Uitspraak 202401489/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3977
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 7 januari 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo [appellant A] gelast om het exploiteren van een bijenhouderij op het perceel [locatie] in Mierlo, te staken en gestaakt te houden door alle bijenkasten en stellages/constructies voor het opstellen van de bijenkasten te verwijderen en verwijderd te houden. Als hij dat niet doet moet hij een dwangsom betalen van € 500,- per week, met een maximum van € 3.000,-. [appellant A] en [appellant B] wonen op het perceel. Ten tijde van de last onder dwangsom exploiteerden zij daar een bijenhouderij. [partij A] en [partij B] wonen naast het perceel. Zij hebben het college verzocht om handhavend op te treden tegen de bijenhouderij. Bij een controle op 22 september 2020 heeft een toezichthouder van de gemeente geconstateerd dat op het perceel 78 bijenkasten aanwezig waren. Bij besluit van 13 juli 2022 heeft het college de last gewijzigd. [appellant A] moet het exploiteren van een bedrijfsmatige bijenhouderij staken en gestaakt houden. Het houden van ten hoogste 20 bijenkasten binnen de woonbestemming is wel toegestaan, omdat dit hobbymatig is.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202401489/1/R2.
Datum uitspraak: 8 juli 2026
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 januari 2024 in zaken nrs. 22/1857 en 22/1859 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B],
[partij A] en [partij B],
en
het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo.
Procesverloop
Bij besluit van 7 januari 2021 heeft het college [appellant A] gelast om het exploiteren van een bijenhouderij op het perceel [locatie] in Mierlo (het perceel), te staken en gestaakt te houden door alle bijenkasten en stellages/constructies voor het opstellen van de bijenkasten te verwijderen en verwijderd te houden. Als hij dat niet doet moet hij een dwangsom betalen van € 500,- per week, met een maximum van € 3.000,-.
Bij besluit van 13 juli 2022 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 7 januari 2021 gewijzigd, in de zin dat de last geen betrekking heeft op het houden van maximaal 20 bijenkasten binnen de bestemming "Wonen".
Bij besluit van 8 maart 2023 heeft het college besloten om over te gaan tot invordering van een verbeurde dwangsom van € 500,-.
Bij uitspraak van 30 januari 2024 heeft de rechtbank de beroepen van [appellant A] en [appellant B] en [partij A] en [partij B] tegen het besluit van 13 juli 2022 ongegrond verklaard, het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 8 maart 2023 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) is partij in dit geding.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 2 maart 2026, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. G.M. van den Boom, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.P.H. Gofers, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [partij A] en [partij B], bijgestaan door mr. F.K. van den Akker, advocaat in Eindhoven, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
Bij besluit van 7 januari 2021 heeft het college aan [appellant A] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant A] en [appellant B] wonen op het perceel. Ten tijde van de last onder dwangsom exploiteerden zij daar een bijenhouderij. [partij A] en [partij B] wonen naast het perceel. Zij hebben het college verzocht om handhavend op te treden tegen de bijenhouderij.
3. Op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Geldrop-Mierlo" (het bestemmingsplan) heeft het perceel gedeeltelijk de bestemming "Wonen" en gedeeltelijk de bestemming "Agrarisch".
4. Bij een controle op 22 september 2020 heeft een toezichthouder van de gemeente geconstateerd dat op het perceel 78 bijenkasten aanwezig waren. Bij besluit van 7 januari 2021 heeft het college [appellant A] gelast om deze bijenkasten te verwijderen, omdat het houden van bijen binnen de woonbestemming in strijd is met artikel 25.1 van de planregels en omdat het houden van bijen binnen de agrarische bestemming in strijd is met artikel 3.1 van de planregels.
5. Bij besluit van 13 juli 2022 heeft het college de last gewijzigd. [appellant A] moet het exploiteren van een bedrijfsmatige bijenhouderij staken en gestaakt houden. Het houden van ten hoogste 20 bijenkasten binnen de woonbestemming is wel toegestaan, omdat dit hobbymatig is.
Uitspraak van de rechtbank
6. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de last onder dwangsom mocht opleggen. Het houden van bijen is strijdig met de bestemming "Agrarisch", omdat dit geen agrarische bodemexploitatie als bedoeld in artikel 3.1 van de planregels is. Het houden van bijen in maximaal 20 bijenkasten is volgens de rechtbank niet in strijd met de woonbestemming.
Hoger beroep
7. [appellant A] en [appellant B] zijn het niet eens met de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij hun beroep tegen het besluit van 13 juli 2022 ongegrond is verklaard. [appellant A] en [appellant B] zijn in hoger beroep niet opgekomen tegen de vernietiging van het invorderingsbesluit.
Is het houden van bijen binnen de bestemming "Agrarisch" een overtreding?
8. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het houden van bijen en het gebruik van bijenkasten binnen de bestemming "Agrarisch" in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens hen is het houden van bijen een agrarische activiteit. Een agrarisch bedrijf is op grond van de begripsbepalingen van het bestemmingsplan een bedrijf dat gericht is op het houden van dieren. Daar vallen bijen ook onder. De uitleg van de rechtbank zou betekenen dat bijenkasten op geen enkele agrarische bestemming in het buitengebied van Geldrop-Mierlo geplaatst mogen worden. Dat kan niet de bedoeling zijn.
8.1. Het college stelt zich op het standpunt dat [appellant A] en [appellant B] deze beroepsgrond tijdens de procedure bij de rechtbank uitdrukkelijk hebben prijsgegeven.
8.2. De Afdeling constateert dat de rechtbank over deze beroepsgrond een oordeel heeft gegeven. De Afdeling zal de beroepsgrond daarom inhoudelijk bespreken.
8.3. Voor het antwoord op de vraag of het gebruik van een perceel in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever.
8.4. Artikel 3.1 van de planregels luidt:
"De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen;
b verharde en onverharde paden, wegen en parkeervoorzieningen;
c water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
d een minicamping met maximaal 15 standplaatsen ter plaatse van de aanduiding ‘kampeerterrein’;
e een houtsingel ter plaatse van de aanduiding ‘houtsingel’;
f een landschapselement ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - landschapselement’;
g een veldschuur ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veldschuur’;
h extensief recreatief medegebruik;
i tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
j permanente niet-grondgebonden teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen’;
k behoud, herstel en ontwikkeling van de ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding ‘ecologische verbindingszone’."
8.5. Tussen partijen is in geschil of het houden van bijen en het gebruik van bijenkasten valt onder agrarische bodemexploitatie. De Afdeling stelt vast dat de planregels geen definitie geven van agrarische bodemexploitatie. In artikel 1, onder 11, van de planregels is het begrip agrarisch bedrijf wel gedefinieerd, namelijk: "bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren". Maar dit zegt nog niet direct iets over de betekenis van agrarische bodemexploitatie. Artikel 3.1 van de planregels is echter gelet op de overige planregels voldoende duidelijk. Op grond van artikel 3.3.1 en artikel 3.3.2 van de planregels kan het college binnen de bestemming "Agrarisch" ten behoeve van agrarisch gebruik een omgevingsvergunning verlenen voor de bouw van een schuilgelegenheid voor vee of voor de bouw van een rijbak. De Afdeling leidt hieruit af dat agrarische bodemexploitatie ook de exploitatie van de bodem door het houden van dieren omvat. Artikel 3.1 van de planregels noemt geen specifieke vormen van agrarisch gebruik, zoals akkerbouw, veeteelt of glastuinbouw. Het begrip agrarische bodemexploitatie moet daarom ruim worden geïnterpreteerd. Verschillende vormen van agrarisch gebruik zijn mogelijk, waaronder het houden van dieren en dus ook bijen. Bijen gebruiken het perceel voor het verzamelen van nectar en het bestuiven van bloemen, planten en bomen en zij produceren honing. Honing is een agrarisch product. Daarom is het houden van bijen in dit geval een vorm van agrarische bodemexploitatie.
8.6. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bevoegd was om handhavend op te treden tegen het gebruik van de gronden met de bestemming "Agrarisch" voor het exploiteren van een bijenhouderij.
Het betoog slaagt.
Overige beroepsgronden
9. Gelet op wat onder 8.5 en 8.6 is overwogen, was het college niet bevoegd om de last onder dwangsom op te leggen. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking. Dit geldt ook voor de beroepsgronden over de hoeveelheid (lege) bijenkasten die binnen de bestemming "Wonen" mogen worden gehouden. Het college heeft voor het exploiteren van een bijenhouderij binnen de bestemmingen "Agrarisch" en "Wonen" maar één last onder dwangsom opgelegd.
Conclusie
10. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 13 juli 2022 ongegrond heeft verklaard. Er zijn geen beroepsgronden die de rechtbank niet heeft besproken. Gelet op wat onder 8.4 en 8.5 is overwogen, is het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 13 juli 2022 gegrond. Dit besluit wordt vernietigd. De Afdeling zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb het besluit van 7 januari 2021 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Overschrijding redelijke termijn
11. [appellant A] en [appellant B] hebben verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
11.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
11.2. Het college heeft het bezwaarschrift van [appellant A] en [appellant B] ontvangen op 16 februari 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met 1 jaar en bijna 5 maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan het college en de Afdeling worden toegerekend. De overschrijding moet voor 11/16e deel aan het college en voor 5/16e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
11.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding in beginsel vastgesteld op € 1.500,00 per persoon. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellant A] en [appellant B] samen procederen, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen. Deze matiging acht de Afdeling redelijk, vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedure. [appellant A] en [appellant B] ontvangen daarom ieder een bedrag van € 750,00 aan schadevergoeding.
11.4. Het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen. Het college wordt veroordeeld tot betaling van € 515,63 aan zowel [appellant A] als [appellant B]. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van € 234,38 aan zowel [appellant A] als [appellant B].
Proceskosten
12. Het college moet de proceskosten van [appellant A] en [appellant B] in bezwaar en hoger beroep vergoeden.
13. Het college en de Staat worden ieder veroordeeld tot vergoeding van de helft van de proceskosten die [appellant A] en [appellant B] hebben gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 januari 2024 in zaken nrs. 22/1857 en 22/1859, voor zover de rechtbank het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 13 juli 2022 ongegrond heeft verklaard;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 13 juli 2022 gegrond;
IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo van 13 juli 2022;
V. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo van 7 januari 2021;
VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VII. veroordeelt
- het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo tot betaling van een schadevergoeding van € 1.031,26 aan [appellant A] en [appellant B];
- de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling van een schadevergoeding van € 468,76 aan [appellant A] en [appellant B];
VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het bezwaar en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.288,05, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
IX. veroordeelt
- het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
X. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 279,00 vergoedt, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Hoekstra, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Hoekstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026
531-1092