Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202403858/1/R4

Uitspraak 202403858/1/R4

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4292
Datum uitspraak
22 juli 2026
Inhoudsindicatie
In het besluit van 23 april 2024 heeft de raad van de gemeente Buren het bestemmingsplan "Ingen, Nieuwe Weg ong." vastgesteld. Het plan maakt een vrijstaande woning mogelijk op het perceel aan de Nieuwe Weg in Ingen naast [locatie 1]. [partij] is de initiatiefnemer en mede-eigenaar van het perceel. [appellant] woonde aan de [locatie 2] in Ingen, gelegen tegenover het plangebied. [appellant] is het niet eens met de vaststelling van het plan. [appellant] voert aan dat het plan in strijd met het Woningprogramma 2020-2030 is vastgesteld. Volgens hem is de doelstelling voor het aantal nieuwe grondgebonden woningen in buurtschap Hoogkana al bereikt, waardoor er volgens het Woningprogramma geen ruimte is voor een extra woning op de planlocatie. Daarnaast voert [appellant] aan dat woningen onder het Woningprogramma uiterlijk in 2021 aangemeld hadden moeten worden, terwijl voor dit plan pas in november 2022 principe medewerking is verleend.
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Gelderland

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202403858/1/R4.
Datum uitspraak: 22 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in Ingen, gemeente Buren,
appellant,

en

de raad van de gemeente Buren,
erweerder.

Procesverloop

In het besluit van 23 april 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Ingen, Nieuwe Weg ong." vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en [partij] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 22 april 2026, waar de raad, vertegenwoordigd door A.W. Schoneveld, is verschenen. Verder is op zitting [partij], bijgestaan door [persoon], gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 29 november 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Het plan maakt een vrijstaande woning mogelijk op het perceel aan de Nieuwe Weg in Ingen naast [locatie 1]. [partij] is de initiatiefnemer en mede-eigenaar van het perceel. [appellant] woonde aan de [locatie 2] in Ingen, gelegen tegenover het plangebied. [appellant] is het niet eens met de vaststelling van het plan.

2.1.    De relevante bepalingen zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Toetsingskader

3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Beroepsgronden

Woningprogramma 2020-2030

4.       [appellant] voert aan dat het plan in strijd met het Woningprogramma 2020-2030 (Woningprogramma) is vastgesteld. Volgens hem is de doelstelling voor het aantal nieuwe grondgebonden woningen in buurtschap Hoogkana al bereikt, waardoor er volgens het Woningprogramma geen ruimte is voor een extra woning op de planlocatie. Daarnaast voert [appellant] aan dat woningen onder het Woningprogramma uiterlijk in 2021 aangemeld hadden moeten worden, terwijl voor dit plan pas in november 2022 principe medewerking is verleend.

4.1.    De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met het Woningprogramma is vastgesteld. In het Woningprogramma zijn 1400 woningen opgenomen. Op zitting heeft de raad toegelicht dat het Woningprogramma deels nader is uitgewerkt in het collegebesluit van 11 mei 2021. Uit dat besluit volgt dat is ingestemd met het toekennen van 20 individuele woningen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onder verwijzing naar deze stukken overtuigend toegelicht dat de in het plan opgenomen woning deel uitmaakt van die 20 toegekende individuele woningen.

Het betoog slaagt niet.

Financiële uitvoerbaarheid

5.       [appellant] voert aan dat onduidelijk is of [partij] bevoegd was om de vergunning aan te vragen. Daarnaast voert [appellant] aan dat het onduidelijk is wie de eventuele toekomstige aanspraken, waaronder de planschade, zal dragen.

5.1.    De vraag of [partij] bevoegd was om de vergunning aan te vragen ligt hier niet voor, omdat deze zaak gaat over de vaststelling van het bestemmingsplan.

Over de financiële uitvoerbaarheid overweegt de Afdeling als volgt. Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen op voorhand niet uitvoerbaar is.

In paragraaf 4.7 van de plantoelichting staat dat een exploitatieovereenkomst is gesloten tussen de gemeente Buren en [partij]. Ingevolge die overeenkomst komen eventueel betaalde tegemoetkomingen in planschade ten laste van [partij]. Niet aannemelijk is gemaakt dat die tegemoetkomingen zodanig hoog zijn dat [partij] deze niet zou kunnen dragen.

Daarom heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat er geen redenen zijn waarom het plan op voorhand niet uitvoerbaar is.

Het betoog slaagt niet.

Spuitvrije zone

6.       [appellant] betoogt dat het plangebied een hobbymatige boomgaard bevat, waarbij een spuitzone moet worden aangehouden. Volgens [appellant] is het plan onduidelijk en onzorgvuldig wat betreft de vereiste spuitvrije zone van 50 m. [appellant] voert aan dat een onderhandse akte waarin afstand wordt gedaan van spuitrechten in dit geval niet volstaat.

6.1.    De Afdeling stelt vast dat in artikel 9.1.2 van de planregels staat dat ter plaatse van de aanduiding "Milieuzone - spuitvrije zone" waar de hobbymatige boomgaard is gelegen, het gebruik van synthetisch-chemische gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen voor de laanboom- en fruitteelt niet is toegestaan. Deze planregel is duidelijk en daarmee is gewaarborgd dat geen synthetisch-chemische gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen zullen worden gebruikt.

Het betoog slaagt niet.

Bouwhoogte

7.       [appellant] betoogt verder dat een bouwhoogte van 8 m voor de woning niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, omdat de woningen in de omgeving niet hoger zijn dan 6,5 m. Hierdoor vreest [appellant] verminderd uitzicht en verminderde privacy, waardoor zijn woon- en leefklimaat onaanvaardbaar wordt aangetast. Daarnaast vreest [appellant] dat het plan leidt tot schaduw bij [locatie 1].

7.1.    De Afdeling is van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de in het plan voorziene maximale bouwhoogte niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en niet zal leiden tot onevenredige gevolgen voor [appellant]. De raad heeft daarbij mogen betrekken dat een dergelijke hoogte in de omgeving niet ongebruikelijk is en ook is voorzien in artikel 20.2.2, onder i, van de planregels van het bestemmingsplan "Reparatieplan buitengebied 2012", dat voor omliggende percelen geldt. Daarnaast wordt in hoofdstuk 3.2 van de plantoelichting ingegaan op de stedenbouwkundige aspecten. Daarin staat ook dat de woning qua bebouwing aansluit bij de woningen in de omgeving. De raad heeft op zitting nader toegelicht waarom de woning stedenbouwkundig verantwoord is, waarbij is meegewogen dat een verdichting van de bebouwing op deze locatie wenselijk is en het plangebied op minimaal 35 m afstand van de woning van [appellant] ligt.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

7.2.    Wat betreft de schaduwwerking bij [locatie 1] overweegt de Afdeling als volgt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.

Naar het oordeel van de Afdeling beroept [appellant] zich met wat hij heeft aangevoerd over de schaduwwerking bij [locatie 1] niet op een aspect van de norm van een goede ruimtelijke ordening dat betrekking heeft op zijn eigen belang, maar op de belangen van anderen. Wat [appellant] heeft aangevoerd heeft immers betrekking op het belang van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de bewoners van de [locatie 1]. De Afdeling is van oordeel dat het relativiteitsvereiste, zoals dat volgt uit artikel 8:69a van de Awb, daarom in zoverre in de weg staat aan de vernietiging van het plan. Om die reden ziet de Afdeling af van een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond.

Participatie

8.       [appellant] voert aan dat omwonenden voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpplan nauwelijks zijn betrokken bij de planontwikkeling. Volgens [appellant] hebben de omwonenden, naast de gelegenheid tot het indienen van een zienswijze, maar vijf minuten spreektijd gekregen in de raadsvergadering. Omwonenden hebben zelf een petitie aangeboden en voorgesteld om een beeldvormende vergadering te organiseren, maar daar heeft de raad niets mee gedaan, aldus [appellant].

8.1.    De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan overeenkomstig artikel 3.8 van de Wro is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Deze procedure is begonnen met de terinzagelegging van het ontwerpplan waarover eenieder zienswijzen naar voren kon brengen. In paragraaf 6.4 van de plantoelichting staat dat tijdens de terinzagelegging vier zienswijzen zijn ingediend. Deze zienswijzen heeft de raad betrokken bij de vaststelling van het plan. In zoverre is de voor het voorbereiden van een bestemmingsplan voorgeschreven procedure door de raad gevolgd.

Het bieden van inspraak voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen deel uit van de in de Wro geregelde bestemmingsplanprocedure. Daarnaast blijkt uit artikel 2, onder 3, onder f, van de Inspraak- en participatieverordening van de gemeente Buren dat geen participatie of inspraak wordt verleend als een besluit wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het niet bieden van inspraak of een andere vorm van overleg in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

Het betoog slaagt niet.

Verbod van vooringenomenheid

9.       [appellant] betoogt ten slotte dat het plan is vastgesteld in strijd met het verbod van vooringenomenheid. Volgens hem blijkt dit uit de omstandigheid dat bij het plan Buro van Blijderveen als bouwkundig advies- en tekenbureau is ingeschakeld. De eigenaar van Buro van Blijderveen, Van Blijderveen, is namelijk actief als raadslid van het CDA in de gemeente Buren. [appellant] stelt dat Van Blijderveen een persoonlijk belang had bij de vaststelling van het plan en daardoor de schijn van belangenverstrengeling is gewekt.

9.1.    Voor zover [appellant] betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 2:4, tweede lid, van de Awb, overweegt de Afdeling dat dit betoog niet slaagt, alleen al omdat Van Blijderveen zich heeft onthouden van stemmen tijdens de besluitvormende raadsvergadering.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

10.     Het beroep is ongegrond.

11.     De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Hoekstra
lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026

700-1194

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 2:4 luidt:

"1 Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid.

2 Het bestuursorgaan waakt ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden."

Inspraak- en participatieverordening gemeente Buren

Artikel 2 luidt:

"[…]

3 Geen participatie of inspraak wordt verleend:

[…]

f. indien bij of krachtens wettelijk voorschrift is bepaald dat een besluit wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

[…]."

Planregels van het bestemmingsplan "Reparatieplan buitengebied 2012"

Artikel 20.2.2 luidt:

"Bij de bouw van de in artikel 20 lid 2.1 sub a bedoelde woningen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

[…]

i. de hoogte mag niet meer bedragen dan 12 m;

[…]."


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon