Uitspraak 202505267/1/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4128
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 17 april 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 10 april 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komt. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een stuk karton dat op 10 april 2025 is aangetroffen op de stoep ter hoogte van de Herman Costerstraat 363 in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] het stuk karton verkeerd heeft aangeboden omdat daarop een adreslabel zat met daarop zijn naam- en adresgegevens. [appellant] betwist dat hij het stuk karton onjuist heeft aangeboden. Hij stelt dat hij het stuk karton, samen met ander karton en papier, op de avond van 6 april 2025 op de aangewezen plaats en tijd op straat heeft neergezet, zodat het de volgende dag kon worden meegenomen op de papierophaaldag van de gemeente.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Afval
Toon inhoud
202505267/1/R4.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Den Haag,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 17 april 2025 heeft het college zijn beslissing om op 10 april 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 (de Afvalstoffenverordening) van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komt.
Bij besluit van 19 augustus 2025 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 mei 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. W.P. van Lith, zijn verschenen.
Overwegingen
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een stuk karton dat op 10 april 2025 is aangetroffen op de stoep ter hoogte van de Herman Costerstraat 363 in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] het stuk karton verkeerd heeft aangeboden omdat daarop een adreslabel zat met daarop zijn naam- en adresgegevens.
2. [appellant] betwist dat hij het stuk karton onjuist heeft aangeboden. Hij stelt dat hij het stuk karton, samen met ander karton en papier, op de avond van 6 april 2025 op de aangewezen plaats en tijd op straat heeft neergezet, zodat het de volgende dag kon worden meegenomen op de papierophaaldag van de gemeente. Daarbij stelt hij dat niet van hem kan worden verwacht dat hij controleert of het papier en karton aan het einde van de dag zijn opgehaald, terwijl hij dit goed heeft aangeboden. Verder voert hij aan dat regelmatig afval van anderen op straat ligt. Hij ervaart het als cynisch dat hij als een van de weinigen afval goed aanbiedt, maar dat hij hier nu wel voor wordt gestraft. Dat zijn naam op het adreslabel staat, is volgens [appellant] ook onvoldoende bewijs dat hij de overtreder is.
2.1. Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden, bijvoorbeeld door middel van een daarin aangetroffen poststuk, mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat betrokkene dit afval op onjuiste wijze ter inzameling heeft aangeboden en dat hij dus de overtreder is (het bewijsvermoeden). Voor het mogen hanteren van dit bewijsvermoeden is voldoende dat in het afval één tot de betrokkene te herleiden poststuk is aangetroffen. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.
Op grond van dit bewijsvermoeden is alleen al de omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel trekt. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het alleen maar wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.
2.2. Door het adreslabel op het stuk karton is dit tot [appellant] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat hij de overtreder is, tenzij wat hij aanvoert reden geeft daaraan te twijfelen. Anders dan waar [appellant] van uitgaat, hoeft het college niet onomstotelijk te bewijzen dat hij het stuk karton op de stoep heeft gezet.
Het is niet in geschil dat 7 april 2025 in [appellant]’ buurt een inzameldag was voor papier en karton. Maar de enkele stelling van [appellant] dat hij het stuk karton de avond van 6 april 2025 op de aangewezen tijd en plaats heeft aangeboden met de bedoeling dat het de volgende dag zou worden opgehaald, is onvoldoende om aan te nemen dat hij dat op die manier heeft gedaan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college in het verweerschrift heeft toegelicht dat er zich op de ophaaldag van 7 april 2025 geen onregelmatigheden hebben voorgedaan bij het ophalen van het papier. Dat vaker afval van anderen op straat ligt, is geen reden om te oordelen dat [appellant] niet langer verantwoordelijk is om het stuk karton op de juiste manier aan te bieden. Het beeld dat hij schetst, namelijk dat het in de buurt van de Haagse markt wel vaker een rommeltje is, komt op zich overtuigend over, maar iedereen blijft verantwoordelijk voor zijn eigen afval. Zelfs als het zo zou zijn dat hij het stuk karton op 6 april 2025 heeft neergezet en het niet op 7 april 2025 zou zijn meegenomen, dan nog was hij verplicht het, bij voorkeur aan het einde van de dag, weer van de straat te halen.
Daarom heeft [appellant] onvoldoende twijfel gezaaid om het bewijsvermoeden te ontkrachten dat hij het stuk karton verkeerd heeft aangeboden. Het college heeft hem dan ook terecht als overtreder aangemerkt.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
3. Het beroep is ongegrond.
4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hielkema, griffier.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hielkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
1096