Uitspraak 202303270/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4227
- Datum uitspraak
- 20 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202303270/1/V1.
Datum uitspraak: 20 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 26 april 2023 in zaak nr. NL23.4442 in het geding tussen:
appellant
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 26 april 2023 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J. Verwers, advocaat in Wageningen, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 28 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van appellant ingewilligd.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op de aanvraag van appellant om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag). Dat heeft de minister op 28 juni 2023 wel gedaan. Daarmee is het doel van deze procedure bereikt. Appellant heeft geen belang bij de beoordeling van zijn hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
3. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, prejudiciële vragen gesteld over de vraag of de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn met negen maanden mocht verlengen. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, Zimir, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling heeft op 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1749, einduitspraak gedaan, waarin zij tot de conclusie is gekomen dat WBV 2022/22 onverbindend is.
4. De asielaanvraag van appellant valt onder het toepassingsbereik van WBV 2022/22. Aangezien WBV 2022/22 onverbindend is, had de minister zes maanden de tijd om een besluit te nemen op de asielaanvraag van appellant. De minister heeft eerst op 28 juni 2023 een besluit genomen. De minister is inmiddels aan appellant tegemoetgekomen aangezien hij hangende de procedure tegen het uitblijven van een besluit op zijn asielaanvraag alsnog een besluit heeft genomen. De Afdeling ziet aanleiding om de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant te veroordelen.
5. De minister moet de in verband met het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden. Het beroep en het hoger beroep gaan uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
6. De minister is in het besluit van 28 juni 2023 geheel aan de aanvraag van appellant tegemoetgekomen. Er is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026
977