Uitspraak BRS.26.002269
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3695
- Datum uitspraak
- 26 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 12 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.
- Voorlopige voorziening
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.002269 en BRS.26.002272
ECLI:NL:RVS:2026:3695
Datum uitspraak: 26 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 16 april 2026 in zaak nr. NL25.57273 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 12 maart 2025 heeft de minister de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.
Bij besluit van 29 oktober 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.P. van Empel-Bouman, advocaat in ‘s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant wijst er terecht op dat de rechtbank had moeten onderkennen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom er, ondanks de bewijsstukken over de uitvoering van het ouderschapsplan van 22 november 2024, alsnog twijfels bestaan over de vraag of appellant zich aan de regeling in dat plan houdt. Echter, de rechtbank heeft terecht overwogen dat uit deze bewijsstukken niet volgt dat appellant dagelijks invulling geeft aan zijn zorg- en opvoedingsstaken en ook niet dat hij een zodanig gezinsleven heeft met zijn kinderen dat de belangenafweging niet in zijn nadeel mocht uitvallen. Deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht betrokken bij de beantwoording van de vraag of aan appellant verblijf moet worden toegestaan op grond van artikel 20 van het VWEU, als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354, of op grond van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister op basis van wat appellant heeft aangevoerd deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij niet voor verblijf op die gronden in aanmerking komt.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.
w.g. Soffers
voorzieningenrechter
w.g. Veen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026
984