Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202503153/1/R1

Uitspraak 202503153/1/R1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3505
Datum uitspraak
17 juni 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 16 januari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan Adriaan van Erk Ontwikkeling B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw, in afwijking van de geldende bestemmingsplannen, van 37 nieuwbouwwoningen, inclusief parkeer- en perceelvoorzieningen in het kader van het project Weespersluis, deelplan 2B3-2 (E), op de locaties Fort Nieuwersluisstraat 35 tot en met 45 (oneven), Fort Veldhuissingel 72 tot en met 78 (even), Veldhuishof Noord 2 tot en met 22 (even) en Veldhuishof Zuid 1 tot en met 27 (oneven) in Weesp. De initiatiefnemer herontwikkelt een landbouwgebied tussen Weesp en Muiden in de Bloemendalerpolder tot een nieuwe woonwijk, genaamd "Weespersluis", met 2.750 woningen met bijbehorende commerciële en maatschappelijke voorzieningen, groen- en recreatiegebied en ontsluitingen. Het project is verdeeld in een aantal gebiedsdelen en fasen. Het voorliggende bouwplan heeft betrekking op deelplan 2B3-2 (E). Het gaat om 37 nieuwbouwwoningen. Stichting Flora & Faunabescherming komt op voor de natuurbelangen en kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank. Zij vreest als gevolg van het realiseren van het bouwplan aantasting van de natuur, de leefomgeving, het milieu en de landschappelijke waarden.
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
  • Persaankondiging
Volledige tekst

202503153/1/R1.
Datum uitspraak: 17 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Stichting Flora & Faunabescherming, gevestigd in Weesp, gemeente Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Holland van 18 april 2025 in zaak nr. 24/7225 in het geding tussen:

Stichting Flora & Faunabescherming

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2024 heeft het college aan Adriaan van Erk Ontwikkeling B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw, in afwijking van de geldende bestemmingsplannen, van 37 nieuwbouwwoningen, inclusief parkeer- en perceelvoorzieningen in het kader van het project Weespersluis, deelplan 2B3-2 (E), op de locaties Fort Nieuwersluisstraat 35 tot en met 45 (oneven), Fort Veldhuissingel 72 tot en met 78 (even), Veldhuishof Noord 2 tot en met 22 (even) en Veldhuishof Zuid 1 tot en met 27 (oneven) in Weesp.

Bij besluit van 15 mei 2024 heeft het college het door Stichting Flora & Faunabescherming, onder meer daartegen, gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 16 januari 2024, onder aanvulling van de motivering daarvan, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 18 april 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:4575, heeft de rechtbank het door Stichting Flora & Faunabescherming daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft Stichting Flora & Faunabescherming hoger beroep ingesteld.

Adriaan van Erk Ontwikkeling B.V., VOF Weespersluis en GEM Bloemendalerpolder C.V. (hierna samen en in enkelvoud: de initiatiefnemer) hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De initiatiefnemer en Stichting Flora & Faunabescherming hebben nadere stukken ingediend.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak, samen met zaak 202504519/1/R1, op een zitting behandeld op 13 februari 2026, waar Stichting Flora & Faunabescherming, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. J.E. Dijk, advocaat in Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J. de Groot, zijn verschenen. Verder is de initiatiefnemer, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. J.C. Ellerman en mr. drs. F. Onrust, beiden advocaat in Amsterdam, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 1 november 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       De initiatiefnemer herontwikkelt een landbouwgebied tussen Weesp en Muiden in de Bloemendalerpolder tot een nieuwe woonwijk, genaamd "Weespersluis", met 2.750 woningen met bijbehorende commerciële en maatschappelijke voorzieningen, groen- en recreatiegebied en ontsluitingen. Het project is verdeeld in een aantal gebiedsdelen en fasen.

Het voorliggende bouwplan heeft betrekking op deelplan 2B3-2 (E). Het gaat om 37 nieuwbouwwoningen, inclusief parkeer- en perceelvoorzieningen op de locaties Fort Nieuwersluisstraat 35 tot en met 45 (oneven), Fort Veldhuissingel 72 tot en met 78 (even), Veldhuishof Noord 2 tot en met 22 (even) en Veldhuishof Zuid 1 tot en met 27 (oneven) in Weesp (de projectlocatie). Hiervoor heeft de initiatiefnemer een omgevingsvergunning aangevraagd.

3.       Op de projectlocatie gelden de op 11 juli 2016 vastgestelde bestemmingsplannen "Bloemendalerpolder Weesp" (het bestemmingsplan Weesp) onderscheidenlijk "Bloemendalerpolder voormalig grondgebied Muiden" (het bestemmingsplan Muiden). Ingevolge deze bestemmingsplannen rusten op de projectlocatie de bestemmingen "Woongebied" (artikel 14 van de planregels) en "Waarde - Archeologie 7" (artikel 18 respectievelijk artikel 19 van de planregels).

Ook geldt op de projectlocatie het op 9 juli 2020 vastgestelde exploitatieplan "1e herziening exploitatieplan Bloemendalerpolder" (het exploitatieplan).

4.       Het college is bereid om het bouwplan mogelijk te maken en heeft daarvoor bij besluit van 16 januari 2024 aan de initiatiefnemer een omgevingsvergunning verleend. Het gaat om een omgevingsvergunning voor de activiteiten "bouwen" en "het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º van de Wabo en artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het college heeft zich verder onder meer op het standpunt gesteld dat het bouwplan voor het overige voldoet aan het bestemmingsplan Weesp en het bestemmingsplan Muiden.

Bij besluit op bezwaar van 15 mei 2024 heeft het college de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten. Daarbij heeft het college de motivering van het besluit van 16 januari 2024 aangevuld door alsnog toe te lichten waarom het bouwplan niet in strijd met het exploitatieplan is.

5.       Stichting Flora & Faunabescherming komt op voor de natuurbelangen ter plaatse. Zij kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank van 18 april 2025, waarin de rechtbank haar beroep tegen het besluit op bezwaar van 15 mei 2024 ongegrond heeft verklaard en zij heeft daarom hoger beroep ingesteld. Zij vreest als gevolg van het realiseren van het bouwplan - kort samengevat - aantasting van de natuur, de leefomgeving, het milieu en de landschappelijke waarden. Haar beroep heeft daarmee betrekking op de toetsing aan het bestemmingsplan Weesp, het bestemmingsplan Muiden en (het niet-financiële deel van) het exploitatieplan waarin, onder meer, regels over fasering van de bouw van woningen en (groen)voorzieningen zijn opgenomen.

Juridisch kader

6.       De relevante wettelijke bepalingen en (exploitatie)planregels zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Ontvankelijkheid van Stichting Flora & Faunabescherming

7.       De initiatiefnemer stelt zich op het standpunt dat de rechtbank het beroep van Stichting Flora & Faunabescherming ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. Zij voert daartoe aan dat niet is gebleken dat het besluit van 16 januari 2024 belangen raakt die door Stichting Flora & Faunabescherming krachtens haar doelstelling worden behartigd. Ook verricht Stichting Flora & Faunabescherming geen, of althans onvoldoende, feitelijke werkzaamheden, anders dan het in rechte opkomen tegen besluiten.

7.1.    In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. In artikel 1:2, derde lid, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 26 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2116, moet bij de beoordeling of een dergelijke rechtspersoon feitelijke werkzaamheden verricht, worden uitgegaan van de feitelijke werkzaamheden die de rechtspersoon heeft verricht tot uiterlijk de dag voor het einde van de termijn waarbinnen bezwaar kan worden gemaakt. Verder geldt dat het louter in rechte opkomen tegen besluiten als regel niet wordt aangemerkt als het verrichten van feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Evenmin kunnen als zodanig worden aangemerkt werkzaamheden die daarmee verband houden, zoals het indienen van zienswijzen over ontwerpbesluiten, het vergaren van informatie ten behoeve van bestuursrechtelijke procedures en het via de website informeren van derden over aanhangige of afgeronde procedures. Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:373, en 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:808.

7.2.    Anders dan de initiatiefnemer stelt, acht de Afdeling de statutaire doelen van Stichting Flora & Faunabescherming niet zodanig ruim, dat het gestelde belang onvoldoende onderscheidend zou zijn. Haar statutaire doelstelling beperkt zich tot het behouden en verbeteren van de natuur, de leefomgeving, het milieu en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, terwijl haar geografisch werkgebied zich beperkt tot onder meer en met name de regio Amsterdam-Amstelland, de gemeente Wijdemeren, de gemeente Gooise Meren en de voormalige gemeente Weesp en omstreken en is daarmee voldoende concreet afgebakend.

7.3.    De Afdeling is verder van oordeel dat Stichting Flora & Faunabescherming in de periode tot het instellen van beroep bij de rechtbank voldoende feitelijke werkzaamheden heeft verricht voor de verwezenlijking van haar statutaire doeleinden. De Afdeling stelt op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde op de zitting vast dat de Stichting Flora & Faunabescherming onder meer gesprekspartner is van de gemeente en de initiatiefnemer, informatiemarkten bezoekt, onderzoeksrapporten opstelt en bezoeken aan het gebied tussen Weesp en Muiden in de Bloemendalerpolder aflegt, juist ter voorkoming van juridische procedures. Onder deze omstandigheden kan, anders dan de initiatiefnemer betoogt, niet worden geoordeeld dat de werkzaamheden van Stichting Flora & Faunabescherming uitsluitend zien op het voeren van juridische procedures. Dit betekent dat de rechtbank terecht het belang van Stichting Flora & Faunabescherming rechtstreeks betrokken heeft geacht bij het besluit van 15 mei 2024, waarbij het college de bij het besluit van 16 januari 2024 verleende omgevingsvergunning in stand heeft gelaten. Stichting Flora & Faunabescherming is daarom belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit op bezwaar van 15 mei 2024.

7.4.    De conclusie is dat de rechtbank het beroep van Stichting Flora & Faunabescherming terecht ontvankelijk heeft geacht. Dit betekent dat het betoog van de initiatiefnemer niet slaagt. De Afdeling zal daarom hierna ingaan op de door Stichting Flora & Faunabescherming in hoger beroep aangevoerde beroepsgronden.

Ingetrokken hoger beroepsgronden

8.       Stichting Flora & Faunabescherming heeft haar betogen over artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn op de zitting ingetrokken.

Bezwaarfase

9.       Stichting Flora & Faunabescherming betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de bezwaarprocedure onzorgvuldig is verlopen. Zij voert daartoe aan dat het college een uur voor de hoorzitting nadere stukken van een aanzienlijke omvang heeft ingediend en zij hierdoor onvoldoende de gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren. Hiermee doet zich volgens Stichting Flora & Faunabescherming ook strijd voor met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

9.1.    Op de zitting is komen vast te staan dat het college een uur voor de hoorzitting de bedoelde stukken aan Stichting Flora & Faunabescherming heeft toegezonden. Daarmee heeft de Stichting Flora & Faunabescherming terecht betoogd dat de rechtbank er niet aan voorbij mocht gaan dat het college die nadere stukken in strijd met artikel 7:4, tweede lid, van de Awb, niet ten minste een week voorafgaand aan het horen ter inzage heeft gelegd. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat de Afdeling van oordeel is dat dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1749, onder 3.1). De reden daarvoor is dat Stichting Flora & Faunabescherming door dit gebrek in dit geval niet is benadeeld. Daarbij betrekt de Afdeling de omstandigheid dat Stichting Flora & Faunabescherming na de hoorzitting de gelegenheid heeft gehad om schriftelijk op deze stukken te reageren en van die gelegenheid ook gebruik heeft gemaakt. Ook acht de Afdeling het niet aannemelijk dat derden door het gebrek zijn benadeeld.

Voor zover Stichting Flora & Faunabescherming een beroep heeft gedaan op artikel 6 van het EVRM, slaagt dat niet. Daarbij betrekt de Afdeling niet alleen dat Stichting Flora & Faunabescherming dit betoog niet nader heeft onderbouwd. Maar ook acht de Afdeling van belang dat er - mede gelet op wat hiervoor is overwogen - inhoudelijke geschilbeslechting heeft plaatsgevonden. Het recht op toegang tot de rechter is daarom niet in de kern geschaad.

Inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep

Aanhaakplicht?

10.     Stichting Flora & Faunabescherming betoogt dat de rechtbank op onjuiste gronden tot de conclusie is gekomen dat geen aanhaakplicht bestond in verband met gebiedsbescherming. Zij voert aan dat het college onvoldoende onderzoek heeft laten doen naar de negatieve effecten op habitattypen en wezenlijke waarden en kenmerken van de nabijgelegen Natura-2000 gebieden "Markermeer & IJmeer" en "Naardermeer" in zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Volgens Stichting Flora & Faunabescherming is aannemelijk dat de stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase leidt tot significante nadelige effecten op deze Natura 2000-gebieden. Stichting Flora & Faunabescherming heeft daartoe onder meer de notitie "Rho berekeningen oktober 2024" van Apollon Milieu van 14 november 2024, en een aanvulling daarop van 2 februari 2026, overgelegd, waaruit volgt dat het college ten onrechte niet alle relevante activiteiten in de aanlegfase heeft betrokken en de uitgangspunten voor de gebruiksfase van de woningen, zoals verkeer en stookactiviteiten, in het geheel achterwege heeft gelaten.

10.1.  De aanhaakplicht houdt het volgende in.

Als voor een activiteit naast een omgevingsvergunning voor bouwen, het uitvoeren van een werk of werkzaamheden, en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Wabo, ook een vergunning of ontheffing in het kader van de Wnb nodig is, kan de aanvrager kiezen of hij deze trajecten afzonderlijk of gecoördineerd wil doorlopen. Alleen als er op het moment van het besluit over de aanvraag om omgevingsvergunning nog geen Wnb-vergunning of ontheffing is aangevraagd of verleend, bestaat op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 2.2aa van het Bor, de verplichting om tegelijkertijd voor die activiteiten een natuurtoestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo aan te vragen.

10.2.  De vergunningaanvraag van 1 november 2023 geeft geen informatie over mogelijke gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het, voor zover hier van belang, gebiedsbeschermingsregime. In de notitie "Onderzoek stikstofdepositie bouwfase" van Cauberg Huygen van 24 oktober 2023 en de daarbij behorende stikstofdepositieberekeningen, die ten grondslag zijn gelegd aan het besluit tot vergunningverlening, is alleen onderzocht of het project in de aanlegfase leidt tot een toename van de stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden "Markermeer & IJmeer" en "Naardermeer". Geconcludeerd wordt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jaar voor de Natura 2000-gebieden, zodat er geen vergunning in het kader van de Wnb vereist is. In deze notitie en de daarbij behorende stikstofdepositieberekeningen is echter niet ingegaan op de stelling van Stichting Flora & Faunabescherming dat aannemelijk is dat de stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase leidt tot significante nadelige effecten op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Dat brengt met zich dat in dit geval niet op basis van de notitie van 24 oktober 2023 en de daarbij behorende stikstofdepositieberekeningen op voorhand kon worden uitgesloten dat het bouwplan leidt tot significante nadelige effecten op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Mede naar aanleiding van het door Stichting Flora & Faunabescherming gemaakte bezwaar, waarin zij in het kader van de aanhaakplicht heeft gewezen op tekortkomingen in voornoemde notitie, had het op de weg van het college gelegen om te onderzoeken of activiteiten, ook in de gebruiksfase, leiden tot een aantasting van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Nu het college dat heeft nagelaten, heeft het onvoldoende onderzocht wat de gevolgen van de beoogde ontwikkeling op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn, mede met het oog op de beantwoording van de vraag of er een aanhaakplicht gold in verband met het gebiedsbeschermingsregime. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Alleen al hierom slaagt het betoog.

10.3.  De Afdeling constateert evenwel dat het college in het kader van de vraag of op het moment van het besluit over de aanvraag om een omgevingsvergunning op 16 januari 2024 een vergunning in het kader van de Wnb vereist was, na het besluit op bezwaar van 15 mei 2024, de notities "Actualisatie onderzoek stikstofdepositie Bloemendalerpolder/Weespersluis" van RHO Adviseurs van 24 oktober 2024, en een aanvulling daarop van 11 december 2025, heeft overgelegd. Daarin wordt ook alsnog onderzocht of het project in de gebruiksfase leidt tot een toename van de stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden "Markermeer & IJmeer" en "Naardermeer". Daarbij stelt de Afdeling vast dat, gelet op wat Stichting Flora & Faunabescherming, onder verwijzing naar de contra-expertise van 14 november 2024 en de notitie van Apollon Milieu van 2 februari 2026, heeft aangevoerd, in dat verband in het bijzonder in geschil is of - in het licht van de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923 - intern gesaldeerd kon worden. Indien naar aanleiding van het voorgaande kan worden vastgesteld dat er op het moment van het besluit over de aanvraag om een omgevingsvergunning op 16 januari 2024 inderdaad geen vergunning in het kader van de Wnb vereist was en dat om die reden geen aanhaakplicht gold, kan dit aanleiding zijn om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het besluit van 15 mei 2024 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand kunnen worden gelaten, mits hierna blijkt dat voor het overige geen grond voor vernietiging bestaat. De Afdeling verwijst voor haar oordeel over de vraag of de rechtsgevolgen in dit geval in stand kunnen worden gelaten naar de slotoverweging onder 19.

Bestaat er strijd met het op de projectlocatie geldende bestemmingsplan Weesp en het bestemmingsplan Muiden?

- Bestemming "Woongebied": structureel groen en water

11.     Stichting Flora & Faunabescherming betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het bouwplan niet heeft getoetst aan artikel 14.1, aanhef en onder e, van de planregels van het bestemmingsplan Weesp en artikel 14.1, aanhef en onder d, van de planregels van het bestemmingsplan Muiden. Volgens haar is het bouwplan in strijd met deze artikelen. Ter onderbouwing daarvan wijst Stichting Flora & Faunabescherming op haar notitie "Berekening oppervlakte in ontwikkeling gebracht en gerealiseerd structureel Groen/blauw Bloemendalerpolder 2025" van 7 november 2025, waaruit volgt dat het bouwplan in de weg staat aan het realiseren en de instandhouding van structureel groen en water van 7 hectare respectievelijk 31 hectare en waarvan de minimale lengte en breedtemaat 50 meter bedraagt.

11.1.  Ingevolge artikel 14.1, aanhef en onder e, van de regels van het bestemmingsplan Weesp en artikel 14.1, aanhef en onder d, van de regels van het bestemmingsplan Muiden zijn de gronden van de projectlocatie onder meer bestemd voor de realisatie en instandhouding van minimaal 7 hectare onderscheidenlijk 31 hectare aan structureel groen en water. Ingevolge artikel 14.4.2 van de regels van de bestemmingsplannen Weesp en Muiden kan het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning hiervan afwijken.

De Afdeling stelt vast dat de raad in deze planregels niet heeft volstaan met het opnemen van een bestemmingsomschrijving, zoals dat gebruikelijk is, maar daarin tevens het structureel groen en water van een minimale omvang heeft benoemd. Deze bestemmingsomschrijving voorziet weliswaar niet in een verplichting om daadwerkelijk structureel groen en water in de genoemde omvang te realiseren, maar, anders dan gebruikelijk is bij dergelijke bestemmingsomschrijvingen, leidt de Afdeling uit deze formulering af dat de raad heeft beoogd dat andere functies dan structureel groen en water alleen zijn toegelaten als er binnen de plandelen met de bestemming "Woongebied" voldoende ruimte resteert om de voorgeschreven minimale omvang aan structureel groen en water te kunnen realiseren. Dat de raad die invulling met deze, op het oog als bestemmingsbeschrijving vormgegeven regel, heeft beoogd, leidt de Afdeling mede af uit het vereiste dat, om af te wijken van die ruimte voor structureel groen en water in de onderscheidenlijke plandelen toepassing moet worden gegeven aan de specifieke binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in artikel 14.4.2 van de planregels. Gezien de formulering van de bestemmingsomschrijving in samenhang met de expliciete mogelijkheid om hier alleen bij omgevingsvergunning van te kunnen afwijken, concludeert de Afdeling - gelet ook op het verhandelde op de zitting - dat de raad met artikel 14.1, aanhef en onder e, van de regels van het bestemmingsplan Weesp en artikel 14.1, aanhef en onder d, van de regels van het bestemmingsplan Muiden uitdrukkelijk heeft beoogd op dit punt niet te volstaan met een omschrijving van de bestemming maar om daar tevens een zelfstandige toetsingsnorm voor de beoordeling van bouwaanvragen in op te nemen.

11.2.  De Afdeling stelt op basis van de stukken en het verhandelde op de zitting evenwel vast dat het college het bouwplan niet heeft getoetst aan artikel 14.1, aanhef en onder e, van de regels van het bestemmingsplan Weesp en artikel 14.1, aanhef en onder d, van de regels van het bestemmingsplan Muiden, althans dat het dit niet heeft gedaan op een kenbare manier. In het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning van 16 januari 2024 staat hierover niets vermeld. Ook in het besluit op bezwaar van 15 mei 2024 is op dit punt niets opgenomen. Evenmin heeft het college van deze artikelen afgeweken met een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 14.4.2 van de planregels van de onderscheidenlijke bestemmingsplannen. Gezien het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de Afdeling niet voldoende inzichtelijk gemaakt dat het bouwen zal kunnen plaatsvinden zonder dat dat ten koste gaat van de voorgeschreven ruimtelijke reservering voor  structureel groen en water. De enkele stelling van het college op de zitting dat er nog voldoende ruimte op de projectlocatie is om dit te realiseren, is onvoldoende, omdat het college deze stelling niet heeft onderbouwd of aangegeven waar de berekening van het minimaal te realiseren aantal hectare aan structureel groen en water te vinden is.

11.3.  Gelet op het voorgaande berust het besluit op bezwaar van 15 mei 2024 in zoverre, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

- Bestemming "Woongebied": maximaal toegestane aantal woningen

12.     Stichting Flora & Faunabescherming betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat ten tijde van de vergunningverlening het maximaal toegestane aantal woningen van 1.550 respectievelijk 1.200 op grond van artikel 14.2.1, aanhef en onder a, van de planregels van het bestemmingsplan Weesp respectievelijk artikel 14.2.1, aanhef en onder a, van de planregels van het bestemmingsplan Muiden al werd overschreden. Daarmee zijn de met het bouwplan toegestane 37 woningen niet in overeenstemming met deze bestemmingsplannen, zo stelt Stichting Flora & Faunabescherming.

12.1.  Ingevolge artikel 14.2.1 van de regels van het bestemmingsplan Weesp onderscheidenlijk Muiden bedraagt het maximum aantal woningen 1.550 respectievelijk 1.200. Ingevolge artikel 14.4.1 kan het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning van deze bouwregel afwijken.

12.2.  Vast staat dat het college niet met een omgevingsvergunning is afgeweken van het bepaalde in artikel 14.2.1 van de regels van de onderscheidenlijke bestemmingsplannen. Dan resteert de vraag of het maximum aantal toegestane woningen van 1.550 respectievelijk 1.200 op grond van de onderscheidenlijke bestemmingsplannen met het voorliggende bouwplan voor 37 woningen wordt overschreden. Daarover overweegt de Afdeling het volgende.

Uit een door de initiatiefnemer overgelegd overzicht van verleende vergunningen, dat dateert van 1 februari 2024, volgt dat op dat moment in het plangebied van het bestemmingsplan Weesp 1.474 woningen waren vergund en in het plangebied van het bestemmingsplan Muiden 650 woningen. Hieruit volgt dat ten tijde van de vergunningverlening op 16 januari 2024 het maximaal toegestane aantal woningen van 1.550 respectievelijk 1.200 op grond van de onderscheidenlijke bestemmingsplannen niet werd overschreden, zelfs niet als de 37 woningen volledig aan een van de bestemmingsplannen zouden worden toegewezen. Stichting Flora & Faunabescherming heeft weliswaar betwist dat het overzicht van 1 februari 2024 juist is door eigen overzichten van het aantal vergunde woningen in de plangebieden te overleggen, maar zij heeft niet met concrete argumenten aannemelijk gemaakt dat het door de initiatiefnemer overgelegde overzicht van 1 februari 2024 onjuist is. Het voorgaande leidt de Afdeling ertoe dat de rechtbank, zij het op andere gronden, terecht tot de conclusie is gekomen dat het bouwplan op dit punt niet in strijd is met het bestemmingsplan Weesp en het bestemmingsplan Muiden. Wat Stichting Flora & Faunabescherming voor het overige nog heeft aangevoerd over de vraag aan welk bestemmingsplan de met het bouwplan toegestane woningen zijn toegekend, kan, gelet op wat daarover hiervoor is overwogen, verder buiten beschouwing worden gelaten.

Het betoog slaagt niet.

- Bestemming "Waarde - Archeologie 7"

13.     Stichting Flora & Faunabescherming betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning geen rapport aan het college overgelegd hoefde te worden waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgelegd, zoals bedoeld in artikel 18.3.3 van de regels van het bestemmingsplan Weesp en artikel 19.3.3 van de regels van het bestemmingsplan Muiden.

13.1.  Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste zich verzet tegen vernietiging van het besluit van 15 mei 2024 vanwege deze hoger beroepsgrond.

13.2.  Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in hoger beroep komt.

13.3.  Zoals onder 7.2 is vermeld, komt Stichting Flora & Faunabescherming volgens haar statutaire doelstelling op voor het behouden en verbeteren van de natuur, de leefomgeving, het milieu en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in, onder meer, Weesp en omstreken in het algemeen en de bescherming van de flora en fauna in het bijzonder en het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn. Het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb staat eraan in de weg dat een rechtspersoon, die in rechte opkomt voor een algemeen belang, zich succesvol kan beroepen op de schending van rechtsnormen die kennelijk niet strekken tot de bescherming van de algemene belangen die zij krachtens haar statutaire doelstelling in het bijzonder behartigt. Het betoog over archeologische waarden houdt geen verband met de belangen die Stichting Flora & Faunabescherming krachtens haar statutaire doelstelling in het bijzonder behartigt. Voor zover Stichting Flora & Faunabescherming erop heeft gewezen dat cultuurhistorische waarden en archeologische waarden onlosmakelijk met elkaar samenhangen en aldus verbonden zijn, volgt de Afdeling dit betoog niet. Daarvoor acht zij van belang dat uit eerdere uitspraken van de Afdeling volgt dat voor de toepassing van artikel 8:69a van de Awb onderscheid wordt gemaakt tussen normen ter bescherming van archeologische waarden en normen ter bescherming van cultuurhistorische waarden (zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.71 e.v.) en niet is gebleken dat de cultuurhistorische waarden en archeologische waarden elkaar in dit geval overlappen. Gelet op het voorgaande staat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste voor Stichting Flora & Faunabescherming in de weg aan inhoudelijke bespreking van deze hoger beroepsgrond.

Bestaat er strijd met het op de projectlocatie geldende exploitatieplan?

- Relativiteit

14.     De initiatiefnemer stelt zich op het standpunt dat de rechtbank het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a van de Awb aan Stichting Flora & Faunabescherming had moeten tegenwerpen, voor zover dit het in acht nemen van het ruimtelijk deel en de fasering in een exploitatieplanregel met ruimtelijke gevolgen uit het exploitatieplan betreft. De initiatiefnemer stelt dat de ingeroepen normen in zoverre kennelijk niet strekken ter bescherming van enig belang van Stichting Flora & Faunabescherming, maar uitsluitend tot de belangen van de ontwikkelende partijen.

14.1.  Zoals onder 13.2 is overwogen, houdt het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb in dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

14.2.  De Afdeling stelt vast dat het hoger beroep van Stichting Flora & Faunabescherming, voor zover dat betrekking heeft op het exploitatieplan, is gericht op de toetsing aan het zogenoemde niet-financiële deel van het exploitatieplan (vgl. de uitspraak van 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3180, onder 4.2). Stichting Flora & Faunabescherming beroept zich aldus op de norm van een goede ruimtelijke ordening (artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Deze norm strekt ook tot bescherming van algemene belangen, waaronder - zoals onder 7.2 is vermeld - in elk geval het belang van Stichting Flora & Faunabescherming bij het behouden en verbeteren van de natuur, de leefomgeving, het milieu en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden op de locatie. Anders dan de initiatiefnemer naar voren brengt, is deze doelstelling niet veelomvattend. Gelet op het voorgaande is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a van de Awb in zoverre niet aan Stichting Flora & Faunabescherming kan worden tegengeworpen.

Het betoog slaagt niet.

- Artikelen 4.3, 4.4 en 4.8 van het exploitatieplan

15.     Stichting Flora & Faunabescherming betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan niet in strijd is met artikelen 4.3, 4.4 en 4.8 van het exploitatieplan.

Stichting Flora & Faunabescherming voert daartoe allereerst aan dat de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2825, uitgaat van een onjuiste definitie van "parallelle ontwikkeling" als bedoeld in artikel 4.3 van de exploitatieplanregels. Volgens haar voldoet het bouwplan niet aan de voorwaarde van een parallelle ontwikkeling van groen en woningbouw als bedoeld in artikel 4.3 van de exploitatieplanregels, omdat het bouwplan alleen voorziet in woningbouw. Verder blijft de ontwikkeling van groenvoorzieningen volgens Stichting Flora & Faunabescherming ver achter bij die van woongebieden. Ter onderbouwing van dat standpunt verwijst zij onder meer naar een door haar opgestelde notitie "Berekening oppervlakte gerealiseerd structureel Groen/blauw Bloemendalerpolder 2024" van 10 november 2024.

Daarnaast betwist Stichting Flora & Faunabescherming dat de artikelen 4.4 en 4.8 van de exploitatieplanregels niet meer gelden voor een bouwplan voor woningen boven de 1.500e woning, respectievelijk de 340e woning in het exploitatiegebied, omdat deze artikelen zinledig worden als de lijn van de rechtbank wordt gevolgd. Stichting Flora & Faunabescherming betwist verder dat voldaan wordt aan artikel 4.4 van de exploitatieplanregels, omdat de verplichte 37,6 ha aan structureel groen en water, gelet op de verdichting van het gebied, niet meer gerealiseerd kan worden. Verder is de aanleg van groen en water niet in ontwikkeling gebracht zoals bedoeld in dit artikel, omdat er geen meldingen bekend zijn van werken en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 2.2 van de exploitatieplanregels. Ook betwist Stichting Flora & Faunabescherming dat de zogenoemde ontsluitingsweg als tweede ontsluitingsweg kan worden beschouwd, zoals bedoeld in artikel 4.8 van de exploitatieplanregels.

De aangevraagde omgevingsvergunning had dan ook geweigerd moeten worden op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, zo stelt Stichting Flora & Faunabescherming.

15.1.  Voor zover de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd dat uit de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021 valt af te leiden dat voor "parallelle ontwikkeling" als bedoeld in artikel 4.3 van de exploitatieplanregels volstaat dat de plannen voor groenvoorzieningen en woongebieden in samenhang zijn gemaakt en voldoende vaststaan door een begin van uitvoering, berust dat oordeel op een onjuiste lezing van die uitspraak. De Afdeling heeft zich in deze uitspraak niet uitgelaten over de vraag wat in artikel 4.3 van de exploitatieplanregels moet worden verstaan onder "parallelle ontwikkeling" van groenvoorzieningen en woongebieden. Naar het oordeel van de Afdeling is het betoog van Stichting Flora & Faunabescherming in zoverre juist dat de rechtbank ten onrechte op grond van de omstandigheden dat parallel aan het verlenen van vergunningen voor woningbouw ook groengebieden en waterpartijen zijn gepland én de initiatiefnemer heeft toegelicht dat een aanvang is gemaakt met werkzaamheden ter uitvoering van deze plannen voor groen en woningbouw, de conclusie heeft getrokken dat het bouwplan om die reden voldoet aan artikel 4.3 van de exploitatieplanregels. Maar dit leidt in zoverre niet tot vernietiging van de rechtbankuitspraak, omdat de rechtbank terecht, zij het op onjuiste gronden, tot het oordeel is gekomen dat het bouwplan voldoet aan artikel 4.3 van de exploitatieplanregels. Daartoe overweegt de Afdeling dat een letterlijke lezing van het begrip "parallelle ontwikkeling" in artikel 4.3 van de exploitatieplanregels leidt tot de conclusie dat dit er alleen in voorziet dat de ontwikkeling van groengebieden en woongebieden in zijn geheel en over de tijd bezien een gelijke tred houdt, maar dit houdt - anders dan Stichting Flora & Faunabescherming impliceert - geen resultaatsverplichting in. De bewuste exploitatieplanregel regelt in zoverre dus niet op welke wijze een individueel bouwplan dat betrekking heeft op een beperkt deel van het gehele exploitatieplangebied - zoals hier - verhoudingsgewijs, gelet op groen en woningen, moet worden ingevuld. Het standpunt van Stichting Flora & Faunabescherming op de zitting dat het bouwplan alleen in woningbouw voorziet en om die reden strijdt met artikel 4.3 van de exploitatieplanregels, volgt de Afdeling daarom niet. Ook is de Afdeling niet gebleken, ook niet uit het door Stichting Flora & Faunabescherming overgelegde notitie van 10 november 2024, dat er op dit moment geen, althans onvoldoende groenvoorzieningen in het exploitatieplangebied in ontwikkeling zijn gebracht en dat er om die reden geen sprake zou zijn van parallelle ontwikkeling in de hier bedoelde zin. Het voorgaande leidt de Afdeling tot de conclusie dat het betoog van Stichting Flora & Faunabescherming dat het bouwplan niet voldoet aan artikel 4.3 van de exploitatieplanregels niet slaagt.

15.2.  De Afdeling ziet in wat Stichting Flora & Faunabescherming over de artikelen 4.4 en 4.8 van de exploitatieplanregels heeft aangevoerd evenmin reden voor vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, zijn in de artikelen 4.4 en 4.8 van de exploitatieplanregels toetsmomenten opgenomen ten tijde van het verlenen van de vergunning van de 1.500e respectievelijk 340e woning. Op de zitting is komen vast te staan dat de voorliggende vergunning geen betrekking heeft op deze respectievelijke vergunningen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat aan de artikelen 4.4 en 4.8 van de exploitatieplanregels in dit geval geen betekenis toekomt. Het enkele feit dat, zoals Stichting Flora & Faunabescherming naar voren brengt, alleen aan deze artikelen van de exploitatieplanregels getoetst kan worden bij het verlenen van de vergunning van de 1.500e respectievelijk 340e woning maakt niet dat deze regels om die reden zinledig zouden zijn en dit leidt dan ook niet tot een ander oordeel op dit punt.

15.3.  Gelet op het voorgaande leidt wat Stichting Flora & Faunabescherming in het kader van het exploitatieplan heeft aangevoerd niet tot de conclusie dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de omgevingsvergunning niet in strijd met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, van de Wabo heeft verleend.

Het betoog slaagt niet.

Volledigheid en juistheid vergunningaanvraag

16.     Stichting Flora & Faunabescherming betoogt dat de rechtbank ten onrechte artikel 8:69a van de Awb aan haar heeft tegengeworpen voor zover het gaat om de beroepsgrond over artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht (Mor). Volgens haar strekt dat artikel onder meer tot bescherming van het belang van de leefomgeving en het milieu. Er bestaat een reële kans dat vervuiling in het bovenste watervoerende pakket terechtkomt als gevolg van het in de bodem slaan van heipalen, en zich aldus zal verspreiden via het grondwater in een groter gebied dan alleen de projectlocatie, zodat ook haar belangen worden geraakt, zo stelt Stichting Flora & Faunabescherming.

16.1.  De Afdeling overweegt dat het betoog van Stichting Flora & Faunabescherming betrekking heeft op de indieningsvereisten uit de Mor. De enkele omstandigheid dat hieraan niet wordt voldaan, betekent niet dat de omgevingsvergunning niet in stand kan blijven. Het is aan het bestuursorgaan om te beoordelen of bij een aanvraag voldoende gegevens en bescheiden zijn ingediend om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen. De Afdeling ziet in de door Stichting Flora & Faunabescherming gestelde tekortkoming, nog daargelaten de juistheid daarvan, geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich in dit geval redelijkerwijs niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat zij over voldoende gegevens en bescheiden beschikte om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen. Omdat het betoog over artikel 2.4 van de Mor inhoudelijk niet slaagt, behoeft het betoog over de toepassing van artikel 8:69a van de Awb door de rechtbank in dit verband geen bespreking.

Het betoog slaagt niet.

Herhalen en inlassen

17.     Stichting Flora & Faunabescherming heeft in het hogerberoepschrift verzocht de door haar in bezwaar en beroep aangevoerde gronden als herhaald en ingelast te beschouwen. Het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak ingegaan op de gronden die Stichting Flora & Faunabescherming in beroep heeft aangevoerd. Stichting Flora & Faunabescherming heeft in haar hogerberoepschrift, behoudens wat hiervoor is besproken, geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die gronden en argumenten door de rechtbank onjuist, dan wel onvolledig is. Voor zover wordt verwezen naar eerder ingebrachte stukken blijkt uit die enkele verwijzing evenmin waarom Stichting Flora & Faunabescherming het niet eens is met het oordeel van de rechtbank. Het voorgaande vormt naar het oordeel van de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

Verzoek

18.     Voor zover Stichting Flora & Faunabescherming de Afdeling verzoekt om het college op te dragen de initiatiefnemer - indien deze is gestart met de bestreden werkzaamheden - op te dragen herstelwerkzaamheden te doen laten uitvoeren, om de reeds aangerichte schade te doen herstellen en alsnog de verplichte groenvoorzieningen te realiseren, overweegt de Afdeling dat dit verzoek buiten de omvang van het geschil valt en daarom niet ter beoordeling voorligt. De Afdeling laat dit verzoek dan ook buiten beschouwing.

Conclusie hoger beroep

19.     Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover aangevallen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het beroep gegrond en vernietigt het besluit op bezwaar van 15 mei 2024 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Wat onder 10.3 is overwogen, vormt geen aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar van 15 mei 2024 in stand te laten, alleen al niet omdat de Afdeling onder 11.2 een ander gebrek in dat besluit heeft geconstateerd. Het college moet een nieuw besluit op het bezwaar van Stichting Flora & Faunabescherming tegen het besluit van 16 januari 2024 nemen. Daarbij moet het college deze uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, onder 25.1, in acht nemen. Zoals hierboven onder 1 van deze uitspraak is weergegeven, is op dat besluit het recht van toepassing zoals dat onmiddellijk vóór 1 januari 2024 gold.

Judiciële lus

20.     Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.

Proceskosten

21.     Het college moet de proceskosten vergoeden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Stichting Flora & Faunabescherming op de zitting van 13 februari 2026 een proceskostenformulier heeft overgelegd waarin zij onder meer vraagt om vergoeding van deskundigenkosten. Blijkens de door Stichting Flora & Faunabescherming overgelegde factuur gaat het daarbij om kosten voor het opstellen van de notitie van 2 februari 2026. Deze notitie heeft de Afdeling betrokken in haar overweging onder 10.3, maar die overweging leidt niet tot een geslaagd betoog. Daarom komen de kosten van de deskundige niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord­Holland van 18 april 2025 in zaak nr. 24/7225, voor zover aangevallen;

III.      verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.     vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 15 mei 2024, kenmerk JB.24.002572.001;

V.      draagt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op om een nieuw besluit op het bezwaar van Stichting Flora & Faunabescherming te nemen;

VI.     bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij Stichting Flora & Faunabescherming in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.907,85, waarvan een bedrag van € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan Stichting Flora & Faunabescherming het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 950,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Lammers, griffier.

w.g. Besselink
voorzitter

w.g. Lammers
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026

890

BIJLAGE

A. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

B. Algemene wet bestuursrecht

C. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

D. Besluit omgevingsrecht

E. Regeling omgevingsrecht

F. Het bestemmingsplan "Bloemendalerpolder Weesp"

G. Het bestemmingsplan "Bloemendalerpolder voormalig grondgebied Muiden"

H. Het exploitatieplan "1e herziening exploitatieplan Bloemendalerpolder"

A. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 6

1 Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

B. Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:2

1 Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

[…]

3 Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

[…]

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

[…]

Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

[…]

Artikel 7:4

1 Tot tien dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken indienen.

2 Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage.

[…]

Artikel 7:12

1 De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.

[…]

Artikel 8:1

Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

[…]

Artikel 8:69a

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

[…]

8:72

[…]

3 De bestuursrechter kan bepalen dat:

a. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of

[…]

Artikel 8:113

[…]

2 Indien de uitspraak van de hogerberoepsrechter ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, kan de uitspraak tevens inhouden dat beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de hogerberoepsrechter.

[…]

C. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…]

i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.

[...]

Artikel 2.10

1 Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

[…]

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

[…]

D. Besluit omgevingsrecht

Artikel 2.2aa. Activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving (Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten)

Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:

a. het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste en tweede lid, of 9.4, eerste, achtste of negende lid, van die wet, artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding of artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet, voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor dat project geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend;

[…]

E. Regeling omgevingsrecht

Artikel 2.4. Overige voorschriften bouwverordening

In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager ten behoeve van toetsing aan de overige voorschriften van de bouwverordening een onderzoeksrapport betreffende verontreiniging van de bodem, gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

F. Het bestemmingsplan "Bloemendalerpolder Weesp"

Artikel 14 Woongebied

14.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

e. realisatie en instandhouding van minimaal 7 ha aan structureel groen en water;

[…]

14.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

14.2.1 Algemeen

a. het maximum aantal woningen bedraagt 1.550;

[…]

14.4 Afwijken van de bouwregels

14.4.1 Woningaantal

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 14.2.1 onder a voor de realisatie van minimaal 1250 woningen en maximaal 1850 woningen, met dien verstande dat het totaal aantal woningen binnen deze bestemming én op de gronden bestemd voor 'Woongebied' zoals bedoeld in bestemmingsplan 'Bloemendalerpolder voormalig grondgebied Muiden' gezamenlijk niet meer dan 2.750 bedraagt.

14.4.2 Oppervlakte structureel groen en water

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 14.1 onder e voor wat betreft de minimale oppervlakte aan structureel groen en water, met dien verstande dat het totaal oppervlakte aan structureel groen en water binnen deze bestemming én op de gronden bestemd voor 'Woongebied' zoals bedoeld in bestemmingsplan 'Bloemendalerpolder voormalig grondgebied Muiden' gezamenlijk minimaal 38 ha bedraagt.

[…]

Artikel 18 Waarde - Archeologie 7

[…]

18.3 Afwijken van de bouwregels

[…]

18.3.3 Voorwaarden

De omgevingsvergunning wordt niet eerder verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

[…]

G. Het bestemmingsplan "Bloemendalerpolder voormalig grondgebied Muiden"

Artikel 14 Woongebied

14.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

d. realisatie en instandhouding van minimaal 31 ha aan structureel groen en water;

[…]

14.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

14.2.1 Algemeen

a. het maximum aantal woningen bedraagt 1.200;

[…]

14.4 Afwijken van de bouwregels

14.4.1  Woningaantal

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 14.2.1 onder a voor de realisatie van minimaal 1250 woningen en maximaal 1850 woningen, met dien verstande dat het totaal aantal woningen binnen deze bestemming én op de gronden bestemd voor 'Woongebied' zoals bedoeld in bestemmingsplan 'Bloemendalerpolder voormalig grondgebied Muiden' gezamenlijk niet meer dan 2.750 bedraagt.

14.4.2 Oppervlakte structureel groen en water

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 14.1 onder c voor wat betreft de minimale oppervlakte aan structureel groen en water, met dien verstande dat het totaal oppervlakte aan structureel groen en water binnen deze bestemming én op de gronden bestemd voor 'Woongebied' zoals bedoeld in bestemmingsplan 'Bloemendalerpolder Muiden' gezamenlijk minimaal 38 ha bedraagt.

[…]

Artikel 19 Waarde - Archeologie 7

[…]

19.3 Afwijken van de bouwregels

[…]

Artikel 19.3.3 Voorwaarden

De omgevingsvergunning wordt niet eerder verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

[…]

H. Het exploitatieplan "1e herziening exploitatieplan Bloemendalerpolder"

Artikel 2 Eisen en regels met betrekking tot werken en werkzaamheden en de uitvoering ervan

[…]

Melding van voorgenomen aanvang van uitvoering van werken en werkzaamheden

2.2

2.2.1 Ten minste 8 weken vóór de voorgenomen aanvang van de uitvoering van werken en werkzaamheden wordt daarvan door de exploitant schriftelijk melding gedaan aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen de werken en werkzaamheden worden uitgevoerd.

2.2.2 Bij die melding word het proces-verbaal van aanbesteding gevoegd, dat in ieder geval inhout op welke wijze de opdracht voor de uitvoering van werken en werkzaamheden is gegund.

[…]

Artikel 4 Regels met betrekking tot de fasering en koppelingen tussen werken, werkzaamheden en bouwplannen

[…]

4.3 Om te voldoen aan de afspraken in de SUOK dient de ontwikkeling van groengebieden parallel plaats te vinden aan de ontwikkeling van woongebieden.

4.4 de vergunning voor het bouwen van de 1500e woning in het exploitatiegebied kan niet worden verleend voordat 50% van het te realiseren structureel groen en blauw in ontwikkeling is gebracht. Onder ‘in ontwikkeling is gebracht’ wordt verstaan: gronden waarvoor ten minste werken en werkzaamheden zijn gemeld, zoals bedoeld in 2.2.

[…].

4.8 de vergunning voor het bouwen van de 340e woning in het exploitatiegebied kan niet worden verleend voordat voldoende verzekerd is dat er minimaal twee ontsluitingswegen zijn gerealiseerd waardoor deze woningen worden ontsloten en die geschikt zijn voor woonverkeer op het moment dat de 340e woning in gebruik zal worden genomen.

[…]

Persaankondiging

Woonwijk Weespersluis in Bloemendalerpolder

Uitspraak over de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft verleend voor de bouw van 37 nieuwbouwwoningen inclusief parkeer- en perceelvoorzieningen in Weesp. De vergunning is verleend in het kader van het project Bloemendalerpolder/Weespersluis (deelplan 2B3-2(E)) aan de Fort Nieuwersluisstraat, de Fort Veldhuissingels, de Veldhuishof Noord en Veldhuishof Zuid. Dit is een deelgebied van het project dat de herontwikkeling mogelijk maakt van een landbouwgebied tussen Weesp en Muiden in de Bloemendalerpolder tot een nieuwe woonwijk Weespersluis met 2.750 woningen. Stichting Flora & Faunabescherming kwam eerder tegen de vergunning in beroep bij de rechtbank Noord-Holland, maar die verklaarde haar beroep ongegrond. De stichting is van mening dat de omgevingsvergunning niet voldoet aan de planologische regels en het exploitatieplan. Zij vreest dat onvoldoende rekening is gehouden met natuur en milieu. De stichting is tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Die heeft de zaak op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Onlangs, op 3 juni 2026, vernietigde de Afdeling bestuursrechtspraak het wijzigingsbesluit ‘Omgevingsplan gemeente Amsterdam: intrekken 1e herziening exploitatieplan Bloemendalerpolder’. De gemeenteraad van Amsterdam mocht het exploitatieplan voor de nieuwe woonwijk in de Bloemendalerpolder niet intrekken. Dat betekent dat het exploitatieplan weer deel uitmaakt van het omgevingsplan.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon