Uitspraak 202401061/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3957
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 10 mei 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul geweigerd aan [appellant A] een omgevingsvergunning te verlenen voor het legaliseren van twee appartementen op het adres [locatie 1] en [locatie 2] in Valkenburg. [appellant B] is eigenaar van het perceel aan de [locatie 3] in Valkenburg. Op het perceel staat achter het hoofdgebouw een vrijstaand gebouw met daarin twee appartementen. De vorige eigenaar van het perceel, [appellant A], heeft een aanvraag ingediend voor het legaliseren van de twee appartementen met huisnummers [locatie 1] en [locatie 2]. Die appartementen worden al lange tijd bewoond. [appellant B] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het gebouw een bijgebouw als bedoeld in artikel 1.45 van de planregels is en dat het gebouw daarom in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens [appellant B] is het gebouw een bijbehorend bouwwerk.
- Hoger beroep
- Bouwen
Toon inhoud
202401061/1/R1.
Datum uitspraak: 8 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A], nu: zijn rechtsopvolger [appellant B], wonend in woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 januari 2024 in zaak nr. 22/2818 in het geding tussen:
[appellant A]
en
het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul.
Procesverloop
Bij besluit van 10 mei 2022 heeft het college geweigerd aan [appellant A] een omgevingsvergunning te verlenen voor het legaliseren van twee appartementen op het adres [locatie 1] en [locatie 2] in Valkenburg.
Bij besluit van 22 november 2022 heeft het college het door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 januari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant A] hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is overgenomen door [appellant B] als zijn rechtsopvolger onder bijzondere titel.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant B] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 juni 2026, waar [appellant B], bijgestaan door mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat in Valkenburg, en [appellant A], en het college, vertegenwoordigd door mr. N. van Bijnen en R. Brouns, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 30 maart 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant B] is eigenaar van het perceel aan de [locatie 3] in Valkenburg. Op het perceel staat achter het hoofdgebouw een vrijstaand gebouw met daarin twee appartementen (het gebouw).
Ter plaatse gold ten tijde van belang het bestemmingsplan "Initieel Omgevingsplan Valkenburg aan de Geul 2020". Op het perceel rust de bestemming "Wonen" en de gebiedsaanduiding "overige zone-Kernen".
De vorige eigenaar van het perceel, [appellant A], heeft een aanvraag ingediend voor het legaliseren van de twee appartementen met huisnummers [locatie 1] en [locatie 2]. Die appartementen worden al lange tijd bewoond. De aanvraag ziet op de activiteiten "het bouwen van een bouwwerk" en "het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan", als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef, en onder a en c, van de Wabo.
Het college heeft geweigerd de omgevingsvergunning te verlenen. Volgens het college is het gebouw een bijgebouw, en is het op grond van artikel 40.5, aanhef en onder c, van de planregels niet toegestaan om bijgebouwen te gebruiken als zelfstandige woning. Het college is niet bereid om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht van het bestemmingsplan af te wijken. Volgens het college is het gebouw in strijd met een goede ruimtelijke ordening en niet in overeenstemming met de redelijke eisen van welstand.
Is het gebouw een bijgebouw?
3. [appellant B] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het gebouw een bijgebouw als bedoeld in artikel 1.45 van de planregels is en dat het gebouw daarom in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens [appellant B] is het gebouw een bijbehorend bouwwerk. Hij voert aan dat het gebouw, zowel architectonisch als bouwkundig, één geheel vormt met het naastgelegen hoofdgebouw en dat het gebouw, net als het hoofdgebouw, altijd dienst heeft gedaan als appartementengebouw.
3.1. Op grond van artikel 40.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn, uitsluitend ter plaatse van de gebiedsaanduiding "overige zone - Kernen" de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen.
In artikel 40.5, aanhef en onder c, is bepaald dat onder verboden gebruik wordt verstaan het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen als zelfstandige woning en/of als afhankelijke woonruimte.
In artikel 1.45 wordt onder bijgebouw verstaan: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en dat uit niet meer dan één bouwlaag bestaat.
Onder een bijbehorend bouwwerk wordt in artikel 1.44 verstaan: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk met een dak.
3.2. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het gebouw als een bijgebouw in de zin van artikel 1.45 van de planregels moet worden aangemerkt. Het vrijstaande gebouw bestaat uit één bouwlaag en heeft een plat dak, in tegenstelling tot het zich op hetzelfde perceel bevindende hoofdgebouw dat meerdere bouwlagen en een schuin dak heeft. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het gebouw door zijn vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en in architectonisch opzicht daaraan ondergeschikt is. Dat zich zowel in het gebouw als in het hoofdgebouw appartementen bevinden is niet relevant voor de vraag of het gebouw kan worden aangemerkt als bijgebouw in de zin van artikel 1.45 van de planregels.
De Afdeling volgt [appellant B] niet in de stelling dat het gebouw een bijbehorend bouwwerk is, omdat het bijgebouw met de appartementen niet functioneel is verbonden met het hoofdgebouw. De twee appartementen worden zelfstandig bewoond en hebben een eigen ingang.
De rechtbank is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat het aangevraagde gebruik van het (bij)gebouw als zelfstandige woning(en) in strijd is met artikel 40.5, aanhef en onder c, van de planregels.
Het betoog slaagt niet.
Strijd met een goede ruimtelijke ordening
4. [appellant B] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat het verlenen van de omgevingsvergunning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. [appellant B] wijst erop dat het gebouw met de appartementen achter het hoofdgebouw staat en dat maakt dat de uitstraling niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Ook wijst hij erop dat wordt voldaan de geldende parkeernorm.
4.1. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
4.2. Het college is niet bereid om van het bestemmingsplan af te wijken, omdat het college bewoning van een bijgebouw dat achter het hoofdgebouw is gesitueerd ruimtelijk niet aanvaardbaar acht. Het college stelt zich op het standpunt dat de appartementen zich bevinden op een gedeelte van het perceel dat is bedoeld voor het gebruik als tuin of parkeerplaats en niet voor zelfstandige woningen. Mede daarom is er volgens het college ook te weinig woonkwaliteit. Het college heeft verder bij zijn standpunt betrokken dat te weinig parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar zijn.
4.3. Net als de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat het verlenen van de omgevingsvergunning vanwege de situering van het gebouw achter het hoofdgebouw in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling verwijst kortheidshalve naar de uitspraak van de rechtbank onder 26. De Afdeling ziet in wat [appellant B] in hoger beroep heeft aangevoerd, geen aanleiding daar anders over te oordelen. De enkele stelling dat aan de geldende parkeernorm wordt voldaan, is daarvoor onvoldoende.
Het betoog slaagt niet.
Beroep op het vertrouwensbeginsel
5. [appellant B] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de gevraagde omgevingsvergunning in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft geweigerd. Volgens [appellant B] mocht hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs uit de gedragingen van het college afleiden dat het college het gebouw heeft gelegaliseerd of permanent heeft gedoogd. [appellant B] voert aan dat het college al jaren bekend was met het bestaan van de appartementen, daartegen nooit handhavend heeft opgetreden en daarvoor ook onroerende zaakbelasting heeft geheven.
5.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
5.2. De Afdeling ziet met de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant B] aan de gestelde omstandigheid dat het college tot nog toe niet handhavend tegen heeft opgetreden, het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat het college de gevraagde omgevingsvergunning zou verlenen. Het enkele tijdsverloop, oftewel het langdurig stilzitten, sinds de realisering van de appartementen, is onvoldoende voor het oordeel dat door het college een in rechte te eerbiedigen vertrouwen is gewekt dat een omgevingsvergunning zal worden verleend. Ook de omstandigheid dat de gemeente onroerende zaakbelasting heeft geheven voor de appartementen is daarvoor onvoldoende, omdat bij een dergelijke aanslag niet wordt gekeken naar de planologisch-juridische situatie. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De Afdeling voegt daaraan overigens nog toe dat in het besluit op bezwaar staat dat het college bereid is om de bewoning van de twee appartementen toe te staan, totdat de huidige bewoners de huurovereenkomst opzeggen.
Het betoog slaagt niet.
Strijd met de redelijke eisen van welstand
6. Zoals op de zitting is toegelicht, blijft het besluit om de omgevingsvergunning te weigeren overigens ook in stand wegens strijd met de redelijke eisen van welstand. Het college heeft immers ook een negatief advies van de stadsbouwmeester van 3 mei 2022 aan zijn besluit om de vergunning te weigeren ten grondslag gelegd. Anders dan [appellant B] betoogt heeft zijn rechtsvoorganger [appellant A] dat advies in beroep niet betwist, zodat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het standpunt van het college dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand niet is bestreden. Wat [appellant B] in hoger beroep naar voren brengt geeft geen aanleiding voor ander oordeel.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.A. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Duits, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Duits
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026
817-1093