Uitspraak 202501680/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4410
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- [appellant] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar verzoek aan het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland om handhavend op te treden op grond van de Monumentenverordening gemeente Smallingerland 2010. Het college heeft de Noorderbegraafplaats, gelegen aan de Stationsweg 1446 te Drachten, op 26 april 2001 aangewezen als monument. De Protestantse Gemeente te Drachten is eigenaar van de begraafplaats. De Protestantse Gemeente heeft de gedenksteen van het graf van de oma van [appellant] verwijderd van de begraafplaats op 1 januari 2023. Volgens [appellant] heeft het college de gedenksteen (mede) aangewezen als monument en mocht de Protestantse Gemeente daarom niet de gedenksteen verwijderen zonder een vergunning van het college.
- Hoger beroep
- Monumenten
Toon inhoud
202501680/1/A2.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Franeker, gemeente Waadhoeke,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 februari 2025 in zaak nr. 24/3024 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland.
Procesverloop
[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar verzoek aan het college om handhavend op te treden op grond van de Monumentenverordening gemeente Smallingerland 2010.
Bij uitspraak van 14 februari 2025 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. F.P. Doting en M. Hossaini, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Het college heeft de Noorderbegraafplaats, gelegen aan de Stationsweg 1446 te Drachten, op 26 april 2001 aangewezen als monument. De Protestantse Gemeente te Drachten is eigenaar van de begraafplaats. De Protestantse Gemeente heeft de gedenksteen van het graf van de oma van [appellant] verwijderd van de begraafplaats op 1 januari 2023.
2. Volgens [appellant] heeft het college de gedenksteen (mede) aangewezen als monument en mocht de Protestantse Gemeente daarom niet de gedenksteen verwijderen zonder een vergunning van het college. Zij heeft het college op 26 maart 2024 verzocht om handhaving op grond van de Monumentenverordening Smallingerland 2010 (thans: de Erfgoedverordening gemeente Smallingerland 2023). Het college heeft bij brief van 10 juli 2024 gereageerd op het verzoek. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] geen belanghebbende is bij het verzochte besluit en dat daarom geen sprake is van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De reactie van het college op het verzoek is daarom volgens het college ook niet aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste en tweede lid, van de Awb, waartegen bezwaar of beroep zou openstaan.
3. [appellant] heeft een bezwaarschrift ingediend, het college in gebreke gesteld en vervolgens bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door het college.
Rechtbankprocedure
4. Bij uitspraak van 30 augustus 2024 heeft de rechtbank zich, buiten zitting, onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep. De rechtbank heeft het verzet van [appellant] tegen die uitspraak gegrond verklaard bij uitspraak van 17 oktober 2024. Vervolgens heeft de rechtbank de zaak ter zitting behandeld en zich bij uitspraak van 14 februari 2025 alsnog onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep.
5. In haar uitspraak van 14 februari 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] geen belanghebbende is bij het verzochte besluit. [appellant] is niet de houder van het grafrecht en niet is gebleken dat zij op een andere manier zeggenschap heeft over het graf. Zij heeft daarom geen objectief belang dat haar voldoende onderscheidt van andere familieleden en andere bezoekers van de begraafplaats. Dat zij emotionele gevolgen ondervindt van de verwijdering van de gedenksteen, is onvoldoende om een objectief belang aan te nemen. Dat betekent dat de reactie van het college niet is aan te merken als een besluit, noch als het te laat nemen van een besluit, waartegen beroep ingesteld kan worden.
Hoger beroep
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen belanghebbende is bij het verzochte besluit. Door versterf van de eerste generatie heeft zij als kleinkind een direct belang. Verder komt de uitspraak van de rechtbank niet overeen met de eerdere uitspraak op het verzet van [appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank van 30 augustus 2024. Op grond van de uitspraak op het verzet zou het onderzoek in de hoofdzaak zich moeten richten op de vraag of de individuele grafmonumenten vallen onder de Monumentenverordening.
6.1. De rechtbank is in beroep niet gebonden aan overwegingen in de uitspraak op het verzet. Nadat het verzet gegrond is verklaard, wordt het onderzoek in de zaak voortgezet in de stand waarin die zich bevond. De rechtbank heeft dus terecht haar bevoegdheid opnieuw beoordeeld in haar uitspraak van 14 februari 2025.
6.2. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende beroep kan instellen tegen een besluit bij de bestuursrechter.
In artikel 1:3, tweede lid, van de Awb wordt onder beschikking verstaan een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.
In artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
6.3. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het besluit, belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
6.4. De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellant] niet de houder is van het grafrecht van haar oma, noch anderszins zeggenschap heeft over het graf. In hoger beroep heeft [appellant] dat oordeel van de rechtbank niet weersproken. Er zijn verder onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat zij, naast emotionele gevolgen, ook feitelijke gevolgen van de verwijdering van de grafsteen ondervindt. De Afdeling stelt daarom vast dat [appellant] geen objectief belang heeft bij de verzochte handhaving. Het verzoek van [appellant] is daarom geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De reactie op dat verzoek is daarom geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste en tweede lid, van de Awb. Daaruit volgt dat ook geen beroep openstaat tegen een niet tijdig reageren op het verzoek op grond van artikel 6:2 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:1 van de Awb. De rechtbank heeft zich dus terecht onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het bij haar ingestelde beroep. Dat betekent dat ook de Afdeling niet kan toekomen aan de behandeling van de verdere (hoger)beroepsgronden van [appellant]. Ten overvloede wijst de Afdeling erop dat uit de bij het verweerschrift in beroep overgelegde ‘Inventarisatie grafmonumenten begraafplaatsen in de gemeente Smallingerland’ volgt dat slechts een beperkt deel van de grafstenen is aangewezen als monument. De verwijderde grafsteen behoort daar niet toe.
6.5. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
1100