Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202503581/1/V1

Uitspraak 202503581/1/V1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3698
Datum uitspraak
24 juni 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 30 november 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Vreemdelingenkamer - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202503581/1/V1.
Datum uitspraak: 24 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 mei 2025 in zaak nr. NL23.16052 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.

Bij besluit van 4 mei 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij besluit van 26 februari 2025 heeft de minister in aanvulling daarop geweigerd om haar ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.

Bij uitspraak van 22 mei 2025 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 4 mei 2023, aangevuld op 26 februari 2025, door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Dhalganjansing, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

Beoordeling grieven

1.       De eerste grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Los van de vraag of appellant terecht betoogt dat de rechtbank een onjuiste toetsingsvolgorde heeft toegepast, heeft de rechtbank zowel de weigering van de minister om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als de weigering van de minister om een verblijfsvergunning te verlenen in verband met artikel 8 van het EVRM getoetst.

1.1.    De tweede grief leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Los van de vraag of appellant terecht betoogt dat in Unierechtelijke zaken een zwaardere hoorplicht geldt dan in nationaalrechtelijke zaken, leidt een schending van het recht om te worden gehoord volgens het Hof van Justitie pas tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben. Dat doet zich in dit geval niet voor. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1061, onder 5.2.

1.2.    Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vragen over de uitleg van artikel 20 van het VWEU en de reikwijdte van artikel 47 van het EU Handvest niet nodig zijn voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

1.3.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.4.    De derde en vierde grief leiden evenmin tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat ook deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roepen deze grieven geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).

Overschrijding van de redelijke termijn

2.       Appellant heeft in hoger beroep verzocht om haar een schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

2.1.    De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De minister heeft het bezwaarschrift van appellant ontvangen op 28 december 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met zes maanden overschreden.

2.1.1. De volgende vraag die de Afdeling moet beantwoorden, is aan wie zij deze overschrijding moet toerekenen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in zaken zoals deze, waarin een besluit na eerdere vernietiging opnieuw aan de rechtbank wordt voorgelegd, in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan. Dit is slechts anders als de rechtbank in een van de rechterlijke procedures zelf de redelijke behandelingsduur van anderhalf jaar heeft overschreden of als de Afdeling de redelijke behandelingsduur van twee jaar voor het hoger beroep heeft overschreden (uitspraak van 18 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3731, onder 2.5).

2.1.2. In dit geval heeft de rechtbank na ongeveer twee jaar uitspraak gedaan op het beroep van appellant van 31 mei 2023. De duur van anderhalf jaar die redelijk is voor de behandeling van het beroep, is daarmee met zes maanden overschreden. In dit geval moeten drie van die zes maanden aan de minister worden toegerekend. De reden daarvoor is dat de minister de rechtbank bij brief van 4 februari 2025 heeft verzocht om de zaak aan te houden, omdat hij het voornemen had een aanvullend besluit te nemen. De zaak is daardoor pas op 24 april 2025 op zitting gekomen bij de rechtbank.

2.1.3. De Afdeling heeft na ongeveer twaalf maanden uitspraak gedaan op het hoger beroep van appellant. De duur van twee jaar die redelijk is voor de behandeling van het hoger beroep, is daarmee niet overschreden.

2.2.    De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee stelt de Afdeling de schadevergoeding vast op € 500,00. Hiervan komt € 250,00 ten laste van de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) en € 250,00 ten laste van de minister van Asiel en Migratie.

3.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling zal het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toewijzen. De minister van Asiel en Migratie en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) moeten de proceskosten vergoeden, ieder voor de helft. Bij de berekening van de kosten past de Afdeling wat betreft de zwaarte van de zaak de wegingsfactor licht (0,5).toe.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;

III.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie om aan appellant een schadevergoeding te betalen van € 250,00;

IV.     veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) om aan appellant een schadevergoeding te betalen van € 250,00;

V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.     veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Zwemstra
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026

91-1097


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon