.10.5, eerste lid, van de Huisvestingsverordening van toepassing is, weigert het college de urgentieaanvraag. Op grond van de hardheidsclausule van artikel 2.10.11 verleent het college desondanks toch een urgentieverklaring als de weigering van de urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie en er sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. In de Nadere regels heeft het college in artikel 24 toegelicht dat onder een schrijnende situatie bij medische problematiek wordt verstaan een uitzonderlijke noodsituatie waar een urgentieverklaring voor noodzakelijk is. De aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek dient met bewijsstukken aan te tonen dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk, een verklaring van de huisarts is onvoldoende.
7.1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellante] geen geslaagd beroep toekomt op de hardheidsclausule. Zoals hiervoor onder 6.4 uiteengezet, voldoet [appellante] niet aan de voorwaarden voor medische urgentie. Aangezien de voorwaarden voor toepassing van de hardheidsclausule bij medische problematiek nog strenger zijn dan bij die van medische urgentie, komt [appellante] ook niet in aanmerking voor toepassing van de hardheidsclausule. Niet is gebleken dat er sprake is van een acuut levensbedreigend probleem als bedoeld in artikel 24 van de Nadere regels. Ook is niet gebleken van omstandigheden die maken dat de toepassing van dit beleid in haar situatie onevenredig uitpakt.
7.2. Voor zover [appellante] heeft gewezen op de situatie van haar kinderen, merkt de voorzieningenrechter op dat er in het dossier geen stukken aanwezig zijn die betrekking hebben op het welzijn van de kinderen. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat de woonsituatie voor het gezin verre van ideaal is, heeft [appellante] op de zitting toegelicht dat het op dit moment goed gaat met de kinderen.
8. Het beroep is ook in zoverre daarom ongegrond.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. Daalder
voorzieningenrechter
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026
Bijlage
Wettelijk kader
Huisvestingsverordening Amsterdam 2024
Artikel 1 Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
(…)
k. Huishouden: een alleenstaande, dan wel twee personen met of zonder kinderen, die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren waarbij er sprake is van bewuste wederzijdse zorg en taakverdeling die het enkel gezamenlijk bewonen van een bepaalde woonruimte te boven gaat en waarbij de intentie bestaat om voor onbepaalde periode samen te wonen. Gehuwden en geregistreerde partners worden verondersteld een huishouden te vormen;
Artikel 2.10.5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring
1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
(…)
b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;
c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;
(…)
i. de aanvrager en alle personen behorend tot zijn huishouden, die in de periode direct voorafgaand aan het indienen van de aanvraag blijkens diens inschrijving in de Basisregistratie Personen niet ten minste vier jaar onafgebroken in de gemeente waar de urgentieverklaring wordt aangevraagd woonachtig was, tenzij één of meerdere personen behorend tot het huishouden van aanvrager minderjarige kinderen zijn en de aanvrager en zijn of haar huishouden vanwege een relatiebreuk tussen aanvrager en diens partner zijn verhuisd naar een inwoonadres buiten Amsterdam en binnen een half jaar na vertrek uit Amsterdam een urgentieverklaring heeft aangevraagd;
Artikel 2.10.8 Overige urgentiecategorieën
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.10.5 kan een urgentieverklaring worden verleend indien de aanvrager tot ten minste één van de volgende urgentiecategorieën behoort:
(…)
b. woningzoekenden die op grond van medische of sociale redenen dringend woonruimte nodig hebben en niet behoren tot de in artikel 2.10.7 bedoelde urgentiecategorie;
Artikel 2.10.11 Hardheidsclausule
1. Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:
a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,
b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
(…)
Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024
Artikel 3. Algemene weigeringsgronden (artikel 2.10.5 HVV)
(…)
Ad b) Géén urgent huisvestingsprobleem.
Indien zich uitsluitend één of een combinatie van de onderstaande problemen voordoet, is er géén urgent huisvestingsprobleem:
(…)
2. de huidige woning is te klein of te groot voor het huishouden van de aanvrager;
(…)
Ad c) Het huisvestingsprobleem was redelijkerwijs op te lossen of te voorkomen.
Van een dergelijk probleem is in ieder geval sprake als de aanvrager:
(…)
2. een gezin heeft gesticht of gaat stichten zonder over daartoe passende woonruimte te beschikken;
(…)
Artikel 10.1 Urgentiecategorie medische redenen (medische urgentie artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel b, HVV)
1. Aan artikel 2.10.8 HVV wordt niet getoetst als de aanvraag moet worden geweigerd op grond van één van de algemene weigeringsgronden genoemd in artikel 2.10.5 HVV.
(…)
3. Een urgentieverklaring op medische gronden kan alleen worden verkregen indien:
a. de aanvrager kampt met ernstige en chronische medische problematiek;
b. het medische probleem levensontwrichtend is voor de aanvrager waardoor ernstige woonproblemen ontstaan en de aanvrager daardoor niet meer in staat is zelfstandig te functioneren;
c. een zelfstandige woning een substantieel deel van de oplossing voor het probleem van de aanvrager vormt; en,
d. de aanvrager zelfredzaam is wat inhoudt dat de aanvrager in staat zal zijn om duurzaam zelfstandig te wonen.
(…)
5. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de weigeringsgronden uit artikel 2.10.5, eerste lid, onderdeel c en onderdeel e HVV onverminderd van toepassing zijn op een urgentieaanvraag om medische redenen. Er moet sprake zijn van een overmachtssituatie die redelijkerwijs niet te voorkomen was.
Artikel 11 Aanvullende voorwaarden bij artikel 10.1 (ernstige medische problemen)
a. De ernstige en levensontwrichtende aard van het medische probleem blijkt uit medische verklaringen van één of meer behandelend artsen of specialisten. Een verklaring van de huisarts is onvoldoende;
b. Psychische problemen zijn aantoonbaar chronisch, en de aanvrager moet op het moment van aanvraag minimaal 6 maanden onder behandeling zijn voor het betreffende medische probleem bij een specialistische, tweedelijns GGZ instelling of vrijgevestigd psychiater in Nederland. Praktijk Ondersteuner Huisartsenzorg, eerstelijns en/of basis GGZ vallen hier niet onder;
c. De huidige woonsituatie is levensontwrichtend omdat de bewegingsruimte van de aanvrager door de medische problemen teveel beperkt wordt dan wel de behandeling van het probleem wordt aantoonbaar in hoge mate ongunstig beïnvloed door de woonsituatie. Spanning, stress en/of psychische klachten samenhangend met de woonsituatie zijn geen redenen om een urgentieverklaring te verlenen;
(…)
Artikel 25 Hardheidsclausule (artikel 2.10.11 HVV)
Indien een aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden voor urgentieverlening kunnen burgemeester en wethouders alsnog een urgentieverklaring verlenen indien:
a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,
b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening, onvoorziene omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
Toelichting op de hardheidsclausule bij medische problematiek
Onder een schrijnende situatie bij medische problematiek wordt verstaan een uitzonderlijke noodsituatie waar een urgentieverklaring voor noodzakelijk is. De aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek dient met bewijsstukken aan te tonen dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk, een verklaring van de huisarts is onvoldoende.