Uitspraak 202500228/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3960
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 24 april 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Simpelveld de bouwwerkzaamheden op het perceel aan de [locatie] in Bocholtz met onmiddellijke ingang stilgelegd en [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast om alle bouwwerkzaamheden aan het pand op het perceel gestaakt te houden. [appellante] is eigenaar van het pand. Op 18 en 23 april 2024 is een toezichthouder van de gemeente ter plaatse geweest om de renovatiewerkzaamheden aan het pand te controleren. Bij de controle van 23 april 2024 heeft de toezichthouder geconstateerd dat de kapconstructie grotendeels was gesloopt. Dit was voor het college aanleiding om de bouw stil te leggen. Het college heeft de bouwstop op schrift gesteld en op 24 april 2024 aan [appellante] bekendgemaakt. Het college heeft aldus bij besluit van 24 april 2024 spoedeisende bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:31, eerste lid, van de Awb toegepast door met onmiddellijke ingang de bouwwerkzaamheden op het perceel stil te leggen.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202500228/1/R1.
Datum uitspraak: 8 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Bocholtz, gemeente Simpelveld,
appellante,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 5 december 2024 in zaak nr. 24/4150 en 24/4409 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Simpelveld.
Procesverloop
Bij besluit van 24 april 2024 heeft het college de bouwwerkzaamheden op het perceel aan de [locatie] in Bocholtz met onmiddellijke ingang stilgelegd en [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast om alle bouwwerkzaamheden aan het pand op het perceel gestaakt te houden.
Bij besluit van 7 augustus 2024 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Het college heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 februari 2026. [appellante], bijgestaan door mr. B.H.A. Augustin, advocaat in Urmond, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.B. Falkenberg en J.H.L. Heiligers, hebben de zitting via een videoverbinding bijgewoond.
Overwegingen
Inleiding
1. De voor deze zaak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2. [appellante] is eigenaar van het pand aan de [locatie] in Bocholtz. Op 18 en 23 april 2024 is een toezichthouder van de gemeente ter plaatse geweest om de renovatiewerkzaamheden aan het pand te controleren. Bij de controle van 23 april 2024 heeft de toezichthouder geconstateerd dat de kapconstructie grotendeels was gesloopt. Dit was voor het college aanleiding om de bouw stil te leggen. Op de zitting heeft de Afdeling vastgesteld dat het college geen mondelinge bouwstop heeft opgelegd. Het college heeft de bouwstop op schrift gesteld en op 24 april 2024 aan [appellante] bekendgemaakt. Het college heeft aldus bij besluit van 24 april 2024 spoedeisende bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:31, eerste lid, van de Awb toegepast door met onmiddellijke ingang de bouwwerkzaamheden op het perceel stil te leggen.
Het college heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat voor de bouwwerkzaamheden waarmee de draagconstructie van het dak wordt gewijzigd een omgevingsvergunning nodig is voor de omgevingsplanactiviteit "bouwwerken" als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow) en voor een (technische) bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Ow. Deze omgevingsvergunningen waren ten tijde van de besluitvorming niet verleend en ook niet aangevraagd.
3. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat voor de bouwwerkzaamheden een omgevingsvergunning is vereist voor de omgevingsplanactiviteit "bouwwerken". Omdat geen sprake is van overtreding of dreigende overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow, was het college naar het oordeel van de rechtbank niet bevoegd om op deze grondslag handhavend op te treden. Maar omdat voor de gestarte bouwwerkzaamheden aan het dak naar het oordeel van de rechtbank wel een omgevingsvergunning is vereist voor de (technische) bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Ow, was het college wel bevoegd om de bouwstop en last onder dwangsom op te leggen.
In hoger beroep gaat het uitsluitend om de vraag of het college de schriftelijke bouwstop en last onder dwangsom kon opleggen omdat [appellante] bouwwerkzaamheden aan het dak uitvoerde zonder te beschikken over een omgevingsvergunning voor de (technische) bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Ow.
Is er een overtreding?
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor de bouwwerkzaamheden aan het dak een omgevingsvergunning is vereist voor de (technische) bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Ow. Volgens [appellante] zijn de bouwwerkzaamheden vergunningsvrij op grond van artikel 2.27, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zij heeft hierover aangevoerd dat de bouwkundige constructie van het dak niet zal veranderen door de bouwactiviteit. Weliswaar worden onderdelen van het dak en de draagconstructie gesloopt en vervangen, maar de nieuwe dakconstructie wordt op vrijwel dezelfde wijze herbouwd.
4.1. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. In de artikelen 2.25 en 2.26 van het Bbl zijn de vergunningplichtige bouwactiviteiten aangewezen. De bouwwerkzaamheden aan het dak van de woning vallen onder de reikwijdte van artikel 2.25 van het Bbl, zoals dat luidde ten tijde hier van belang. Op grond van artikel 2.27, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1°, van het Bbl, zoals dat luidde ten tijde van belang, is in afwijking daarvan geen omgevingsvergunning vereist voor de bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Ow als die bouwactiviteit betrekking heeft op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van een bouwwerk en de draagconstructie niet wijzigt.
Niet in geschil is dat de sporen, de nok- en middengordingen en de hoekkepers onderdeel zijn van de draagconstructie van het dak en dat deze met de renovatie worden vervangen. Bij de controle op 23 april 2024 is gebleken dat deze onderdelen waren gesloopt en dat was begonnen met de vervanging ervan. Aangezien onderdelen van de draagconstructie zijn gesloopt en daarna vervangen, is sprake van het wijzigen van de draagconstructie als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1°, van het Bbl. Dat de bestaande constructieve onderdelen zijn vervangen door nagenoeg dezelfde nieuwe onderdelen en zowel de omvang van de constructie als de wijze waarop de constructie is gebouwd na afronding van de verbouwing zo goed als hetzelfde zal zijn, doet er niet aan af dat de draagconstructie is gewijzigd. Iets wat fysiek aanwezig was, is verwijderd en vervangen door iets anders. Daarmee wijzigt de constructie. Dat betekent dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat voor de gestarte bouwwerkzaamheden aan het dak een omgevingsvergunning nodig is voor de bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Ow. Aangezien deze omgevingsvergunning niet is verleend, is sprake van een overtreding. Het college is bevoegd om daartegen handhavend op te treden.
Het betoog slaagt niet.
Bijzondere omstandigheden
5. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het stilleggen van bouwwerkzaamheden onevenredig is. Zij heeft hierover aangevoerd dat, als al wordt geoordeeld dat sprake is van een wijziging van de draagconstructie, het om een dusdanig kleine wijziging gaat dat een algehele bouwstop volstrekt niet in verhouding staat met de overtreding. Op de zitting heeft [appellante] er in dit verband verder op gewezen dat het haar niet kan worden verweten dat zij voorafgaand aan de verbouwing geen omgevingsvergunning heeft aangevraagd. Zij is afgegaan op de mededeling van de ingeschakelde constructeur dat dit niet nodig was.
5.1. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de stillegging van de bouwwerkzaamheden en de last onder dwangsom zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college daarvan in dit geval had moeten afzien. Met de ten tijde van de controle geconstateerde bouwwerkzaamheden werd de draagconstructie van het toen grotendeels gesloopte dak gewijzigd. Omdat de toezichthouder bij het ontbreken van de vereiste omgevingsvergunning niet kon nagaan of deze bouwwerkzaamheden gevolgen zouden hebben voor de constructieve veiligheid van het pand, heeft het college de bouwwerkzaamheden redelijkerwijs kunnen stilleggen in afwachting van vergunningverlening of mogelijk te treffen handhavingsmaatregelen, om te voorkomen dat zonder omgevingsvergunning verder zou worden gebouwd. Dat [appellante] op basis van de informatie van de door haar ingeschakelde constructeur in de veronderstelling was dat zij voor de verbouwing van de woning geen omgevingsvergunning nodig had, kan niet afdoen aan het belang om de bouw stil te leggen voor werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Verder komt de onjuistheid van de informatie van de deskundige voor haar rekening en risico omdat zij die heeft ingeschakeld. Die informatie kan niet aan het college worden toegerekend.
Het betoog faalt.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. A.B. Blomberg en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Deen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026
604
BIJLAGE
Ow
Artikel 5.1, tweede lid,
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een bouwactiviteit, (…).,
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Besluit bouwwerken leefomgeving, zoals dat luidde tot 1 januari 2025
Artikel 2.25
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, geldt voor een bouwactiviteit, voor zover die betrekking heeft op een gebouw of ander bouwwerk met een dak en dat gebouw of andere bouwwerk:
a. niet op de grond staat;
b. hoger is dan 5 m;
c. bij meer dan een bouwlaag, is voorzien van een verblijfsgebied op de tweede bouwlaag of hoger;
d. is voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; of
e. als gevolg van de bouwactiviteit een hoofdgebouw wordt.
Artikel 2.27, eerste lid, aanhef en onder b,
In afwijking van de artikelen 2.25 en 2.26 geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten niet voor de in die artikelen aangewezen bouwactiviteiten als die betrekking hebben op:
het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van een bouwwerk waarbij de volgende onderdelen niet wijzigen:
1°. de draagconstructie;
[…].