Uitspraak BRS.25.001301
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3831
- Datum uitspraak
- 3 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 15 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de echtgenote van appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.25.001301
ECLI:NL:RVS:2026:3831
Datum uitspraak: 3 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 18 augustus 2025 in zaak nr. NL24.29865 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de echtgenote van appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 15 oktober 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.A.L. van de Glind, advocaat in Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Gelet op de toetsing die de rechtbank en de Afdeling verrichten naar het recht dat gold ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar, betrekt de Afdeling bij deze zaak niet de met ingang van 12 juni 2026 gewijzigde regelgeving op het gebied van nareis.
Samenvatting
2. In deze uitspraak oordeelt de Afdeling dat de minister bij de beoordeling van mvv-aanvragen in het kader van nareis en de vraag of er tussen huwelijkspartners een feitelijke gezinsband bestaat, ook moet betrekken of op de peildatum de wil bestaat om een dergelijke band te onderhouden. Hij moet bij die beoordeling alle relevante feiten en omstandigheden in het individuele geval betrekken en een op het geval toegespitste beoordeling maken.
Besluitvorming
3. Appellant heeft op 8 juli 2022 een mvv-aanvraag in het kader van nareis ingediend voor zijn echtgenote. Hij heeft bij zijn aanvraag een huwelijksakte overgelegd waaruit blijkt dat hij op 12 juli 2021 is getrouwd met zijn echtgenote. De minister heeft zich in de besluitvorming op het standpunt gesteld dat appellant de familierechtelijke relatie aannemelijk heeft gemaakt met onder andere de overgelegde huwelijksakte. Dat appellant en zijn echtgenote getrouwd zijn, staat dus niet ter discussie. De minister heeft de aanvraag evenwel afgewezen, omdat appellant volgens hem de feitelijke gezinsband niet aannemelijk heeft gemaakt. Volgens de minister had appellant op de peildatum, de datum van inreis van appellant in Nederland op 6 november 2021, nog geen daadwerkelijke invulling gegeven aan het huwelijk. Appellant is volgens hem namelijk zonder noodzaak een maand na de verloving op 24 juni 2021 vertrokken uit Jordanië, appellant en zijn echtgenote hebben niet samengewoond en zij hebben elkaar in de periode dat appellant in Jordanië was, maar vijf keer gezien. Volgens de minister is het nareisbeleid bedoeld om de gezinssituatie te herstellen die bestond voor de binnenkomst van een referent in Nederland en niet voor gezinsvorming.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat gezinshereniging het herstel beoogt van het gezinsleven dat bestond voor het vertrek van een referent. Als een vreemdeling en referent geen werkelijk huwelijks- of gezinsleven uitoefenden, bestaat er geen gezinsleven dat voor herstel in aanmerking komt. Een rechtsgeldig huwelijk zonder enige feitelijke invulling kan namelijk evengoed worden voortgezet zonder dat een vreemdeling nareist.
De rechtbank heeft deze rechtspraak toegepast op de situatie van appellant en geoordeeld dat de minister zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er tussen hem en zijn echtgenote ten tijde van zijn inreis in Nederland een feitelijke gezinsband bestond. De rechtbank heeft erop gewezen dat de minister voor dit standpunt van belang mocht vinden dat appellant en zijn echtgenote nooit hebben samengewoond en dat zij elkaar in de periode tussen de huwelijksdatum en het vertrek van appellant uit Jordanië maar vijf keer hebben gezien. Ook heeft de minister zich volgens de rechtbank redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat er tussen appellant en zijn echtgenote geen wederzijdse afhankelijkheid bestaat.
Hoger beroep
5. Appellant betoogt in zijn eerste grief dat de rechtbank van een onjuist beoordelingskader is uitgegaan, omdat hij in beginsel aan zijn bewijslast heeft voldaan met het overleggen van een huwelijksakte. Volgens hem moet de minister in dat geval deugdelijk motiveren dat er indicaties zijn die het bestaan van een werkelijk huwelijksleven weerleggen. Dat heeft de rechtbank volgens hem niet onderkend.
5.1. Het betoog van appellant slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de bewijslast bij een vreemdeling en een referent rust om de feitelijke gezinsband tussen hen aannemelijk te maken. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2151, onder 5.1. Met het overleggen van een huwelijksakte, heeft appellant in beginsel aan deze bewijslast voldaan. Maar de minister kan blijkens die uitspraak een aanvraag niettemin afwijzen als zich meer of andere omstandigheden voordoen die maken dat een feitelijke gezinsband niet aannemelijk is. De minister heeft niet ten onrechte in de omstandigheden dat appellant een maand na de verloving is vertrokken uit Jordanië, hij gedurende die maand niet heeft samengewoond met zijn echtgenote en zij elkaar in die periode maar vijf keer hebben gezien, indicaties gezien om te beoordelen of er een feitelijke gezinsband bestaat. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:998, onder 4. De grief slaagt niet.
6. In zijn tweede grief betoogt appellant dat de rechtbank van een te streng en nationaal ingekleurd beoordelingskader is uitgegaan. Volgens hem legt het Unierecht bij de invulling van het begrip werkelijk huwelijks- of gezinsleven de lat minder hoog. Hij wijst op de arresten van het Hof van Justitie van 1 augustus 2022, SW, BL en BC, ECLI:EU:C:2022:617, en XC, ECLI:EU:C:2022:618. Volgens hem volgt uit die arresten dat de minister een individuele beoordeling moet maken voor het wel of niet aannemen van een werkelijk huwelijks- of gezinsleven waarin hij vluchtomstandigheden, de intentie om samen te leven en daadwerkelijk onderhouden persoonlijke en affectieve betrekkingen moet meewegen. Dat heeft de rechtbank volgens hem niet onderkend. Ook heeft de rechtbank volgens hem niet onderkend dat het Hof geen vereiste van intensief samenleven of duurzame samenwoning stelt, maar incidentele ontmoetingen en regelmatige contacten als voldoende aanvaardt om persoonlijke en affectieve betrekkingen aan te nemen. De rechtbank heeft volgens hem ook nagelaten om de vluchtcontext en de feitelijke belemmeringen voor samenwoning te betrekken in haar oordeel.
Beoordelingskader feitelijke gezinsband bij huwelijkspartners
6.1. Het betoog van appellant dat uit de arresten SW, BL en BC en XC volgt dat de minister een individuele beoordeling moet maken of er tussen hem en zijn echtgenote een werkelijk huwelijksleven, en dus een feitelijke gezinsband, bestaat waarin hij ook de intentie om samen te leven moet betrekken, slaagt. De Afdeling is van oordeel dat het geschetste beoordelingskader dat uit die arresten volgt, ook van toepassing is op huwelijkspartners. Het Hof gaat in deze arresten namelijk ook in het algemeen in op de beoordeling van het gezinsleven. De Afdeling is van oordeel dat deze algemene overwegingen niet alleen gelden voor het gezinsleven tussen ouders en hun kind, maar onder meer ook voor gezinsleven tussen huwelijkspartners. Zo volgt uit punt 56 van het arrest SW, BL en BC en punt 57 van het arrest XC dat artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gezinsherenigingsrichtlijn geen criteria bevat aan de hand waarvan lidstaten kunnen beoordelen of er daadwerkelijk gezinsleven bestaat, noch stelt dit artikelonderdeel specifieke eisen aan de hechtheid van de betrokken gezinsband. Verder wijzen punt 61 van het arrest SW, BL en BC en punt 62 van het arrest XC erop dat de beoordeling van de vereisten om een feitelijke gezinsband aan te nemen, een beoordeling per geval vereist. Dat blijkt ook uit artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Bij deze beoordeling moeten alle relevante factoren in elk afzonderlijk geval en in het licht van de door deze richtlijn nagestreefde doelstellingen, in acht worden genomen. Ook volgt uit die arresten dat volgens de Gezinsherenigingsrichtlijn leden van het kerngezin steeds recht hebben op gezinshereniging, zie punt 63 van het arrest SW, BL en BC en punt 64 van het arrest XC. Verder wijst het Hof op overweging 6 van de preambule van de Gezinsherenigingsrichtlijn waaruit volgt dat die richtlijn beoogt om de bescherming van het gezin te waarborgen en de mogelijkheid te bieden om het gezinsleven voort te zetten of op te bouwen, zie punt 58 van het arrest SW, BL en BC en punt 59 van het arrest XC. Volgens het Hof moet voor het bestaan van een feitelijke gezinsband worden vastgesteld of er daadwerkelijk een gezinsband bestaat of de wil om een dergelijke band te creëren of te behouden, zie punt 65 van het arrest SW, BL en BC en punt 66 van het arrest XC. Verder wijst het Hof in die arresten erop dat de Gezinsherenigingsrichtlijn verlangt van lidstaten dat zij bijzondere aandacht geven aan de situatie van vluchtelingen en personen die subsidiaire bescherming genieten wegens de redenen die hen ertoe hebben gedwongen om hun land te ontvluchten en die hun beletten daar een normaal gezinsleven te leiden, zie punt 60 van het arrest SW, BL en BC en punt 61 van het arrest XC. Het Hof wijst in dit kader op overweging 8 van de preambule van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
De Afdeling is, alles overziend, van oordeel dat het Hof deze overwegingen zo algemeen heeft geformuleerd dat deze niet anders te lezen zijn bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband tussen huwelijkspartners dan bij die tussen ouders en hun kinderen.
6.2. Dit betekent dat de minister bij de beoordeling van mvv-aanvragen in het kader van nareis en de vraag of er tussen huwelijkspartners een feitelijke gezinsband bestaat, ook moet betrekken of op de peildatum de wil bestaat om een dergelijke band te onderhouden. Hij moet bij die beoordeling alle relevante feiten en omstandigheden in het individuele geval betrekken en een op het geval toegespitste beoordeling maken. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4631, onder 5.6.
6.3. Appellant heeft in de bezwaarfase foto’s overgelegd waarmee hij volgens hem de feitelijke gezinsband aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft ten onrechte volstaan met het standpunt dat deze foto’s niet aannemelijk maken dat ten tijde van de inreis van appellant een feitelijke gezinsband tussen hem en zijn echtgenote bestond. De minister had namelijk ook moeten beoordelen of appellant met de overgelegde foto’s aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van zijn inreis in Nederland de wil had om een gezinsleven te onderhouden. Dat geldt ook voor het standpunt van appellant dat hij in Jordanië geen geschikte huisvesting had om met zijn echtgenote samen te wonen en dat hij dagelijks telefonisch contact heeft met zijn echtgenote. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
6.4. Verder moet de minister bij de beoordeling ook rekening houden met het feit dat een vreemdeling en referent geen feitelijke gezinsband hebben kunnen onderhouden gedurende de periode dat zij van elkaar gescheiden waren, in het bijzonder door een vluchtsituatie. De minister heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat er geen gedwongen aanleiding is geweest voor appellant om te vertrekken uit Jordanië, maar dat doet er niet aan af dat hij deugdelijk moet motiveren hoe de verklaringen van appellant waarom hij Jordanië heeft verlaten, zich verhouden tot de andere relevante feiten en omstandigheden. Dat betekent dat de minister de verklaring van appellant waarom hij en zijn echtgenote nog niet veel feitelijke invulling hebben gegeven aan hun huwelijksleven, moet afzetten tegen de verklaringen en stukken die gaan over de wil die appellant stelt te hebben om een feitelijke gezinsband te onderhouden. Ook dit heeft de rechtbank niet onderkend.
6.5. De minister moet dus bij de beoordeling of op de peildatum de wil bij appellant bestond om een feitelijke gezinsband te onderhouden, alle relevante feiten en omstandigheden in het individuele geval betrekken en een op het geval toegespitste beoordeling maken.
6.6. De grief slaagt.
Conclusie
7. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vragen kunnen worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
8. Het hoger beroep is gegrond. Wat appellant verder nog in zijn grieven aanvoert, behoeft geen bespreking. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 15 oktober 2024. De minister moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister moet de proceskosten vergoeden. De minister moet ook het door appellant voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 18 augustus 2025 in zaak nr. NL24.29865, voor zover aangevallen;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 15 oktober 2024, V-[…];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de minister van Asiel en Migratie aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 289,00 voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Gerritsjans-van Essen, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Gerritsjans-van Essen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026
574-1078