Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202503409/1/R4

Uitspraak 202503409/1/R4

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3406
Datum uitspraak
24 juni 2026
Inhoudsindicatie
Eerste uitspraak over BOPA en strijd met instructieregel. De zaak gaat over over de weigering van het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen om een omgevingsvergunning te verlenen voor het vergroten van een paardenkraamhotel in Wilnis. Het bouwplan is in strijd is met instructieregels uit de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht. De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt dat het college de vergunningaanvraag voor deze buitenplanse omgevingsactiviteit terecht heeft geweigerd.
  • Hoger beroep
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
  • Persaankondiging
Volledige tekst

202503409/1/R4.
Datum uitspraak: 24 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 7 mei 2025 in zaak nr. 24/6124 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen.

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2024 heeft het college geweigerd aan [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het vergroten van een paardenkraamhotel op [het perceel] in Wilnis (het perceel).

Bij besluit van 10 september 2024 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 maart 2026, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. N.A. Krijgsman en mr. drs. S. Hambuckers, bijgestaan door mr. S. El Yaacoubi, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Bij besluit van 4 november 2022 heeft het college aan [appellante] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een nieuwe schuur op het perceel die in gebruik wordt genomen als paardenkraamhotel.

Op 31 januari 2024 is namens het college een controle uitgevoerd op het perceel. Er is toen geconstateerd dat er niet werd gebouwd volgens de bij besluit van 4 november 2022 verleende omgevingsvergunning. De lengte van de schuur bedroeg 20 m in plaats van de vergunde 16 m.

[appellante] heeft vervolgens op 26 februari 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd die betrekking heeft op het legaliseren van de uitbreiding van de schuur voor gebruik als paardenkraamhotel.

Bij besluit van 31 mei 2024 heeft het college geweigerd de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.

Bij besluit op bezwaar van 10 september 2024 is het besluit van 31 mei 2024, onder aanpassing van de motivering, in stand gelaten.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 7 mei 2025 het door [appellante] tegen het besluit van 10 september 2024 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat het college heeft mogen weigeren de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen.

2.       Voor het perceel is, voor zover nu van belang, van toepassing het bestemmingsplan "Buitengebied-West" (het bestemmingsplan). Dit bestemmingsplan maakt op grond van artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente De Ronde Venen, als bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet (Ow). Voor de leesbaarheid zal de Afdeling in het vervolg van de uitspraak nog steeds spreken over het bestemmingsplan.

Op grond van het bestemmingsplan is aan het perceel onder meer de bestemming "Agrarisch met waarden-Natuurwaarden" toegekend.

Wettelijk kader

3.       De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Bespreking van het hoger beroep

Aanvulling motivering besluit op bezwaar

4.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld, door in bezwaar nieuwe weigeringsgronden aan het besluit toe te voegen. Het gaat om de gronden dat sprake zou zijn van strijd met provinciale regels en dat het paardenkraamhotel geen volwaardig agrarisch bedrijf is.

4.1.    Wat door [appellante] in hoger beroep is aangevoerd over de heroverweging in bezwaar komt in de kern neer op een herhaling van wat zij in dat verband in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. De Afdeling ziet in wat door haar in zoverre in hoger beroep is aangevoerd, geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en overweging 9 van de uitspraak, waarop dat oordeel is gebaseerd.

Het betoog slaagt niet.

Strijd met het bestemmingsplan?

5.       [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. In dat verband voert zij aan dat het paardenkraamhotel kan worden aangemerkt als een grondgebonden agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 4.1 aanhef en onder a van de planregels, in samenhang gelezen met artikel 1.52. Zij wijst erop dat zij op het perceel naast haar eigen merries, structureel meerdere drachtige merries houdt, die vrijwel permanent op het perceel verblijven, met weidegang, voedervoorziening van eigen grond en mestafzet op het eigen perceel.

Verder is volgens haar van belang dat het college bij besluit van 4 november 2022 een omgevingsvergunning heeft verleend voor het bouwen en het gebruiken van het paardenkraamhotel in strijd met het bestemmingsplan. Dat betekent volgens haar dat door het verlenen van die omgevingsvergunning het college al heeft toegestaan dat op het perceel een paardenkraamhotel wordt geëxploiteerd, ondanks de strijdigheid met de reguliere bestemming. In de aanvraag, het bouwplan en de ruimtelijke onderbouwing was het beoogde gebruik als paardenkraamhotel volledig en expliciet omschreven. Daarmee is door het college uitdrukkelijk gekozen voor het toestaan van dit gebruik, aldus [appellante]. Dit onderstreept volgens [appellante] dat het gebruik op dit perceel, met alle bekende feitelijke kenmerken, als acceptabel is beoordeeld in de vergunde situatie.

5.1.    Op grond van dat bestemmingsplan is aan het perceel onder meer de bestemming "Agrarisch met waarden-Natuurwaarden" toegekend. Uit artikel 4.1, aanhef en onder a, van de planregels volgt dat gronden met deze bestemming bestemd zijn voor onder meer grondgebonden agrarische bedrijven. Om te kunnen beoordelen of het paardenkraamhotel moet worden aangemerkt als een grondgebonden agrarisch bedrijf, moet eerst de voorvraag worden beantwoord of het paardenkraamhotel kan worden aangemerkt als een agrarisch bedrijf als bedoeld in de planregels.

5.2.    Een agrarisch bedrijf wordt in artikel 1.6 van de planregels gedefinieerd als: "een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren, waaronder tevens wordt verstaan een paardenhouderij en paardenfokkerij en waaronder niet wordt verstaan een manege;".

5.3.    De Afdeling is van oordeel dat het paardenkraamhotel geen agrarisch bedrijf is als bedoeld in artikel 1.6 van de planregels, omdat het niet is gericht op het voortbrengen van producten en het ook niet als een paardenfokkerij of paardenhouderij kan worden aangemerkt. Hierbij is het volgende van belang. In het paardenkraamhotel worden tussen maart en augustus hoogdrachtige merries opgevangen vanaf 1,5 maand voor tot 1 maand na het veulenen. Daarna vertrekken de veulens en merries weer. Het paardenkraamhotel brengt geen producten voort; het verzorgingselement staat voorop. Het paardenkraamhotel kan ook niet worden aangemerkt als een paardenhouderij of een paardenfokkerij als bedoeld in de planregels. Het fokken zelf vindt elders plaats en in het paardenkraamhotel vindt ook geen verkoop van gefokte paarden plaats. Het paardenkraamhotel is ook geen paardenhouderij als bedoeld in artikel 1.87 van de planregels, omdat het bedrijf niet uitsluitend gericht is op het voor langere tijd houden, stallen of africhten van paarden. De bedrijfsvoering is daarentegen gericht op het opvangen van hoogdrachtige merries, het laten bevallen van die merries, en de kraamzorg en opvang van merrie en veulen na de bevalling. De opvang van de merries en veulens omvat daarmee een periode van maximaal 2,5 maanden in de periode, tussen maart en augustus. Het houden van de merries en veulens is daarmee tijdelijk van aard, niet uitsluitend gericht op het stallen van deze dieren en op het africhten ervan. Het voorgaande betekent dat geen sprake is van een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 1.6 van de planregels. De rechtbank is dus, zij het op andere gronden, terecht tot de conclusie gekomen dat het aangevraagde paardenkraamhotel in strijd is met het bestemmingsplan.

5.4.    Het door [appellante] aangevoerde over de bij besluit van 4 november 2022 verleende omgevingsvergunning voor het paardenkraamhotel maakt het voorgaande niet anders. Daarbij stelt de Afdeling in de eerste plaats vast dat deze omgevingsvergunning het paardenkraamhotel niet mogelijk maakt zoals [appellante] dat heeft gebouwd. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellante] zo, dat met de omgevingsvergunning het college het gebruik van het perceel als paardenkraamhotel al heeft toegestaan, en dat de uitbreiding van het gebruik als paardenkraamhotel dan ook geen reden kan zijn voor weigering van de omgevingsvergunning die [appellante] op 26 februari 2024 heeft aangevraagd.

5.5.    Dat betoog baat [appellante] niet. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt. Op grond van artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet geldt, voor zover nu van belang, de op 4 november 2022 verleende omgevingsvergunning als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow. Onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gold de vaste rechtspraak van de Afdeling, dat een eerder verleende omgevingsvergunning voor een bouwplan in afwijking van het bestemmingsplan, geen grondslag biedt voor een ander bouwplan. Die afwijking heeft uitsluitend betrekking op een bepaald bouwplan en een bepaald gebruik en kan zich niet mede uitstrekken tot eventuele toekomstige omgevingsvergunningaanvragen voor andere bouwplannen op dezelfde locatie. Vergelijk de uitspraak van 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2981. Een omgevingsvergunning omvat daarmee alleen de toestemming voor het uitvoeren van de aangevraagde activiteit, in dit geval het bouwen van een schuur van 16 m lang voor gebruik als paardenkraamhotel in strijd met het bestemmingsplan. Met de omgevingsvergunning die op 4 november 2022 is verleend, is het bestemmingsplan niet gewijzigd. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het wijzigen van deze rechtspraak onder de Ow. Een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit omvat op grond van de Ow namelijk ook alleen de toestemming om de aangevraagde activiteit uit te voeren en houdt nog geen wijziging in van het omgevingsplan. Artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet geeft evenmin aanleiding voor wijziging van die rechtspraak. Dat artikel strekt ertoe rechten te eerbiedigen die worden ontleend aan een onherroepelijke omgevingsvergunning, verleend op grond van het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van de Ow, maar brengt geen wijziging aan in het rechtsgevolg van een dergelijke omgevingsvergunning. Het voorgaande betekent dat de in 2022 verleende omgevingsvergunning voor het paardenkraamhotel geen grondslag kan bieden voor de vergunningverlening voor de aangevraagde uitbreiding.

Het betoog slaagt niet.

Gebruik maken afwijkingsregels

6.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college met toepassing van artikel 34.1 van de planregels een omgevingsvergunning kon verlenen voor de uitbreiding van het paardenkraamhotel. [appellante] wijst erop dat sprake is van een marginale overschrijding van ongeveer 8 m² die past binnen de grens van 10%. Volgens haar heeft de uitbreiding geen relevante nadelige gevolgen voor het landschap of voor derden, is de uitbreiding landschappelijk en milieu hygiënisch aanvaardbaar en past de uitbreiding volledig binnen het bestaande vergunde gebruik. Het college had na een zorgvuldige, op het geval toegesneden belangenafweging, tot de conclusie moeten komen dat de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 34.1 van de planregels kon worden verleend, aldus [appellante]. Daarbij had het college ook moeten betrekken dat met de uitbreiding sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.1.    Op de zitting is vastgesteld dat in afwijking van de eerder verleende vergunning is gebouwd, waarvan ongeveer 32 m² van het gebouw binnen het bouwvlak is voorzien en ongeveer 8 m² buiten het bouwvlak.

6.2.    Uit artikel 22.10 van de Ow volgt dat de binnenplanse afwijkingsregels uit een bestemmingsplan gelden als beoordelingsregels voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Het college moet de aanvraag toetsen aan de binnenplanse afwijkingsregels. Als er strijd is met die regels, dan is de conclusie dat er strijd is met het bestemmingsplan en moet het college beoordelen of er met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van het bestemmingsplan kan worden afgeweken.

Zoals de Afdeling onder 5.3 heeft overwogen, is de aanvraag om uitbreiding van het paardenkraamhotel in strijd met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuurwaarden", omdat het paardenkraamhotel geen agrarisch bedrijf is. Artikel 34.1 van de planregels biedt geen grondslag om het perceel in afwijking van het bestemmingsplan te gebruiken. Alleen al om die reden kan niet op grond van artikel 34.1 van de planregels een omgevingsvergunning worden verleend voor het bouwplan. De rechtbank is, zij het op andere gronden, in rechtsoverweging 15 van haar uitspraak terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog slaagt niet.

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit

7.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de aanvraag in strijd is met de instructieregels uit de Omgevingsverordening provincie Utrecht (OVU), zoals deze gold op 1 januari 2024. Het college is daarom ten onrechte tot de conclusie gekomen dat wegens strijd met artikel 8.0b, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geen omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden verleend, aldus [appellante].

7.1.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag in strijd is met artikel 8.1, tweede lid, en met artikel 9.3 van de OVU. Volgens het college is de aanvraag daarom in strijd met artikel 8.0b, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bkl en moet de omgevingsvergunning daarom worden geweigerd. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank, zij het op andere gronden, terecht tot de conclusie is gekomen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag in strijd is met artikel 9.3 van de OVU en de omgevingsvergunning daarom moet worden geweigerd. Hierna zal de Afdeling uitleggen waarom die conclusie juist is.

7.2.    Uit artikel 8.0b, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bkl volgt dat op de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, de op grond van artikel 2.22 van de wet gestelde regels over omgevingsplannen van overeenkomstige toepassing zijn. In het verlengde daarvan en - zo begrijpt de Afdeling - voor de leesbaarheid bepaalt de OVU in artikel 1.4, eerste lid, onder b, dat onder een omgevingsplan ook een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verstaan.

7.3.    Uit artikel 9.3 van de OVU volgt dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen "Landelijk gebied" geen verstedelijking toelaat, tenzij in de OVU anders is bepaald. Van verstedelijking is volgens de begripsbepalingen in Bijlage I bij de OVU sprake als een omgevingsplan ten opzichte van het geldende regime nieuwe mogelijkheden biedt voor vestiging of uitbreiding van stedelijke functies. Onder een stedelijke functie wordt, gelet op de begripsomschrijving in Bijlage I bij de OVU, een niet-agrarisch bedrijf verstaan. De OVU verstaat onder een agrarisch bedrijf een bedrijf dat is ingericht voor zowel de grondgebonden als niet-grondgebonden activiteiten: het telen van gewassen, boomteelt daaronder begrepen, of het houden van dieren (veehouderij), een en ander ten behoeve van het voortbrengen van producten. Het paardenkraamhotel is naar het oordeel van de Afdeling niet een dergelijk agrarisch bedrijf, omdat het bedrijf niet is ingericht ten behoeve van het voortbrengen van producten. Het voorgaande betekent dat de aanvraag van [appellante] betrekking heeft op de uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf en daarmee op de uitbreiding van een stedelijke functie, wat op grond van artikel 9.3 van de OVU niet is toegelaten. Alleen al omdat de aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in strijd is met artikel 9.3 van de OVU, is het college terecht tot de conclusie gekomen dat de omgevingsvergunning op grond van artikel 8.0b, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bkl moet worden geweigerd. De vraag of de aanvraag ook in strijd is met artikel 8.1, tweede lid, van de OVU hoeft daarom niet te worden beantwoord omdat dit antwoord niet tot het oordeel kan leiden dat de weigering van de omgevingsvergunning onterecht is.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie en slot

8.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden waarop deze rust.

9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Schmidt, griffier.

w.g. Minderhoud
voorzitter

w.g. Schmidt
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026

776

BIJLAGE

Omgevingswet

Artikel 5.1

"1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

a. een omgevingsplanactiviteit, […]."

Besluit kwaliteit leefomgeving

Artikel 8.0a. (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen)

"1.     Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.

2.       Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties."

Artikel 8.0b. (doorwerking instructieregels, instructies, voorbereidingsbesluiten en projectbesluiten - buitenplanse omgevingsplanactiviteit, niet van provinciaal of nationaal belang)

1.       Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing:

a. de regels van hoofdstuk 5;

b. op grond van artikel 2.22 van de wet gestelde regels over omgevingsplannen; en

c. op grond van de artikelen 2.33 en 2.34 van de wet gegeven instructies over omgevingsplannen.

2.       Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als:

a. de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een regel of instructie als bedoeld in het eerste lid;

b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan; (…).

Omgevingsverordening provincie Utrecht (versie 1 januari 2024)

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

1. Bijlage I Begripsbepalingen bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening.

2. Bijlage II Overzicht informatieobjecten bij deze verordening wijst de geometrische begrenzing van de gebieden aan voor de toepassing van deze verordening.

Artikel 1.4 Schakelbepaling

1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder een omgevingsplan mede verstaan:

a. een projectbesluit; en

b. een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder motivering van een omgevingsplan mede verstaan de toelichting op de besluiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8.1 Instructieregel agrarisch bedrijf

1.       Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven bevat geen regels die voorzien in:

a. nieuwe agrarische bouwpercelen, tenzij het gaat om de verplaatsing van een grondgebonden agrarisch bedrijf voor het voldoen aan internationale verplichtingen; en

b. een omschakeling van grondgebondenagrarisch bedrijf naar niet-grondgebonden landbouw.

2.       Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven⁠ bevat regels die voorzien in een agrarisch bouwperceel met een oppervlakte van maximaal 1,5 hectare ten behoeve van bestaande agrarische bedrijven, waarbij per bouwperceel maximaal één bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen met maximaal één bouwlaag voor het stallen van dieren zijn toegestaan.

3.       Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven⁠  kan regels bevatten die voorzien in uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel voor een grondgebonden veehouderij tot maximaal 2,5 hectare, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing:

b. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van het dierenwelzijn;

c. de uitbreiding draagt bij aan vermindering van de milieubelasting; en

d. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van de volksgezondheid.

4.       Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven⁠  kan regels bevatten die nevenactiviteiten toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

a. de nevenactiviteit blijft ruimtelijk ondergeschikt aan de agrarische activiteiten;

b. de nevenactiviteit vindt plaats binnen het bestaande bouwperceel;

c. erfinrichting en bedrijfsbebouwing zijn landschappelijk goed inpasbaar; en

d. omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.

5. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.

Artikel 9.3 Instructieregel verstedelijkingsverbod Landelijk gebied

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied⁠  laat geen verstedelijking toe, tenzij in deze verordening anders is bepaald.

Bijlage I

agrarisch bedrijf

een bedrijf dat is ingericht voor zowel de grondgebonden als niet-grondgebonden activiteiten: het telen van gewassen, boomteelt daaronder begrepen, of het houden van dieren (veehouderij), een en ander ten behoeve van het voortbrengen van producten

stedelijke functie

functie die door de intensiteit van de bebouwing en gebruik, door afhankelijkheid van geconcentreerde infrastructuur en door de intensieve wisselwerking met andere functies primair is aangewezen op of verbonden is met aaneengesloten bebouwd gebied. Ter toelichting: onder het begrip stedelijke functie vallen de functies die voor het grootste deel in, of in de onmiddellijke nabijheid van dorpen en steden (stedelijk gebied) liggen en verbonden zijn aan stad en dorp. Functies die traditioneel in het landelijk gebied thuishoren horen hier niet bij. De provincie beschouwt de infrastructuur, zowel wegen als leidingen, als een onlosmakelijk onderdeel van het gehele landelijke gebied. De definitie van het begrip stedelijke functie is van belang in verband met het verbod op verstedelijking zoals dat is opgenomen in artikel 9.3 Verstedelijkingsverbod landelijk gebied en de uitzonderingen op dat verbod. Onder stedelijke functie vallen onder meer: - woningen en woongebieden; - niet-agrarische bedrijven en bedrijfsterreinen; - stedelijke voorzieningen en kernrandactiviteiten; - gebouwde voorzieningen voor energieproductie; - recreatiewoningen en complexen voor verblijfsrecreatie; Onder verstedelijking vallen in ieder geval niet: - landbouw met de daarvoor noodzakelijke bebouwing op agrarische bouwvlakken; - ondergeschikte nevenfuncties op agrarische bouwpercelen; - bos en natuur; - terreinen ingericht voor dagrecreatie en kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen, zoals picknickplaatsen en bebording;

verstedelijking

van verstedelijking is sprake als een omgevingsplan ten opzichte van het vigerende regime nieuwe mogelijkheden biedt voor vestiging of uitbreiding van stedelijke functies. Ter toelichting: de vestiging of uitbreiding van al bestaande stedelijke functies. Denk daarbij aan nieuwvestiging of de vergroting van de gebruiksoppervlakte of bebouwingsmogelijkheden ten opzichte van het geldende omgevingsplan;

Bestemmingsplan Buitengebied-West

1.6 agrarisch bedrijf

een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren, waaronder tevens wordt verstaan een paardenhouderij en paardenfokkerij en waaronder niet wordt verstaan een manege;

1.52 grondgebonden agrarisch bedrijf

agrarische bedrijven waarvan de bedrijfsvoering grotendeels afhankelijk is (weidegang, voedervoorziening, mestafzet e.d.) van het voortbrengend vermogen van de grond die tot dat bedrijf behoort.

1.87 paardenhouderij

een agrarisch bedrijf dat uitsluitend gericht is op het houden, stallen of africhten van paarden, alsmede de handel in paarden;

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Agrarisch met waarden - Natuurwaarden aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. grondgebonden agrarische bedrijven;

b. niet-grondgebonden agrarische bedrijven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'niet grondgebonden';

(…).

34.1 Maten en bouwgrenzen

Tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van de regels voor:

a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%;

b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.

De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

Persaankondiging

Uitbreiden van paardenkraamhotel in Wilnis

Uitspraak over het besluit van het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen om geen omgevingsvergunning te verlenen voor het uitbreiden van een paardenkraamhotel in Wilnis. In 2022 heeft het college van B&W aan de eigenaar een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een nieuwe schuur die in gebruik wordt genomen als paardenkraamhotel. In januari 2024 heeft de gemeente een controle uitgevoerd op het perceel en constateerde zij dat er niet werd gebouwd volgens de omgevingsvergunning. De lengte van de schuur was twintig meter in plaats van de zestien meter die volgens de vergunning was toegestaan. De eigenaar vroeg vervolgens bij de gemeente een omgevingsvergunning aan om de uitbreiding te legaliseren, maar het college van B&W weigerde de vergunning, omdat het bestemmingsplan deze uitbreiding niet toestaat. De eigenaar is het hier niet mee eens. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 3 maart 2026 op zitting behandeld.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon