Uitspraak 202305427/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4266
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 9 mei 2022 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan Dekmantel B.V. een vergunning verleend op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het houden van het twee dagen durend, jaarlijks terugkerend muziekfestival Lentekabinet en de daarbij behorende op- en afbouwwerkzaamheden in het Twiske. De natuurvergunning is verleend voor de periode van 28 mei 2022 tot en met 28 mei 2026. Dekmantel B.V. heeft een natuurvergunning aangevraagd om in de jaren 2022-2026 elk jaar een twee dagen durend muziekfestival te organiseren, genaamd Lentekabinet, in het Twiske, gelegen in Oostzaan. Het Twiske maakt onderdeel uit van het Natura 2000-gebied "Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske" en is samen met Ilperveld en Varkensland aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn. Daarnaast zijn Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld aangewezen op grond van de Habitatrichtlijn. Er worden maximaal 16.000 bezoekers toegelaten en het festival vindt jaarlijks plaats in één van drie weekenden aan het einde van de maand mei of één van de eerste twee weekenden van juni. De op- en afbouw duurt maximaal zeven dagen voorafgaand en maximaal vier dagen na afloop van het festival. Partijen hebben laten weten dat inmiddels een aanvraag voor een nieuwe natuurvergunning is ingediend voor het houden van het festival vanaf 2027.
- Hoger beroep
- Natuurbescherming
Toon inhoud
202305427/1/R2.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Stichting Hart voor het Twiske (de stichting), gevestigd in Oostzaan,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordHolland van 6 juli 2023 in zaak nr. 22/2358 en 22/3027 in het geding tussen:
de stichting
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (het college).
Procesverloop
Bij besluit van 9 mei 2022 heeft het college aan Dekmantel B.V. een vergunning verleend op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het houden van het twee dagen durend, jaarlijks terugkerend muziekfestival Lentekabinet en de daarbij behorende op- en afbouwwerkzaamheden in het Twiske (de natuurvergunning). De natuurvergunning is verleend voor de periode van 28 mei 2022 tot en met 28 mei 2026.
Bij uitspraak van 6 juli 2023 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.
Het college en Dekmantel B.V., de organisator van het evenement, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De stichting en Dekmantel B.V. hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting op 12 juni 2026, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], bijgestaan door mr. drs. TH.C. van Gelder, rechtsbijstandverlener in Leeuwarden, en het college, vertegenwoordigd door J. Benz en L.S. Kuiper, zijn verschenen. Verder is op de zitting Dekmantel B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde B], bijgestaan door mr. M.L. Diepenhorst, advocaat in Amsterdam, en Recreatieschap Twiske Waterland, vertegenwoordigd door [gemachtigde C], als partij gehoord.
Overwegingen
OVERGANGSRECHT INWERKINGTREDING OMGEVINGSWET
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een natuurvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om een natuurvergunning is ingediend op 1 november 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
INLEIDING
2. Dekmantel B.V. heeft een natuurvergunning aangevraagd om in de jaren 2022-2026 elk jaar een twee dagen durend muziekfestival te organiseren, genaamd Lentekabinet, in het Twiske, gelegen in Oostzaan. Het Twiske maakt onderdeel uit van het Natura 2000-gebied "Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske" en is samen met Ilperveld en Varkensland aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn. Daarnaast zijn Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld aangewezen op grond van de Habitatrichtlijn.
Er worden maximaal 16.000 bezoekers toegelaten en het festival vindt jaarlijks plaats in één van drie weekenden aan het einde van de maand mei of één van de eerste twee weekenden van juni. De op- en afbouw duurt maximaal zeven dagen voorafgaand en maximaal vier dagen na afloop van het festival. Partijen hebben laten weten dat inmiddels een aanvraag voor een nieuwe natuurvergunning is ingediend voor het houden van het festival vanaf 2027.
UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK
3. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de natuurvergunning op goede gronden is verleend en dat het college zich daarbij heeft kunnen baseren op de onderzoeken die ten grondslag liggen aan de aanvraag.
De betogen van de stichting over de ondeugdelijkheid van de passende beoordeling, omdat daarin ten onrechte niet uitgebreid is beschreven wat de instandhoudingsdoelstellingen zijn van de Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten, zijn door de rechtbank niet gevolgd. Ook de door de stichting ingediende contra-expertise biedt onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan de natuurvergunning, zo heeft de rechtbank geoordeeld. De rechtbank heeft onder 5.6.1 en 5.6.2 uiteengezet wat de verschillen zijn tussen de twee deskundigenonderzoeken en heeft overwogen dat vooral de context waarin de gevolgen van het festival zijn beoordeeld en de tijdelijkheid van de gevolgen, verschillen. Deze verschillen in visie maken echter niet dat de passende beoordeling onjuist is, zo oordeelt de rechtbank.
Ook de betogen van de stichting over de cumulatie met de gevolgen van de camping Twiske Haven slagen volgens de rechtbank niet.
INHOUDELIJKE BEHANDELING VAN HET HOGER BEROEP
4. Zoals uiteengezet onder 2 is de natuurvergunning inmiddels verlopen en is er een nieuwe aanvraag ingediend voor een natuurvergunning. Gelet hierop zullen hieronder alleen nog de hoger beroepsgronden worden besproken die volgens de stichting nog van betekenis zijn bij vervolgbesluitvorming. De stichting heeft de nog relevante hoger beroepsgronden beschreven in haar nadere stuk van 1 juni 2026 en op de zitting toegelicht.
5. De stichting betoogt dat de rechtbank onvoldoende heeft onderkend dat de contra-expertise "Ecologische contra-expertise met natuurtoetsing van muziekfestival Lente Kabinet in Natura 2000 gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske" van 31 maart 2023 opgesteld door EcoNatura (contra-expertise van EcoNatura) en het aanvullende stuk "Het project Lentekabinet 2022 is NIET Passend Beoordeeld" van 1 juni 2022 opgesteld door Th. C. van Gelder (het nadere stuk van Van Gelder) voldoende aanknopingspunten geven voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de passende beoordeling en dat daardoor het college de passende beoordeling niet ten grondslag kon leggen aan de natuurvergunning. Volgens de stichting heeft de rechtbank onvoldoende waarde toegekend aan wat zowel EcoNatura vanuit ecologisch perspectief en Van Gelder vanuit juridisch perspectief hebben aangevoerd tegen de vorm en inhoud van de passende beoordeling. Kort samengevat bevat de passende beoordeling de volgende gebreken die volgens de stichting niet zijn onderkend door de rechtbank:
a. In de passende beoordeling wordt ten onrechte niet uitgegaan van de staat van het gebied ten tijde van de aanwijzing en is de planmatige status op basis van het geldende bestemmingsplan niet genoemd;
b. In de passende beoordeling ontbreekt een volledige weergave van de huidige staat van instandhouding en ontbreken gegevens over de populatieomvang, mate van isolatie, ecotype, genenpool en leeftijdsstructuur. Ter onderbouwing wijst de stichting op punt 115 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 11 september 2012, C-43/10, ECLI:EU:C:2012:560. In dit punt staat volgens de stichting dat een beoordeling waarin niet de actuele aantalsgegevens van soorten is weergegeven, niet passend is;
c. Er wordt onvoldoende rekenschap gegeven van het feit dat de verstoringsperiode in totaal dertien dagen is;
d. De feitenvaststelling is onvolledig, omdat alleen is aangegeven dat het Twiske is aangewezen als Vogelrichtlijngebied en alleen een beoordeling is uitgevoerd naar de effecten op de doelsoorten. Volgens de stichting volgt uit het arrest van het Hof van 12 september 2024, C-66/23, ECLI:EU:C:2024:733 dat onderzoek moet worden gedaan naar alle in het Natura 2000-gebied voorkomende soorten;
e. Er is onvoldoende onderkend dat door externe werking ook de gevolgen op soorten en typen die zijn aangewezen op grond van de Habitatrichtlijn hadden moeten worden onderzocht. De stichting wijst specifiek op de Noordse woelmuis en de meervleermuis;
f. Volgens de stichting worden de gevolgen van lichthinder onderschat, omdat geen rekening is gehouden met beveiligingsverlichting en veiligheidsverlichting en daarbij behorende hinder voor de meervleermuis, roerdomp, bruine kiekendief, rietzanger en snor;
g. Ook de gevolgen van geluid worden onderschat volgens de stichting. Daarbij wordt ten onrechte ervan uitgegaan dat tijdelijk geluid niet leidt tot gevolgen en worden sommige effecten van geluid niet vermeld. Volgens de stichting blijkt uit recent onderzoek dat versterkt geluid kan leiden tot verminderd foerageren, conditievermindering en verhoogde predatie. De stichting wil met de in de stukken die door de stichting zijn overgelegd genoemde onderzoeken onderbouwen dat broedvogels gedurende de hele kwetsbare periode (maart tot en met augustus) kunnen worden verstoord door geluid en dat de ligging van de 70 dB(A) contourlijn bepalend is voor het gebied waarbinnen vogels verstoringsgevoelig zijn;
h. De passende beoordeling is mede gebaseerd op onderzoeken van Antea, terwijl ook die onderzoeken leemtes vertonen volgens de stichting, omdat daarin geen gegevens staan over het aantal exemplaren de dag voorafgaande aan het evenement en de dag direct na het evenement;
i. Er is ten onrechte geen cumulatieonderzoek uitgevoerd met de gevolgen van camping Twiske Haven, terwijl ook daarvoor een aanvraag voor een natuurvergunning was ingediend. Ter onderbouwing verwijst de stichting naar het arrest van het Hof van 10 november 2022, C-278/21, ECLI:EU:C:2022:864 (het AquaPri-arrest);
j. Er wordt een verkeerd begrip van significantie gehanteerd. Volgens de stichting zou de significantie van een gevolg moet worden gekoppeld aan de instandhoudingsdoelstellingen. Wanneer de instandhoudingsdoelstellingen niet worden behaald is elk negatief effect, waarvan niet met wetenschappelijke zekerheid kan worden gesteld dat deze geen invloed heeft op die doelstellingen, significant.
Toetsingskader
Onderzoeken die ten grondslag liggen aan een besluit
6. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs.
Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd.
Natuurvergunning en passende beoordeling
7. Op grond van artikel 2.7, tweede lid, en artikel 2.8 van de Wnb is het verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. De vergunning kan uitsluitend worden verleend als op grond van een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet zal aantasten.
7.1. In een passende beoordeling moeten op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, alle aspecten van het betrokken plan of project die op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied in gevaar kunnen brengen worden geïnventariseerd. De passende beoordeling mag geen leemten vertonen en moet volledige, nauwkeurige en definitieve constateringen bevatten die elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen van plannen en projecten voor het betrokken Natura 2000-gebied wegnemen.
Beoordeling van de hoger beroepsgronden
8. De Afdeling ziet met de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat wat de stichting heeft aangevoerd, inclusief de contra-expertise en het nadere stuk van Van Gelder, voldoende aanknopingspunten geven voor twijfel aan de juistheid en de volledigheid van de passende beoordeling. Dit betekent dat het college de passende beoordeling ten grondslag heeft mogen leggen aan het besluit tot verlening van de natuurvergunning.
De Afdeling verwijst in de eerste plaats kortheidshalve naar de uitspraak van de rechtbank onder 5.6.1 tot en met 5.6.3. De Afdeling ziet in wat de stichting heeft aangevoerd, geen aanleiding daar anders over te oordelen.
Voor zover de stichting betoogt dat de rechtbank het nadere stuk van Van Gelder niet heeft betrokken (onder 2 in het nadere stuk 1 juni 2026), volgt de Afdeling dit niet. Weliswaar staat in overweging 5.6.4. dat de rechtbank het nadere stuk van Van Gelder niet aanmerkt als ecologische contra-expertise, maar dit betekent niet dat de rechtbank het stuk niet heeft betrokken in haar beoordeling. In het nadere stuk van Van Gelder staan aanvullende juridische argumenten waarom volgens de stichting de passende beoordeling onjuist is. De Afdeling ziet onder 5.2 van de uitspraak een samenvatting van de beroepsgronden van de stichting. Hieruit blijkt dat ook de aanvullende juridische argumenten van Van Gelder door de rechtbank zijn betrokken in haar oordeel in overweging 5.4.1 en in overweging 5.6.2. Uit het enkele feit dat niet elk argument en bijbehorende verwijzing naar rechtspraak expliciet is genoemd, kan niet worden afgeleid dat de rechtbank de door de stichting ingebrachte stukken niet heeft betrokken.
Anders dan de stichting betoogt onder 4 in het nadere stuk van 1 juni 2026, is niet vereist dat in de passende beoordeling wordt uitgegaan van de staat van instandhouding ten tijde van de aanwijzing, maar kan bij de beoordeling van de gevolgen van het project worden uitgegaan van de actuele staat van instandhouding van het gebied (vergelijk overweging 32.1 van de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3914). Ook ziet de Afdeling geen reden waarom de rechtbank de planologische status had moeten opnemen onder de feitenvaststelling. In dit geval is een ecologische beoordeling van de gevolgen van het project uitgevoerd waarbij geen rekening is gehouden met een referentiesituatie. Ook het enkele feit dat grootschalige evenementen volgens de stichting op grond van het bestemmingsplan niet zijn toegestaan, is hiertoe onvoldoende. Dit is geen relevant mee te nemen aspect bij het verlenen van de hier voorliggende natuurvergunning, nog daargelaten de vraag of dit standpunt van de stichting juist is.
Ook volgt de Afdeling het betoog van de stichting niet dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de beoordeling niet passend is als de aantalsgegevens van de soorten ontbreken. Anders dan de stichting leest de Afdeling in punt 115 van het arrest van het Hof van 11 september 2012 geen algemene regel dat een beoordeling per definitie niet passend is door het enkele feit dat aantalsgegevens ontbreken. Uit punten 111-117 van dat arrest volgt dat een passende beoordeling gegevens moet bevatten over de gevolgen van het aangevraagde project voor de instandhoudingsdoelstellingen en in dat kader ook actuele en betrouwbare gegevens moet bevatten over de natuurwaarden. In de passende beoordeling zijn in paragraaf 4.2 en 4.3 de natuurwaarden van het Natura 2000-gebied in kaart gebracht. Daarin staan ook de instandhoudingsdoelstellingen vermeld. Vervolgens zijn de effecten door geluid, licht en optische verstoring op de aanwezige natuurwaarden beoordeeld en is geconcludeerd dat deze gevolgen niet leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied. Voor de conclusie dat er geen effecten zijn die leiden tot een aantasting van de functionaliteit van de leefgebieden voor de vogelsoorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen, is niet noodzakelijk dat van elke soort het aantal feitelijk aanwezige broedparen wordt genoemd, nu deze gegevens niet kunnen leiden tot een andere conclusie over de gevolgen van het project voor de functionaliteit van het leefgebied.
Voor zover de stichting betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het verstoren van vogels niet is toegestaan en dat, anders dan de rechtbank, de stichting geen onderscheid ziet in het soortenbeschermingsregime en het gebiedsbeschermingsregime, overweegt de Afdeling als volgt. Anders dan de stichting veronderstelt, wordt ook in de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn een onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming (artikel 6 Habitatrichtlijn en artikel 4 van de Vogelrichtlijn) en soortenbescherming (artikel 12 van de Habitatrichtlijn en artikel 5 van de Vogelrichtlijn). Dit onderscheid is vertaald in de Wnb in hoofdstuk 2 met regels voor Natura 2000-gebieden en hoofdstuk 3 met regels voor soortenbescherming. Zoals hiervoor beschreven onder het toetsingskader, is in deze zaak een natuurvergunning als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wnb/artikel 6 van Habitatrichtlijn aan de orde, dat ook voor Vogelrichtlijngebieden het toepasselijke beschermingsregime vormt. Dit betekent dat in deze zaak alleen de vraag voorligt of de gevolgen van dit project ertoe leiden dat de soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen zodanig worden verstoord, dat het project leidt tot een aantasting van de functionaliteit van het leefgebied van die soort in het Natura 2000-gebied en dat daardoor de instandhoudingsdoelstellingen voor die soort niet meer kunnen worden bereikt. De vraag of het is toegestaan om individuele exemplaren van een soort te verstoren, kan alleen voorliggen in een zaak over (het ontbreken van) een ontheffing op grond van hoofdstuk 3 van de Wnb (artikel 12 Habitatrichtlijn en artikel 5 van de Vogelrichtlijn).
8.1. De Afdeling overweegt, in aanvulling op het oordeel van de rechtbank, dat uit de passende beoordeling, de contra-expertise van EcoNatura, de reactie daarop van het adviesbureau E.C.O.Logisch van 7 april 2023 en de reacties van Tauw op de contra-expertise, onder 6-16 van het nadere stuk van de stichting van 1 juni 2026 en alle andere schriftelijke reacties van partijen, samen met wat er op de zitting is besproken, blijkt dat partijen een andere visie hebben over de gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden van het Twiske. Dit leidt tot een andere visie op de wijze waarop moet worden beoordeeld wat er mogelijk is binnen dat natuurgebied. Dat uit zich in de verschillen tussen de passende beoordeling en de contra-expertise van EcoNatura. De Afdeling noemt enkele voorbeelden: EcoNatura gaat uit van een rustig natuurgebied voor (broed)vogels dat dient als rust- en broedplaats en ziet gewenning van vogelsoorten aan de aanwezigheid van mensen en menselijk geluid als onwenselijk. Er wordt in de contra-expertise bezien of een evenement zoals het Lentekabinet mogelijk is, in relatie tot de al bestaande recreatie. In de passende beoordeling is de bestaande situatie met recreatie en de daarbij behorende gewenning gezien als een vaststaand gegeven en wordt beoordeeld of het project leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, die worden bepaald door de instandhoudingsdoelstellingen. EcoNatura kijkt met een brede blik naar alle voorkomende soorten in het Twiske terwijl Tauw zich beperkt tot de soorten waarvoor het Twiske is aangewezen en de habitattypen- en soorten waarvoor het overkoepelende Natura 2000-gebied is aangewezen. Dit verschil is visie maakt echter niet dat de passende beoordeling niet voldoet aan de vereisten die daarvoor gelden. Daarbij overweegt de Afdeling dat, anders dan de stichting veronderstelt, uit het arrest van het Hof van 12 september 2024, C-66/23, ECLI:EU:C:2024:733 niet volgt dat de gevolgen voor alle soorten die voorkomen in het Natura 2000-gebied moeten worden onderzocht. Dat arrest ging, onder andere, over de vraag of bij het opstellen van instandhoudingsdoelstellingen en het treffen van beschermingsmaatregelen enkel de soorten hoeven te worden betrokken die bepalend zijn geweest voor het aanwijzen van een natuurgebied als Natura 2000-gebied (de zogeheten kwalificerende soorten). Dit is volgens het Hof niet toegestaan, omdat instandhoudingsdoelstellingen en beschermingsmaatregelen moeten worden getroffen voor alle soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Dit betekent dat in een passende beoordeling de gevolgen voor alle soorten waarvoor het gebied is aangewezen, moeten worden onderzocht, zie ook punten 37-38 van het arrest van het Hof van 7 november 2018, C-461/17, ECLI:EU:C:2018:883.
In de passende beoordeling is bezien wat de gevolgen zijn van het aangevraagde project op alle habitats en soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen en die in paragraaf 4.2 van de passende beoordeling zijn benoemd. Het is de Afdeling gebleken dat partijen de gevolgen van het verstoren van individuele exemplaren op de functionaliteit van het Natura 2000-gebied als leefgebied van die soorten anders waarderen. In de passende beoordeling is rekenschap gegeven van het feit dat een evenement tot tijdelijke verstoring kan leiden van vogels, maar is voldoende draagkrachtig onderbouwd dat die tijdelijke verstoring niet leidt tot blijvende gevolgen van de functionaliteit van het Natura 2000-gebied als leefgebied voor de vogels waarvoor het gebied is aangewezen en dat daardoor geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van dat Natura 2000-gebied plaatsvindt. Dat volgens de stichting uit tellingen van adviesbureau E.C.O.Logisch blijkt dat tijdens de op- en afbouw, het festival en tot negen dagen daarna er minder waarnemingen van vogels zijn dan de dagen voorafgaand aan de opbouw, doet hier niet aan af. Deze tijdelijke afname in waarnemingen betekent niet dat de relevante soorten zodanig worden verstoord dat daaruit blijkt dat de functionaliteit van het leefgebied wordt aangetast. Ook het enkele feit dat uit wetenschappelijke onderzoeken volgens de stichting blijkt dat bij tijdelijke geluiden er reacties optreden bij vogels in de vorm van verhoogde alertheid of stress, is hiertoe onvoldoende.
Het betoog slaagt niet.
Cumulatie
9. Voor zover de stichting betoogt dat ten onrechte niet de gevolgen van camping Twiske Haven zijn bezien in de cumulatietoets (onder 18 van het nadere stuk van 1 juni 2026), overweegt de Afdeling als volgt.
De Afdeling heeft eerder overwogen dat een beoordeling van cumulatieve effecten uitsluitend betrekking heeft op de cumulatie van effecten van de aangevraagde activiteiten en de effecten van andere projecten of plannen. Daarbij moet rekening worden gehouden met projecten waarvoor een vergunning is verleend, die nog niet of slechts ten dele zijn uitgevoerd ten tijde van het nemen van het besluit en die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen negatieve effecten kunnen hebben op de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied. Als de aangevraagde activiteit geen effecten heeft, hoeft het college ook geen onderzoek te doen naar cumulatieve effecten in verband met deze activiteit. Zie onder meer overweging 11.6 in de uitspraak van 26 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1202) en overweging 55.1 in de uitspraak van 6 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:951).
Het bovenstaande betekent dat, anders dan de stichting betoogt, niet is vereist dat gevolgen van activiteiten waarvoor een natuurvergunning is aangevraagd, maar nog niet is verleend, worden betrokken in de beoordeling van cumulatie effecten. De verwijzing van de stichting naar het AquaPri-arrest volgt de Afdeling niet omdat in dat arrest niet de vraag voorlag of de gevolgen van een activiteit waarvoor een toestemming is aangevraagd maar nog niet verleend, moet worden betrokken in een passende beoordeling. In dat arrest heeft het Hof de vraag beantwoord of, bij de beoordeling van het aangevraagde project, rekening gehouden moet worden met beoordelingen voor besluitvorming die daaraan vooraf is gegaan (punten 20, 27 en 48-58). Ook heeft het Hof onder punt 47 de vraag beantwoord of het opnieuw toestemming verlenen voor de voortzetting van hetzelfde project betekent dat in de passende beoordeling opnieuw moet worden bezien of er cumulatieve effecten optreden, wanneer in vorige beoordelingen van datzelfde project die cumulatieve effecten niet zijn bezien. Ook van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake.
Overige aangedragen gronden
10. Naast wat staat onder 5 heeft de stichting kortgezegd de Afdeling verzocht om te oordelen dat: i. de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling niet had mogen worden gebaseerd op een belangenafweging (onder 1 in het nadere stuk van 1 juni 2026), ii. rechtbanken gemotiveerd dienen aan te geven of een arrest van het Hof wel of niet van toepassing is als een partij zich daarop beroept (onder 3 in het nadere stuk van 1 juni 2026), iii. de recreatiedruk te hoog is in het Twiske (onder 5 in het nadere stuk van 1 juni 2026), en iv. een passende beoordeling een juridisch besluit is van het bevoegd gezag (onder 17 in het nadere stuk van 1 juni 2026).
Nu deze gronden niet zijn gericht tegen de hier voorliggende uitspraak van de rechtbank, gaan deze verzoeken buiten de omvang van het geding. Om die reden behandelt de Afdeling deze gronden niet inhoudelijk.
Verzoek om prejudiciële vragen
11. De stichting heeft verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof die gaan over de vereisten waaraan een passende beoordeling moet voldoen (onder 19 van het nadere stuk van 1 juni 2026).
12. Uit de rechtsoverwegingen 8 tot en met 9 volgt dat beantwoording van de door de stichting opgeworpen prejudiciële vragen niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10 en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
CONCLUSIE
13. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
14. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Pistoor, griffier.
w.g. Besselink
voorzitter
w.g. Pistoor
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
932
Natuurvergunning voor jaarlijks muziekfestival 'Het Lentekabinet' in Het Twiske
Uitspraak over de natuurvergunning die het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland heeft verleend voor muziekfestival ‘Het Lentekabinet’ in recreatiegebied Het Twiske. Het Twiske ligt in het Natura 2000-gebied ‘Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske’. Het gaat om een jaarlijks festival dat twee dagen duurt. De vergunning is verleend voor de periode 2022 tot 2026. Er worden maximaal 16.000 bezoekers toegelaten. De opbouw duurt maximaal zeven dagen en de afbouw maximaal vier dagen. Het terrein fungeert tijdens het festival ook als dag-kampeerterrein. Stichting Hart voor het Twiske vindt dat de zogenoemde passende beoordeling die ten grondslag ligt aan de natuurvergunning, niet deugt. Daarom had de provincie volgens haar de vergunning voor het festival niet mogen verlenen. De stichting is tegen de natuurvergunning in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak, nadat de rechtbank Noord-Holland haar bezwaren ongegrond had verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 12 juni 2026 op zitting behandeld.