Uitspraak 202402010/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3364
- Datum uitspraak
- 10 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 28 april 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch een verzoek van [appellant] om wijziging van gegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. [appellant] staat in de brp ingeschreven als [naam 1], geboren op [geboortedatum] 1986 in [plaats], Irak. Deze gegevens zijn ontleend aan een door hem afgelegde verklaring onder ede bij zijn vestiging in Nederland op 18 augustus 2004. [appellant] heeft op 11 januari 2022 verzocht om wijziging van zijn gegevens in de brp naar [naam 2], geboren op [geboortedatum] 1983 in [plaats], Irak. Ook heeft [appellant] verzocht om wijziging van de gegevens van zijn vader en moeder en opneming van gegevens van zijn partner. De rechtbank heeft geoordeeld dat de door [appellant] overgelegde documenten brondocumenten zijn. [appellant] heeft alleen geen consistente verklaringen afgelegd over hoe hij de documenten in Irak heeft verkregen. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de openbare orde zich verzet tegen het verwerken van de door hem gewenste gegevens in de brp.
- Hoger beroep
- Basisregistratie
Toon inhoud
202402010/1/A3.
Datum uitspraak: 10 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in 's-Hertogenbosch,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 februari 2024 in zaak nr. 23/2977 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.
Procesverloop
Bij besluit van 28 april 2023 heeft het college een verzoek van [appellant] om wijziging van gegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen.
Bij besluit van 10 oktober 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. A. Orhan, advocaat in Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door M. de Pagter, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] staat in de brp ingeschreven als [naam 1], geboren op [geboortedatum] 1986 in [plaats], Irak. Deze gegevens zijn ontleend aan een door hem afgelegde verklaring onder ede bij zijn vestiging in Nederland op 18 augustus 2004. [appellant] heeft op 11 januari 2022 verzocht om wijziging van zijn gegevens in de brp naar [naam 2], geboren op [geboortedatum] 1983 in [plaats], Irak. Ook heeft [appellant] verzocht om wijziging van de gegevens van zijn vader en moeder en opneming van gegevens van zijn partner.
1.1. [appellant] heeft bij zijn verzoek de volgende documenten overgelegd, die door Bureau Documenten op echtheid zijn beoordeeld:
- een Nederlands paspoort van [naam 1], afgegeven op [datum] 2015;
- een geboorteakte van [naam 2], afgegeven op [datum] 2021;
- een Iraaks paspoort van [naam 2], afgegeven op [datum] 2021;
- een Iraakse identiteitskaart, afgegeven op 17 september 2018;
- een huwelijksakte tussen [naam 2] en [persoon A], afgegeven op [datum] 2012.
- een huwelijksakte van de ouders, afgegeven op 10 september 2020.
- een DNA-verwantschapsonderzoek uitgevoerd door Verilabs.
1.2. Lopende de procedure heeft [appellant] van verschillende personen het ‘Copy of entry 1957’, ofwel uittreksel 1957, overgelegd. Ook heeft [appellant] een uittreksel van het bevolkingsregister, afgegeven op [datum] 2023, en een kopie van een identiteitskaart, afgegeven op [datum] 1987, overgelegd.
1.3. Het college heeft het verzoek tot wijziging bij het besluit van 28 april 2023 afgewezen omdat geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de afgifte van de geboorteakte. Andere overgelegde documenten zijn verkregen op basis van de geboorteakte, waardoor aan deze documenten volgens het college geen bewijskracht toekomt. Het college heeft de afwijzing bij het besluit van 10 oktober 2023 gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de door [appellant] overgelegde documenten brondocumenten zijn. [appellant] heeft alleen geen consistente verklaringen afgelegd over hoe hij de documenten in Irak heeft verkregen. Hij heeft eerst verklaard de documenten te hebben verkregen op basis van een ‘uittreksel 1957’. In de bezwaarfase heeft hij vervolgens verklaard dat hij de documenten heeft verkregen op basis van een identiteitskaart uit 1987. Volgens de rechtbank heeft het college gemotiveerd aangegeven dat de Iraakse autoriteiten kennelijk zonder behoorlijk onderzoek de documenten hebben verstrekt. Het is ook niet duidelijk geworden op basis van welke documenten het Iraaks paspoort is afgegeven en of een deugdelijk identiteitsonderzoek heeft plaatsgevonden. Het college heeft daarom de gegevens niet hoeven verwerken in de brp. De rechtbank komt ten slotte niet toe aan een beoordeling van het DNA-onderzoek en de gezichtsvergelijking omdat de uitkomsten hiervan een aanvullend karakter hebben en de brondocumenten niet kunnen vervangen.
Wettelijk kader
3. De voor deze zaak van belang zijnde bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de openbare orde zich verzet tegen het verwerken van de door hem gewenste gegevens in de brp. Volgens [appellant] heeft wel deugdelijk onderzoek plaatsgevonden bij het verstrekken van de documenten. De door het college te oud bevonden identiteitskaart is door [appellant] met verdere documenten en ambtsinformatie onderbouwd. De rechtbank werpt [appellant] ten onrechte tegen dat hij gedurende het proces verschillend heeft verklaard. Volgens [appellant] heeft hij niet op dergelijke wijze verklaard. Hij heeft met verklaringen aangetoond dat de oude identiteitskaart ten grondslag ligt aan zijn huwelijk.
Beoordeling
5. In haar uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, heeft de Afdeling haar beoordelingskader, zoals uiteengezet in de uitspraak van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1198, verder gewijzigd of verduidelijkt. De Afdeling zal hierna het hoger beroep van [appellant] behandelen aan de hand van de uitspraak van 22 oktober 2025.
Zijn er brondocumenten overgelegd?
6. [appellant] heeft documenten overgelegd die kunnen worden aangemerkt als brondocumenten in de zin van artikel 2.8, tweede lid, onder c en d, van de Wet basisregistratie personen (Wet brp). Het gaat dan om het Iraaks paspoort, de geboorteakte, de Iraakse identiteitskaart uit 2018, de huwelijksakte uit 2020, twee uittreksels 1957 op naam van [naam 2] en het uittreksel van het bevolkingsregister. Geen brondocumenten zijn de huwelijksakte van de ouders en de uittreksels 1957 die geen betrekking hebben op [appellant] of zijn gestelde identiteit. Ook het Nederlandse paspoort is in dit geval geen brondocument omdat het niet de gewenste identiteit van [appellant] bevat.
6.1. Partijen verschillen van mening of de identiteitskaart uit 1987 een brondocument is. Volgens het college is de identiteitskaart niet op echtheid beoordeeld omdat geen origineel is overgelegd. Hiervoor geldt als regel dat van de aanvrager mag worden verlangd dat hij brondocumenten en andere documenten in origineel overlegt. Soms zal het echter niet mogelijk zijn om originele documenten over te leggen, omdat bijvoorbeeld het originele (bron)document onder de registerhouder of burgerlijke stand van een land moet blijven en alleen een uittreksel of afschrift daarvan verkregen kan worden. Zie de uitspraak van 22 oktober 2025, onder 8.1. [appellant] heeft aangevoerd dat hij niet meer beschikt over het origineel van de identiteitskaart uit 1987 omdat deze is vernietigd toen deze werd vervangen toen hij in 2012 trouwde. De Afdeling acht het aannemelijk dat van [appellant] daarom niet kon worden verlangd de identiteitskaart uit 1987 in origineel over te leggen. De identiteitskaart is daarmee wel een brondocument.
Zijn de brondocumenten rechtsgeldig tot stand gekomen?
7. Dat een document een brondocument is, betekent niet dat de daarin vermelde feiten zonder meer moeten worden verwerkt in de brp. Van belang is dat uit artikel 2.10, tweede lid, van de Wet brp volgt dat aan de brondocumenten geen gegevens mogen worden ontleend voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de daarin vermelde feiten. Het gaat hierbij om de openbare orde in materiële en in processuele zin. Van strijd met de openbare orde is sprake als voorafgaand aan de afgifte van het brondocument kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. De bewijslast dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden, ligt bij het college. De Afdeling verwijst hiervoor verder naar de uitspraken van 4 mei 2022 en 22 oktober 2025.
7.1. Uitgangspunt bij echt bevonden paspoorten is dat behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden en de gegevens juist zijn. Als het college zich op het standpunt stelt dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden, moet het dit aannemelijk maken. Het draagt daarvoor dus de bewijslast. Zie de uitspraak van 22 oktober 2025, onder 7.5.
7.2. Het college stelt zich op het standpunt dat het Iraaks paspoort is afgegeven op basis van een nationale identiteitskaart. Dit strookt met de informatie uit het Algemeen Ambtsbericht Irak 2019. Afgaande op de verklaringen van [appellant] heeft er volgens het college geen behoorlijk onderzoek plaatsgevonden voorafgaand aan de verstrekking van de door [appellant] overgelegde documenten. Het is volgens het college aannemelijk dat geen nieuw onderzoek is gedaan naar de identiteit van [appellant] bij het verstrekken van de identiteitskaart in 2018. De identiteitskaart uit 2018 is afgegeven op basis van documenten die [appellant] eerder van de Iraakse autoriteiten heeft verkregen. Volgens het college is het aannemelijk dat de Iraakse autoriteiten geen nieuw onderzoek hebben gedaan naar de identiteit van [appellant] bij het verstrekken van die identiteitskaart, omdat de identiteitskaart een vervanging was van andere Iraakse documenten. De rechtsgeldigheid van de identiteitskaart staat daarmee niet vast, aldus het college.
7.3. De Afdeling is, gelet op de wijze van afgifte van identiteitskaarten blijkend uit het Algemeen Ambtsbericht Irak 2019 en de door [appellant] afgelegde verklaringen over de verkrijging van de documenten, met het college van oordeel dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden naar de identiteit van [appellant] voorafgaand aan de afgifte van de identiteitskaart uit 2018. Zo zou [appellant] eerst hebben verklaard dat hij de documenten zou hebben verkregen van de burgerlijke stand in Irak bij zijn huwelijk, waar hij een lijst van zijn familie kreeg te zien. Later heeft [appellant] verklaard bij zijn huwelijk een identiteitskaart uit 1987 te hebben overgelegd en vervolgens een nieuwe identiteitskaart te hebben gekregen, zonder dat de Iraakse autoriteiten een aanvullend onderzoek hebben gedaan. Daarom kan niet worden gesteld dat bij de verstrekking van de identiteitskaart uit 2018 behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden naar de identiteit van [appellant]. Ook van de identiteitskaart uit 1987 kan de rechtsgeldigheid niet worden vastgesteld. Omdat het paspoort is afgegeven op basis van de identiteitskaart uit 2018 kunnen daarom ook geen gegevens worden ontleend aan het paspoort. Hetzelfde geldt voor het uittreksel 1957 en het uittreksel van het bevolkingsregister.
7.4. In geschil is niet dat de geboorteakte en de huwelijksakte rechtsgeldig tot stand zijn gekomen. Deze documenten zullen worden betrokken bij het beantwoorden van de volgende vraag.
Kan een verband worden gelegd tussen [appellant] en de gegevens in de brondocumenten?
8. De aanvrager heeft de bewijslast dat het brondocument dat hij ten grondslag legt aan zijn wijzigingsverzoek betrekking heeft op hem. Als het college zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat dat niet zo is, bijvoorbeeld door te wijzen op verschillen tussen uiterlijke kenmerken van de aanvrager en foto’s die voorkomen op die documenten, moet het dat standpunt zo veel mogelijk van bewijs voorzien. De aanvrager moet dan aannemelijk maken dat, kortgezegd, hij wel degene is over wie het document gaat. Dit is mogelijk met alle daartoe dienstige bewijsmiddelen. Dit kan bijvoorbeeld door het inbrengen van de uitkomst van een DNA-onderzoek waaruit volgt dat een verband kan worden gelegd tussen het brondocument en de aanvrager of een fotovergelijking waaruit dit volgt. Zie de uitspraak van 22 oktober 2025, onder 9.
8.1. De geboorteakte vermeldt dat op 1 juli 1983 een persoon is geboren genaamd [naam 2] in [plaats], Irak. De geboorteakte maakt niet aannemelijk dat [appellant] en [naam 2] dezelfde persoon zijn. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [appellant] een DNA-verwantschapsonderzoek van 28 juni 2021, uitgevoerd door Verilabs, overgelegd. Uit dit onderzoek blijkt alleen dat ene [persoon B] en [appellant] afstammen van dezelfde mannelijke lijn. De Afdeling is met het college van oordeel dat met het DNA-onderzoek evenmin aannemelijk is gemaakt dat er daarmee een verband is tussen [appellant] en de persoon op de brondocumenten. Het DNA-onderzoek maakt slechts aannemelijk dat [appellant] en [persoon B] dezelfde vader hebben, maar daaruit blijkt niet wie die vader dan is en of [appellant] eigenlijk [naam 2] is. Ook is over de moederlijke lijn niets bekend. Ten slotte geeft de huwelijksakte tussen [naam 2] en [persoon A] geen uitsluitsel over de vraag of [appellant] de persoon op de brondocumenten is. Uit de huwelijksakte blijkt slechts dat een huwelijk heeft plaatsgevonden tussen deze personen. Daarmee is het verband tussen [appellant] en de persoon op de huwelijksakte niet aannemelijk gemaakt.
9. Nu de rechtsgeldigheid van enkele brondocumenten niet is komen vast te staan en met andere documenten geen verband kan worden gelegd tussen [appellant] en de persoon op de brondocumenten, heeft het college het verzoek tot wijziging van de gegevens in de brp mogen afwijzen. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
10. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bossmann
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026
314-1104
BIJLAGE
Wet basisregistratie personen
Artikel 2.8
(…)
2. De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:
a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;
b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;
c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;
e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.
(…)
Artikel 2.10
(…)
2. Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 2.8, derde lid, worden geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.
3. Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d en e, worden geen gegevens ontleend, indien aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.
(…)
Artikel 2.58
1. Het verzoek waarmee betrokkene met betrekking tot de basisregistratie het recht uitoefent op rectificatie van gegevens, bedoeld in artikel 16 van de verordening, of op wissing van gegevens, bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de verordening, bevat de aan te brengen wijzigingen.
2. Het college van burgemeester en wethouders geeft aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling.
(…)
Artikel 2.60
Een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om:
a. aan een aangifte geen of slechts ten dele gevolg te geven;
b. een gegeven over de burgerlijke staat niet op te nemen, dan wel een geschrift daarover dat als akte is aangeboden niet als zodanig aan te merken;
c. een gegeven over de nationaliteit niet op te nemen;
(…)
g. niet te voldoen aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 2.55 tot en met 2.59,
wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.