Uitspraak 202405708/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3958
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 19 augustus 2022 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap De Dommel de Legger waterstaatswerken 2021 gewijzigd. Het dagelijks bestuur heeft op 26 april 2018 een watervergunning aan Ruimte voor Ruimte C.V. te ’s-Hertogenbosch verleend voor onder meer het aanpassen van watergang ES37 (de watergang). De watervergunning was aangevraagd met het oog op woningbouw nabij de Esscheweg en de locatie van de voormalige manege Vughtse Hoeve in Vught. In verband met de vergunde aanpassing van de watergang heeft het dagelijks bestuur in het leggerbesluit de ligging van de daaraan grenzende beschermingszone gewijzigd. Daardoor ligt een deel van het perceel van [appellant A] en [appellant B] aan de [locatie] in Vught in de beschermingszone, die daar 1 m breed is. In het besluit op bezwaar is het leggerbesluit gehandhaafd.
- Hoger beroep
- Waterschapszaken
Toon inhoud
202405708/1/R1.
Datum uitspraak: 8 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 juli 2024 in zaak nr. 23/891 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
het dagelijks bestuur van het Waterschap De Dommel.
Procesverloop
Bij besluit van 19 augustus 2022 heeft het dagelijks bestuur de Legger waterstaatswerken 2021 gewijzigd (het leggerbesluit).
Bij besluit van 13 februari 2023 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 31 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 15 juni 2026 behandeld, waar [appellant A] en [appellant B] en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Wingens-Dobbelsteen en E.L. Nelstein, zijn verschenen. Verder is op de zitting Ruimte voor Ruimte C.V., vertegenwoordigd door mr. E. Beele, advocaat te Tilburg, en [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2. Het dagelijks bestuur heeft op 26 april 2018 een watervergunning aan Ruimte voor Ruimte C.V. te ’s-Hertogenbosch verleend voor onder meer het aanpassen van watergang ES37 (de watergang). De watervergunning was aangevraagd met het oog op woningbouw nabij de Esscheweg en de locatie van de voormalige manege Vughtse Hoeve in Vught.
In verband met de vergunde aanpassing van de watergang heeft het dagelijks bestuur in het leggerbesluit de ligging van de daaraan grenzende beschermingszone gewijzigd. Daardoor ligt een deel van het perceel van [appellant A] en [appellant B] aan de [locatie] in Vught in de beschermingszone, die daar 1 m breed is. In het besluit op bezwaar is het leggerbesluit gehandhaafd.
Op de zitting heeft het dagelijks bestuur bevestigd dat de in het leggerbesluit gewijzigde legger, voor zover hier van belang, is overgenomen in de Legger waterstaatswerken 2023 en vervolgens, met ingang van 1 januari 2024, in de Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024.
Wijziging van de legger
3. De Afdeling stelt voorop dat deze procedure alleen betrekking heeft op het in bezwaar gehandhaafde leggerbesluit voor zover het betreft de ligging van de beschermingszone en het oordeel van de rechtbank daarover. De watervergunning, die onherroepelijk is, ligt niet ter beoordeling voor.
4. Ter zitting is door [appellant A] en [appellant B] bevestigd dat de kern van hun betoog is dat het leggerbesluit deze watervergunning niet juist in de legger opneemt. De watervergunning wijkt af van het leggerbesluit. [appellant A] en [appellant B] betogen in dat kader dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de door het dagelijks bestuur verstrekte informatie over de oorspronkelijke profilering van de watergang onjuist is. Volgens hen lag de insteek van de watergang in 2018 in werkelijkheid op minimaal 2,5 m van de grens van hun perceel, zodat verbreding tot aan de perceelsgrens niet vergund is. Bovendien was de vergunde verbreding volgens hen al in de Legger waterstaatswerken 2021 vastgelegd. Met het leggerbesluit is de beschermingszone daarom in feite voor de tweede keer verlegd, waardoor die op hun perceel is komen te liggen.
4.1. Artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet bepaalt dat in een legger wordt omschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. Van de legger maakt deel uit een overzichtskaart, waarop de ligging van waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones staan aangegeven.
Hieruit volgt dat een legger niet de feitelijke toestand van een watergang weergeeft, maar de toestand waaraan deze zou moeten voldoen.
4.2. Het dagelijks bestuur heeft in de procedure bij de rechtbank een tekening overgelegd, waarin de insteek van de watergang is weergegeven zoals deze in het verleden is ingemeten en vastgelegd in de Legger oppervlaktewaterlichamen 2018. De insteek ligt daarin op ongeveer 1 m afstand van het perceel van [appellant A] en [appellant B]. De watergang was toen nog niet verbreed. De Legger waterstaatswerken 2021 geeft dezelfde situatie weer, tot deze werd gewijzigd in het leggerbesluit.
Uitgaande van deze leggergegevens voordat de legger was gewijzigd, maakt de watervergunning verbreding van de watergang tot aan de grens van het perceel van [appellant A] en [appellant B] mogelijk. Zoals de rechtbank namelijk terecht heeft overwogen, volgt uit de watervergunning dat de watergang over een lengte van ongeveer 160 m met 1 m verbreed kan worden. De stelling van [appellant A] en [appellant B] dat aanvankelijk verbreding over een lengte van 135 m beoogd was, maakt dat niet anders. De watervergunning is hier bepalend. Dit betekent dat de watervergunning ook ziet op de watergang ter hoogte van hun perceel. Dat de watergang vóór verlening van de watervergunning feitelijk op meer dan 1 m afstand van de perceelsgrens liep, zoals [appellant A] en [appellant B] stellen, is in dit kader ook niet van belang, omdat de feitelijke situatie niet bepalend is. Met de door hen overgelegde profielmetingen uit 2006 hebben zij ook niet aannemelijk gemaakt dat de tekening uitgaat van onjuiste leggergegevens. Die metingen geven geen informatie over de in de legger vastgelegde insteek ter hoogte van hun perceel. Voor het oordeel dat de vergunde verbreding al in de legger van 2021 was vastgelegd, ziet de Afdeling verder geen aanknopingspunten. [appellant A] en [appellant B] wijzen ter onderbouwing van hun stelling dat de verbreding al in de legger van 2021 was vastgelegd op de constatering van een landmeter in 2022 dat het hekwerk aan de rand van hun perceel niet in de beschermingszone staat. Het dagelijks bestuur heeft daarover opgemerkt dat de beschermingszone destijds, in juni 2022, is ingemeten aan de hand van gegevens uit de legger van 2021, terwijl het nieuwe profiel van de watergang daarin nog niet geregistreerd was. De Afdeling heeft geen reden om daaraan te twijfelen.
Wat [appellant A] en [appellant B] aanvoeren, leidt daarom niet tot het oordeel dat het dagelijks bestuur de legger niet overeenkomstig de watervergunning via het leggerbesluit heeft aangepast. De rechtbank heeft in zoverre terecht geen grond voor vernietiging van het besluit op bezwaar gezien.
4.3. Het betoog slaagt niet.
5. Voor zover [appellant A] en [appellant B] betogen dat de aangepaste watergang niet voldoet aan de voorschriften van de watervergunning, gaat de Afdeling daaraan voorbij. Deze procedure gaat niet over handhaving van de watervergunning. De Afdeling begrijpt dat [appellant A] en [appellant B] inmiddels hebben verzocht om handhaving van de watervergunning en dat over de besluitvorming daarover een procedure bij de rechtbank loopt.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
7. Het dagelijks bestuur hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Visser
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026
148