Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W04.26.00214/I

Besluit versterking regie volkshuisvesting.

Kenmerk
W04.26.00214/I
Datum aanhangig
13 juli 2026
Datum vastgesteld
21 oktober 2026
Datum advies
21 oktober 2026
Datum publicatie
26 oktober 2026
Vindplaats
Website Raad van State
  • Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Samenvatting
  • Volledige tekst
Samenvatting

Advies over het Besluit versterking regie volkshuisvesting

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 21 oktober 2026 het advies vastgesteld over het ontwerpbesluit versterking regie volkshuisvesting. Het advies is op 26 oktober 2026 gepubliceerd op de website van de Raad van State.

Betaalbare woningen

Het ontwerpbesluit is een uitwerking van de Wet versterking regie volkshuisvesting die op 1 juli 2026 in werking is getreden. Hiermee wil de regering bereiken dat overheden meer regie krijgen over de bouw van woningen, waarbij het de ambitie is om jaarlijks 100.000 woningen te bouwen. Ook moet de overheid meer invloed krijgen op de beschikbaarheid van voldoende betaalbare woningen. In verband hiermee bepaalt het ontwerpbesluit dat de nieuwbouw in iedere woningbouwregio uit twee derde betaalbare woningen moet bestaan, waarvan 30% sociale huur.

Complexiteit

De Afdeling advisering onderkent het belang van het verkleinen van het woningtekort door nieuwbouw te stimuleren. Een actievere overheidsrol is in dit verband te begrijpen. Maar de complexe wijze waarop dit in het ontwerpbesluit is vormgegeven levert risico’s op die de woningbouw zelf niet ten goede komt. De regels voor de betaalbaarheidseisen bevatten meerdere hoofdregels en uitzonderingen voor meerdere bestuurslagen die in beeld komen op uiteenlopende momenten in de tijd. Dat komt de uitvoerbaarheid niet ten goede.

Veel overleg en grote last op medeoverheden

Het maken van uitzonderingen voor de ene gemeente betekent dat andere gemeenten in de regio extra inspanningen moeten leveren, ook financieel. Dit vergt veel overleg tussen gemeenten, provincies en het rijk. Daar komt bij dat gemeenten ook in andere regioverbanden moeten overleggen over onder meer de huisvesting van urgent woningzoekenden. Dit maakt de deels overlappende overlegstructuren complex en legt een grote last op de medeoverheden. De regering heeft de ambitie om regelgeving te vereenvoudigen. Het advies aan de regering is dan ook om het ontwerpbesluit te heroverwegen met het oog op een eenvoudiger stelsel voor een slagvaardige uitvoering.

Financiële haalbaarheid

De regering wil niet alleen voorzien in voldoende betaalbare woningen maar jaarlijks ook 100.000 woningen erbij bouwen. Dit voorziet in een maatschappelijke behoefte en staat als zodanig ook niet ter discussie.  Maar de complexe vormgeving van de betaalbaarheidseisen zorgt voor spanning op de financiële haalbaarheid. Realisatie van de doelstelling van de bouw van 100.000 woningen kan hiermee ook onder druk komen te staan. De Afdeling adviseert de regering om hier in de toelichting bij het ontwerpbesluit nader op in te gaan.

Procedurele versnelling

Om de woningbouw te versnellen, regelt het ontwerpbesluit dat bepaalde besluiten voor woningbouwprojecten van ten minste één woning in aanmerking komen voor beroep in één instantie bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In de toelichting zinspeelt de regering op verdere uitbreiding naar andere ruimtelijke projecten waarvoor de versnelde procedure zou kunnen gelden. Als steeds meer projecten worden aangewezen als ‘zwaarwegend maatschappelijk belang’ kan dit tot serieuze problemen leiden voor de doorloopsnelheid van procedures bij de bestuursrechter. De regering moet in de toelichting bij het ontwerpbesluit nader ingaan op de voornemens om ook voor andere ruimtelijke projecten de versnelde procedure te laten gelden.

Conclusie

De Afdeling advisering heeft dus een aantal bezwaren bij het ontwerpbesluit en adviseert de regering dit besluit niet te nemen, tenzij het is aangepast.

Volledige tekst

Bij Kabinetsmissive van 13 juli 2026, no.2026001569, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in overeenstemming met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het Besluit versterking regie volkshuisvesting, met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit is een uitwerking van de Wet versterking regie volkshuisvesting die op 1 juli 2026 in werking is getreden. Hiermee wil de regering bereiken dat overheden meer regie krijgen over de bouw van woningen, waarbij het de ambitie is om jaarlijks 100.000 woningen te bouwen. Ook moet de overheid meer invloed krijgen op de beschikbaarheid van voldoende betaalbare woningen. In verband hiermee bepaalt het ontwerpbesluit dat de nieuwbouw in iedere woningbouwregio uit twee derde betaalbare woningen moet bestaan, waarvan 30% sociale huur.

De Afdeling advisering van de Raad van State onderkent het belang van het verkleinen van het woningtekort door onder meer de nieuwbouw te stimuleren. De complexe wijze waarop dit in het ontwerpbesluit is vormgegeven bergt echter risico’s in zich die  de woningbouw niet ten goede komt. In dit verband maakt de Afdeling de volgende opmerkingen.

Inhoudelijke en bestuurlijke complexiteit
De regels voor de betaalbaarheidseisen bevatten, op verschillende regelgevingsniveaus, meerdere hoofdregels en uitzonderingen voor meerdere bestuurslagen die - al dan niet na een verzoek - in beeld komen op uiteenlopende momenten in de tijd. Dat komt de uitvoerbaarheid niet ten goede.

Het maken van uitzonderingen voor de ene gemeente betekent dat andere gemeenten in de regio extra inspanningen moeten leveren, ook financieel. Dit vergt veel overleg tussen gemeenten, provincies en het rijk. Daar komt bij dat gemeenten ook in andere regioverbanden moeten overleggen over de huisvesting van tien categorieën urgent woningzoekenden. In provinciaal verband moeten gemeenten afspraken maken over de opvang van asielzoekers en de huisvesting van statushouders. Dit maakt de deels overlappende overlegstructuren complex en legt een grote last op de medeoverheden. Mede in het licht van de ambitie van de regering om regelgeving te vereenvoudigen, adviseert de Afdeling het ontwerpbesluit te heroverwegen met het oog op een eenvoudiger stelsel ten behoeve van een slagvaardige uitvoering.

Financiële haalbaarheid
Beide doelstellingen van de Wet regie en van het ontwerpbesluit - voldoende betaalbare woningen en jaarlijks 100.000 woningen erbij - voorzien in een maatschappelijke behoefte en staan als zodanig niet ter discussie. De complexe vormgeving van de betaalbaarheidseisen zet de financiële haalbaarheid echter onder druk. Realisatie van de doelstelling van de bouw van 100.000 woningen kan hiermee ook onder druk komen te staan. De Afdeling adviseert om hier in de toelichting nader op in te gaan.

Procedurele versnelling
Om de woningbouw te versnellen, regelt het ontwerpbesluit dat bepaalde besluiten voor woningbouwprojecten van ten minste één woning in aanmerking komen voor beroep in één instantie bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In de toelichting zinspeelt de regering op verdere uitbreiding naar andere ruimtelijke projecten waarvoor de versnelde procedure zou kunnen gelden. De Afdeling wijst erop dat als steeds meer projecten worden aangewezen als ‘zwaarwegend maatschappelijk belang’, dit ook tot serieuze problemen kan leiden voor de doorloopsnelheid van procedures bij de bestuursrechter in één instantie. Zij adviseert om in de toelichting nader in te gaan op de voornemens voor toekomstige toepassing van voornoemde bevoegdheid.

Overig
Voorts adviseert de Afdeling in de toelichting nader in te gaan op de minimale instandhoudingstermijn voor betaalbare koopwoningen en zo nodig het ontwerpbesluit op dit punt aan te passen. Tot slot adviseert de Afdeling te voorzien in medeondertekening door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

In verband met deze opmerkingen dient het ontwerpbesluit nader te worden overwogen.

1. Achtergrond en inhoud van het ontwerpbesluit

Met de Wet versterking regie volkshuisvesting (zie noot 1) (hierna: Wet regie) wil de regering dat overheden weer meer invloed krijgen op de volkshuisvesting. Het gaat daarbij om regie op aantallen nieuw te bouwen woningen, op de bouw van betaalbare woningen en een evenredige verdeling van de huisvesting van urgent woningzoekenden en andere aandachtsgroepen. De wet biedt daarvoor bestuurlijke instrumenten. Daarnaast wordt met de Wet regie een versnelde behandeling door de bestuursrechter beoogd van beroepszaken tegen besluiten van zwaarwegend maatschappelijk belang.

Het ontwerpbesluit is een uitwerking van de Wet regie en brengt wijzigingen aan in vier algemene maatregelen van bestuur. Het gaat daarbij niet om een louter technische uitwerking: ook veel inhoudelijke beslissingen krijgen hierin hun beslag.

In het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt geregeld dat voor de bouw van mantelzorg- of familiewoningen op het achtererf geen vergunning nodig is.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) worden onder meer de volgende zaken geregeld:

- Een volkshuisvestingsprogramma op gemeentelijk, provinciaal en landelijk niveau waarin onder meer uiteen wordt gezet:

  • hoeveel er zal worden gebouwd
  • voor welke doelgroepen er zal worden gebouwd (nieuwbouw en ontwikkeling bestaande voorraad)
  • het aandeel betaalbare huisvesting (zie nader punt 2).
  • woonbehoefte en zorgbehoefte voor aandachtsgroepen (o.a. ouderen, starters, arbeidsmigranten, statushouders en studenten)
  • beleid stedelijke vernieuwing en sociale samenhang.

- Provincies moeten zogeheten woningbouwregio’s vaststellen, waarbij grotendeels zal worden aangesloten op de bestaande woondeal-regio’s.

In het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 wordt geregeld dat het (toegestane) werkgebied van toegelaten instellingen (hierna: woningcorporaties) in beginsel samen valt met de provinciegrenzen, in plaats van de huidige 19 woningmarktregio’s als bedoeld in de Woningwet.

Tot slot worden in het Omgevingsbesluit woningbouwprojecten van minimaal één woning aangewezen als ‘maatschappelijk zwaarwegend’ waarvoor een beroepsprocedure in een instantie geldt bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS). (zie noot 2) Hiermee wordt invulling gegeven aan een verplichting uit de Omgevingswet (hierna: Ow). (zie noot 3)

2. Complexiteit voor de uitvoering

Kerndoel van het volkshuisvestingsbeleid is zorgdragen voor voldoende betaalbare woningen. Dit komt terug in het ontwerpbesluit, waarin betaalbaarheidseisen zijn opgenomen op twee niveaus: (zie noot 4)

- in iedere woningbouwregio en provincie moet de nieuwbouw bestaan uit twee derde betaalbare woningen, waarvan 30% sociale huurwoningen; (zie noot 5) deze eisen gelden niet per gemeente, wijk of project.
- gemeenten met meer sociale huur dan het landelijk gemiddelde moeten 40% betaalbare koop of middenhuur bouwen; gemeenten onder dit gemiddelde moeten 30% sociale huur opnemen in hun volkshuisvestingsplannen. (zie noot 6)

De regering stelt deze tweede eis omdat zij een betere balans wenst tussen centrumgemeenten - met relatief veel sociale huurwoningen - en omliggende woonkernen waar deze categorie minder aanwezig is. Andersom zijn er in centrumgemeenten volgens de regering relatief weinig woningen in het middensegment. Omdat (voldoen aan) de tweede eis niet vanzelfsprekend leidt tot het eerste, moeten gemeenten in regionaal verband (onder regie van de provincie) afspreken hoe wordt gekomen tot twee derde betaalbaar waarvan 30% sociale huur voor de woningbouwregio als geheel.

Indien een gemeente hier niet aan voldoet, kan de provincie of de minister ingrijpen, bijvoorbeeld door het geven van een instructie op het gemeentelijke volkshuisvestingsplan of het omgevingsplan. Indien de instructieregels om volkshuisvestelijke redenen niet passend zijn, kan de minister of de provincie een ontheffing verlenen. (zie noot 7) De bedoeling is daarbij dat gemeenten een aanvraag tot ontheffing moeten onderbouwen en afstemmen met andere gemeenten in de regio, want een voorwaarde is dat op regionaal niveau nog steeds aan de betaalbaarheidseisen wordt voldaan. (zie noot 8) In plaats van een ontheffing kan een provincie er ook voor kiezen om in een omgevingsverordening te regelen dat gemeenten mogen afwijken van de betaalbaarheidsdoelstellingen, indien deze percentages ‘niet passend’ zijn bij de lokale woningmarkt. (zie noot 9)

Indien de gemeenten in een woningbouwregio niet tijdig (zie noot 10) tot een verdeling komen, is de provincie bevoegd om een vaste verdeling vast te stellen van 30% sociale huur en 37% in het middensegment. (zie noot 11) De minister kan een ontheffing verlenen aan de provincie om voor een gemeente een lager percentage voor te schrijven.

Betaalbare koop is, samen met sociale en middenhuur, onderdeel van de twee derde betaalbare woningen die moeten worden gerealiseerd in iedere woningbouwregio. (zie noot 12) Het ontwerpbesluit stelt geen specifieke regels aan het aandeel betaalbare koopwoningen. Wel zijn er bestuurlijke afspraken om 25% betaalbare koop te realiseren en krijgt deze categorie voorrang bij de toekenning van rijksmiddelen.

a. Bestuurlijke complexiteit

Woningbouw
De Afdeling merkt over de voorgestelde betaalbaarheidseisen het volgende op. De systematiek bevat, op verschillende regelgevingsniveaus, meerdere hoofdregels en uitzonderingen voor meerdere bestuurslagen die - al dan niet na een verzoek - in beeld komen op uiteenlopende momenten in de tijd. Dit is mede het gevolg van diverse door de regering en het parlement aangebrachte of verzochte wijzigingen sinds de indiening van het wetsvoorstel. (zie noot 13) Hierdoor is er een zeer fijnmazig systeem van betaalbaarheidseisen ontstaan.

De regering heeft met dit ontwerpbesluit landelijke uniformiteit met lokaal maatwerk gecombineerd. Enerzijds is er sprake van één landelijke norm: voor elke regio en provincie gelden dezelfde eisen. Anderzijds is er voor gemeenten op verschillende wijzen maatwerk mogelijk, door differentiatie in het ontwerpbesluit zelf en door diverse mogelijkheden voor uitzonderingen. Hoewel voor zowel uniformiteit als maatwerk op zichzelf gegronde redenen kunnen zijn, leidt de combinatie van beide uitgangspunten tot een uiterst complex geheel.

In de kern komt het erop neer dat iedere gemeente individueel niet aan de twee derde betaalbaarheidseis is gebonden, maar dat gemeenten dat samen - in regionaal verband - wél zijn. Minder (betaalbare) woningbouw in de ene gemeente betekent dus dat de andere gemeenten extra inspanningen moeten leveren, ook financieel (zie punt 2b). Dezelfde dynamiek kan zich voordoen tussen woningbouwregio’s: als de ene regio niet aan de betaalbaarheidseisen voldoet, moeten andere ‘bijspringen’ om op provinciaal niveau nog steeds aan deze eisen te voldoen.

Dit legt een grote last op de medeoverheden, in het bijzonder de gemeenten, en op de interbestuurlijke verhoudingen, waaraan veel tijd en menskracht moet worden besteed. Zo vrezen de provincies ‘lange processen en inzet van schaarse capaciteit, met risico op interbestuurlijke relatieschade en vertraging van de woningbouw’. (zie noot 14) Dit kan er ook toe leiden dat het hoofddoel van de regering - de bouw van100.000 woningen per jaar - uit het zicht verdwijnt.

Verdeling huisvesting
De samenwerking en solidariteit tussen gemeenten is ook in andere opzichten noodzakelijk maar niet zonder meer gegeven. Zowel bij de woningbouw als bij de verdeling van huisvesting moeten gemeenten rekening houden met tien aandachtsgroepen. (zie noot 15) In het volkshuisvestingsprogramma dienen de woonbehoeften en -opgaven van de mensen uit deze aandachtsgroepen in beeld gebracht te worden en dienen maatregelen te worden omschreven waarmee hierin wordt voorzien. Concreet moeten gemeenten bepalen welk aandeel van hun vrijkomende woningen aan urgent woningzoekenden wordt toegewezen. In veel gevallen zal het gaan om mensen die zijn aangewezen (en wachten) op sociale huurwoningen. Nauw overleg met de woningcorporaties is dus van groot belang, net als met zorginstellingen in de buurt (in geval van sommige urgentiegroepen).

Een van deze tien aandachtsgroepen is de categorie ‘urgent woningzoekenden’ genoemd in de Wet regie. (zie noot 16) Deze hebben in beginsel voorrang bij de toewijzing van woonruimte. Gemeenten kunnen zelf aanvullende urgentiecategorieën opnemen. Binnen de woningmarktregio’s overleggen de gemeenten met elkaar over de verdeling van urgent woningzoekenden. (zie noot 17) In provinciaal verband moeten gemeenten afspraken maken over de opvang van asielzoekers en de huisvesting van statushouders. (zie noot 18)

Het voorgaande laat zien dat gemeenten op diverse borden tegelijk schaken. Over de woningbouw en woon- en zorgbehoeften van een twintigtal groepen wordt overlegd in de woningbouwregio en over de verdeling van urgent woningzoekenden in de woningmarktregio (zie noot 19). De woonbehoeften van al deze categorieën woningzoekenden zijn daarnaast niet eenvoudig in kaart te brengen, bijvoorbeeld mantelzorgers, arbeidsmigranten en dak- en thuislozen. (zie noot 20)

Al met al is niet dragend gemotiveerd of de uitvoering door gemeenten en provincies soepel kan verlopen, door de complexe vormgeving van de betaalbaarheidseisen voor nieuwbouw waarin tal van uitzonderingen en ontheffingen mogelijk zijn. Het hangt ook samen met de aanwijzing van zo’n twintig groepen die aandacht dan wel urgentie verdienen en waarover bindende afspraken over hun huisvesting moeten worden gemaakt. Over deze deels overlappende onderwerpen moet bovendien in diverse regio-verbanden worden overlegd.

In het licht van de terechte ambitie van de regering om regelgeving te vereenvoudigen, (zie noot 21) adviseert de Afdeling het ontwerpbesluit te heroverwegen met het oog op een eenvoudiger stelsel - bijvoorbeeld op de vormgeving van betaalbaarheidseisen en van de verschillende overleggremia en -procedures - ten behoeve van een slagvaardige uitvoering.

b. Financiële haalbaarheid
De Wet regie en het ontwerpbesluit moeten ervoor zorgen dat overheden meer grip hebben op hoeveel er wordt gebouwd en op welke locaties. Daarnaast is het doel dat er voldoende betaalbare woningen beschikbaar komen. De Afdeling merkt op dat beide doelstellingen voorzien in een maatschappelijke behoefte en als zodanig niet ter discussie staan. Door de combinatie van enerzijds hoge bouwambities en anderzijds regulering van de betaalbaarheid met beperkte publieke financiering, ontstaat echter een ingewikkeld spanningsveld. (zie noot 22) De betaalbaarheidseisen zetten de financiële haalbaarheid van woningbouw namelijk onder druk. Marktontwikkelingen en rentestijgingen zijn in dit verband een additionele complicatie. Als woningbouwprojecten financieel niet haalbaar zijn, zal er minder gebouwd worden, tenzij er concessies worden gedaan aan de grootte of kwaliteit van de woningen, of aan het aandeel betaalbare nieuwkoop en middenhuur, of met betrekking tot de publieke financiële inspanningen. (zie noot 23)

De Afdeling adviseert in de toelichting nader in te gaan op de financiële haalbaarheid.

3. Bevoegdheid procedurele versnelling

De Wet regie regelt dat de ABRvS beroepszaken tegen bepaalde besluiten behandelt en dit bovendien versneld doet. (zie noot 24) De wet biedt ook een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur andere projecten aan te wijzen, waarvoor deze regels voor procedurele versnellingen gelden. (zie noot 25)

Aanwijzing kan alleen als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet het gaan om projecten gericht op ‘duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.’ (zie noot 26) Ten tweede moet het gaan om projecten waarmee ‘zwaarwegende maatschappelijke belangen’ zijn gemoeid. (zie noot 27)

Met het onderhavige ontwerpbesluit wordt voor de tweede keer gebruikgemaakt van voornoemde bevoegdheid door bepaalde besluiten voor woningbouwprojecten van ten minste een woning aan te wijzen. (zie noot 28) Blijkens de toelichting zinspeelt de regering op verdere uitbreiding van projecten waarvoor de versnelde beroepsprocedure gaat gelden. Genoemd worden projecten in de energietransitie, projecten om de klimaatdoelstellingen te halen en projecten in de drinkwaterinfrastructuur. (zie noot 29)

De Afdeling heeft begrip voor de wens tot versnelling van de woningbouw. Het totale proces van planvorming tot bewoning neemt niet zelden meer dan een decennium in beslag. De sleutel tot een sneller proces moet ook in het voortraject worden gezocht, met name in de planvorming en de vroegtijdige afstemming met betrokken partijen, inclusief omwonenden. Het is dus van belang te bezien welke versnellingen kunnen worden bereikt op andere punten in het besluitvormingstraject dan alleen in de rechterlijke procedure. (zie noot 30)

Zoals de Afdeling in haar advies op de Wet regie opmerkte, is het van belang dat terughoudend gebruik wordt gemaakt van de discretionaire bevoegdheid om de beroepsprocedure te bekorten. De Afdeling wijst erop dat als steeds meer projecten worden aangewezen als ‘zwaarwegend maatschappelijk belang’, dit niet alleen tot gevolg heeft dat dit criterium zijn onderscheidende waarde verliest, maar dat dit ook tot serieuze problemen kan leiden voor de doorloopsnelheid van procedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij adviseert in dat kader om in de toelichting in te gaan op de verhouding van dit ontwerpbesluit met de in de toelichting genoemde voornemens voor toekomstige toepassing van voornoemde bevoegdheid.

4. Instandhoudingstermijn betaalbare koopwoningen

Voor nieuw te bouwen betaalbare koopwoningen bepaalt het ontwerpbesluit dat deze ten minste een jaar en ten hoogste tien jaar na het sluiten van de koopovereenkomst niet tegen marktwaarde mogen worden verkocht. (zie noot 31) Dit om oneigenlijk gebruik en speculatie tegen te gaan.

De Afdeling wijst erop dat na het sluiten van de koopovereenkomst nog de nodige tijd verstrijkt voor de daadwerkelijke overdracht. Doorgaans is op het moment van ondertekening de vergunningverlening nog niet afgerond; de bouw zelf neemt enige maanden in beslag. (zie noot 32) Bij een termijn van een jaar kan een betaalbare woning daardoor op het moment van overdracht al vrijwel direct tegen marktwaarde worden (door)verkocht.

Hoewel er privaatrechtelijke voorwaarden en beperkingen kunnen worden gesteld, en ook lokaal regelingen kunnen worden getroffen, wil de regering ook voorzien in een zekere publiekrechtelijke waarborg tegen oneigenlijk gebruik. Op zichzelf kan de Afdeling deze redenering volgen, zeker wanneer met de bouw van betaalbare koopwoningen publieke middelen zijn gemoeid. Betwijfeld mag worden of de voorgestelde minimumtermijn een effectieve waarborg is.

De Afdeling adviseert nader in het gaan op de vormgeving van de instandhoudingtermijn en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.

5. Ondertekening

Op grond van artikel 16.87a Ow wordt de voordracht van een ontwerpbesluit als het onderhavige verricht door de minister die het aangaat - mede namens de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening - in overeenstemming met de minister van Justitie en Veiligheid. De Afdeling wijst erop dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoordelijk is voor de Algemene wet bestuursrecht en beheersmatig verantwoordelijk is voor de Raad van State. Dit is van belang in het licht van de voorgestelde procedurele versnelling (zie punt 3) en de impact daarvan op de werklast van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. (zie noot 33)

De Afdeling adviseert daarom het ontwerpbesluit door de minister van BZK te laten medeondertekenen.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het ontwerpbesluit en adviseert dit besluit niet te nemen, tenzij het is aangepast.

De vice-president van de Raad van State

Voetnoten

(1) Deze wet is op 1 juli 2026 in werking getreden. Stb. 2026, 156 en 157.
(2) Naast beroep in een instantie gaat het om de volgende maatregelen: (i) uitspraak door de ABRvS binnen zes maanden, (ii) versnelde behandeling van beroep, en (iii) geen beroepsgronden na afloop van de beroepstermijn.
(3) Artikel 16.87a, vijfde lid, Ow. Dit artikellid is bij amendement toegevoegd, zie Kamerstukken II 2024/25, 36512, nr. 24.
(4) Nota van toelichting, paragrafen 2.7 (Instructieregels voor het volkshuisvestingsprogramma over betaalbare woningbouw) en 2.8 (Regeling voor ontheffing en afwijking op gemeentelijke instructieregels).
(5) Voorgesteld artikel 4.35, tweede lid Bkl.
(6) Voorgesteld artikel 4.34, derde lid Bkl. Het landelijk gemiddelde ligt bij inwerkingtreding naar verwachting op 25,6% en wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. Nota van toelichting, paragraaf 2.7.7 (IJkpunt voor de gemeentelijke betaalbaarheidsinstructie).
(7) Voorgesteld artikel 4.37 Bkl.
(8) Nota van toelichting, paragraaf 2.8 (Regeling voor ontheffing en afwijking op gemeentelijke instructieregels).
(9) Voorgesteld artikel 7.8c Bkl.
(10) De termijn is zes maanden na inwerkingtreding van de wet, dus per 1 januari 2027 moeten gemeenten hierover afspraken hebben gemaakt in regionaal verband.
(11) Voorgesteld artikel 7.8c derde lid jo artikel 4.34 vijfde lid Bkl. Deze regeling is het gevolg van een motie waarin werd gewezen op het ‘risico dat de bouw van betaalbare woningen wordt uitgesteld door lange regionale overleggen’. Kamerstukken II 2025/26, 36881, nr. 20.
(12) Voorgesteld artikel 4.32, onder c Bkl. Betaalbare koopwoningen hebben een koopprijs van ten hoogste € 420.000 (2026). Dit bedrag wordt periodiek bijgesteld.
(13) Sinds de indiening van het wetsvoorstel op 6 maart 2024. Kamerstukken II 2023/24, 36512, nr. 2. Meerdere nota’s van wijziging, amendementen en moties liggen hieraan ten grondslag.
(14) Zie de consultatiereactie van het Interprovinciaal Overleg (IPO) van 26 mei 2025.
(15) De 10 aandachtsgroepen die in dit besluit zijn aangewezen: personen van 65 jaar en ouder, urgent woningzoekenden, medisch woningzoekenden, dreigend dakloze mensen, pleegzorgverlaters, arbeidsmigranten, studenten, woonwagenbewoners, statushouders en starters tussen 18 en 35 jaar. Zie voorgesteld artikel 4.33 Bkl.
(16) Artikel 12 eerste en derde lid van de Huisvestingswet 2014, zoals gewijzigd door de Wet regie. De 10 verplichte urgentiecategorieën zijn: mantelzorgverleners of -ontvangers; personen met ernstige chronische medische problemen; personen in de daklozenopvang; woningzoekenden die verblijven in tijdelijke opvang vanwege huiselijk geweld of mensenhandel; woningzoekenden die verblijven in een voorziening voor beschermd wonen; personen die een psychische zorginstelling verlaten; jongeren tussen 18 en 23 die een jeugdzorginstelling verlaten; woningzoekenden die een (jeugd)gevangenis verlaten; mensen die een instelling voor forensisch beschermd wonen verlaten; personen die aan een overheidsprogramma deelnemen om uit de seksbranche te treden.
(17) Memorie van toelichting bij de Wet regie, artikelsgewijze toelichting, Onderdeel H (artikel 14 Huisvestingswet 2014), Kamerstukken II 2023/24, 36512, nr. 3.
(18) Dit overleg tussen gemeenten vindt plaats in zogeheten provinciale regietafels, onder voorzitterschap van de Commissaris van de Koning als rijksorgaan. De regietafels hebben de wettelijke taak om de provinciale opgave voor de opvang van asielzoekers, van ontheemden uit Oekraïne en de huisvesting van statushouders binnen de provincie te verdelen en te coördineren.
(19) Het betreft hier de woningmarktregio als bedoeld in artikel 1 van de Huisvestingswet 2014: het gebied dat vanuit het oogpunt van het functioneren van de woningmarkt als een geheel kan worden beschouwd. Dit ter onderscheiding van de woningmarktregio waarin een woningcorporatie actief is als bedoeld in de Woningwet.
(20) Dit wordt als belangrijk knelpunt voor de uitvoerbaarheid voor gemeenten gesignaleerd omdat de verplichte aanwijzing van de tien urgentiegroepen voor een forse toename van het aantal urgentieaanvragen kan zorgen, zie AEF, 2024, ‘Uitvoerbaarheid lagere regels Wet versterking regie volkshuisvesting. Onderzoek in het kader van de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden’, p. 29.
(21) Kamerstukken II 2026/27 29362, nr. 408.
(22) Zie ook DNB, 2026, ‘Voldoende vraag, tekort aan kapitaal’, paragraaf 2.2.2.
(23) Instituut voor Publieke Economie, 2026, ‘Betaalbaar Bouwen. Een economische analyse van betaalbaarheidseisen en hun gevolgen voor nieuwbouw’. Voor de eis aan het aandeel betaalbare nieuwbouw beveelt het rapport aan primair te sturen op sociale huur en te sturen op de absolute groei van de betaalbare voorraad in plaats van op een vast percentage.
(24) Dit zijn de zogenoemde projectbesluiten, besluiten ter uitvoering van een projectbesluit en goedkeuringsbesluiten. Artikel III, onderdeel J, van de Wet regie, vastgelegd in artikel 16.87, eerste lid, Ow.
(25) Artikel III, onderdeel L, van de Wet regie, vastgelegd in artikel 16.87a, eerste lid, Ow.
(26) Artikel 1.3, aanhef en onder b, Ow.
(27) Artikel 16.87a eerste lid Ow.
(28) Voorgesteld artikel 10.26f Omgevingsbesluit. Met het per 1 oktober 2026 ingevoerde Besluit procedurele versnellingen elektriciteitsprojecten is voor het eerst gebruikgemaakt van deze bevoegdheid, Stb. 2026, 211 en 212.
(29) Nota van toelichting, paragraaf 4.2 (Procedurele versnellingen voor aangewezen categorieën projecten).
(30) Advies van de Afdeling advisering bij het Besluit procedurele versnellingen elektriciteitsprojecten, 18 maart 2026 (W19.25.00354/IV). Er is een ministeriële werkgroep ingesteld om de woningbouw te versnellen: https://www.volkshuisvestingnederland.nl/onderwerpen/aanpak-woningnood/taskforce-versnelling-woningbouw.
(31) Voorgesteld artikel 5.162a, derde lid onder b Bkl.
(32) Zie ook de reactie (april 2024) van de VNG op dit punt.
(33) Voor wat betreft de Awb is dit in lijn met wat in de toelichting wordt opgemerkt over de plannen voor aanwijzing van projecten voor de drinkwaterinfrastructuur. Een dergelijk voorstel zal "[…] medeondertekend [worden] door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Rechtsbescherming vanwege de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de Algemene wet bestuursrecht en het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming." Nota van toelichting, paragraaf 7.5.5 (Wijzigingen in het Omgevingsbesluit).


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon