Uitspraak 202504116/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4281
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 23 januari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal [appellant] opgedragen de garageloods aan de [locatie] in Heerle te verwijderen of zo uit te voeren dat deze vergunningvrij is. Als hij dat niet doet, moet hij een dwangsom van € 3000,00 betalen. [appellant] woont aan de [locatie] in Heerle en heeft een garageloods naast zijn woning gebouwd. [partij] woont naast [appellant] en is het niet eens met de bouw van de garageloods, omdat deze volgens haar te groot is en niet past in de omgeving. Het college heeft geconstateerd dat de gebouwde garageloods inderdaad te groot is om vergunningvrij te bouwen en heeft [appellant] daarom opgedragen om de garageloods te verwijderen of aan te passen.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202504116/1/R2.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Heerle, gemeente Roosendaal,
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 juli 2025 in zaken nrs. 25/2300 en 25/2301 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal.
Procesverloop
Bij besluit van 23 januari 2024 heeft het college [appellant] opgedragen de garageloods aan de [locatie] in Heerle te verwijderen of zo uit te voeren dat deze vergunningvrij is. Als hij dat niet doet, moet hij een dwangsom van € 3000,00 betalen.
Bij besluit van 1 juli 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 23 januari 2024 herroepen.
Bij besluiten van 3 oktober 2024 en 6 december 2024 heeft het college het besluit van 1 juli 2024 aangevuld door [appellant] opnieuw op te dragen de garageloods te verwijderen of zo uit te voeren dat deze vergunningvrij is en geen welstandsexces geeft. Als hij dat niet doet, moet hij een dwangsom van € 3000,00 betalen.
Bij uitspraak van 3 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 1 april 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. drs. J.M. Lammers, rechtsbijstandsverlener in Amsterdam, en [persoon A], en het college, vertegenwoordigd door mr. I. Boujamid en mr. M.J. van de Crommenacker, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], bijgestaan door mr. R. Oosterbroek, rechtsbijstandverlener in Leeuwarden, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is ingediend vóór 1 januari 2024 en het bestuursorgaan naar aanleiding van dit verzoek na dit tijdstip een last onder dwangsom heeft opgelegd, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024 van toepassing totdat dit besluit onherroepelijk wordt.
Naar aanleiding van een handhavingsverzoek dat vóór 1 januari 2024 is ingediend, heeft het college bij besluit van 23 januari 2024 aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant] woont aan de [locatie] in Heerle en heeft een garageloods naast zijn woning gebouwd. [partij] woont naast [appellant] en is het niet eens met de bouw van de garageloods, omdat deze volgens haar te groot is en niet past in de omgeving. Het college heeft geconstateerd dat de gebouwde garageloods inderdaad te groot is om vergunningvrij te bouwen en heeft [appellant] daarom opgedragen om de garageloods te verwijderen of aan te passen.
2.1. Partijen zijn het erover eens dat voor de gebouwde garageloods een omgevingsvergunning nodig is, dat deze niet is aangevraagd en dus ook niet is verleend. Daarmee staat de overtreding vast. [appellant] is het niet eens met de opgelegde last onder dwangsom en doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens [appellant] heeft het college toegezegd dat de garageloods zonder omgevingsvergunning gebouwd mocht worden. In deze uitspraak gaat de Afdeling in op de vraag of het college om die reden had moeten afzien van de opgelegde last.
Beginselplicht tot handhaving
3. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Is er gerechtvaardigd vertrouwen gewekt door het college?
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college een last onder dwangsom heeft kunnen opleggen. Daarover voert [appellant] aan dat er van de zijde van het college toezeggingen zijn gedaan waaruit hij redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het college niet handhavend zou optreden tegen de garageloods. Volgens [appellant] heeft het college namelijk in de brief van 8 juni 2022 en in de mailberichten van 6 mei 2024 en 6 juni 2024 toegezegd dat de garageloods zonder omgevingsvergunning gebouwd kon worden.
4.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja, hoe. Er is geen sprake van gerechtvaardigde verwachtingen als degene die een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft gedaan de relevante feiten en omstandigheden onjuist of onvolledig heeft weergegeven of als hij gelet op zijn specifieke kennis of deskundigheid had moeten beseffen dat de uitlating of gedraging in strijd was met de toepasselijke rechtsregels.
4.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de brief van 8 juni 2022 geen toezegging is van het college waarop [appellant] gerechtvaardigd mocht vertrouwen. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat niet kan worden vastgesteld of [appellant] de garageloods heeft opgericht conform de in de brief bedoelde tekening. In de periode tussen de indiening van de conceptaanvraag voor de garageloods in maart 2022 en de brief van 8 juni 2022 heeft [appellant] namelijk meerdere tekeningen ingediend, waarop het bouwwerk steeds verschilt qua afmetingen en uiterlijk, en in de brief van 8 juni 2022 ontbreekt een tekening, of verwijzing daarnaar, waarop de vermeende toezegging ziet. Daarnaast neemt de Afdeling in aanmerking dat het college in de brief van 30 maart 2022 in reactie op de conceptaanvraag aan [appellant] heeft medegedeeld dat de aanvraag niet voldoet, omdat de goothoogte van de garageloods 4,2 m zou worden. Van [appellant] en zijn deskundige architect, door wie [appellant] zich gedurende de voorbereiding en de bouw van de garageloods liet bijstaan, mocht worden verwacht dat zij er daardoor van op de hoogte waren dat een gevel met een dakrand van in totaal 4,2 m hoog zonder goot niet vergunningvrij was en dat de vermeende toezegging van het college van 8 juni 2022 daar dus ook niet op kon zien. Bovendien blijkt uit het controleverslag van de bouwinspecteur van 12 maart 2024 dat [appellant] de garageloods heeft gebouwd met een goothoogte van 4,35 m, terwijl hij er dus van op de hoogte was dat een goothoogte van 4,2 m al niet vergunningvrij was. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] daarom niet aannemelijk gemaakt dat het college in de brief van 8 juni 2022 heeft toegezegd dat de garageloods vergunningvrij kon worden gebouwd.
4.3. De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat de mailwisselingen van 2024 niet in aanmerking komen als een relevante toezegging van het college. Het college heeft met de mailberichten van 6 mei 2024 en 6 juni 2024, die gaan over het wijzigen van de al bestaande garageloods op een wijze dat deze alsnog vergunningvrij is, weliswaar toegezegd dat bij aanpassing van de garageloods volgens de ingediende bouwtekening van 26 maart 2024 is voldaan aan de opgelegde last. Maar daarmee heeft het college bij [appellant] niet het vertrouwen gewekt dat daarom zal worden afgezien van handhavend optreden tegen de loods zoals gerealiseerd.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ahmady-Pikart
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
638-1186