Uitspraak BRS.26.001501
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3260
- Datum uitspraak
- 16 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 14 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.001501
ECLI:NL:RVS:2026:3260
Datum uitspraak: 16 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant 1] en [appellant 2], mede voor hun minderjarige kinderen
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 20 maart 2026 in zaken nrs. NL25.56269 en NL25.54472 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 14 november 2025 heeft de minister aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 20 maart 2026 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat in Sittard, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellanten klagen in zijn algemeenheid over de verenigbaarheid met het Unierecht van het gewijzigde beoordelingskader van voor de geloofwaardigheid van het asielrelaas. De rechtbank is uitgebreid ingegaan op de tegenwerpingen van de minister. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister heeft kunnen concluderen dat de verklaringen van appellanten geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Appellanten bestrijden dit oordeel van de rechtbank niet inhoudelijk.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellanten opgeworpen vraag of het in deze zaak toegepaste toetsingskader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling in overeenstemming is met de verplichting uit het Unierecht om alle relevante feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang te bezien en daarbij alle verklaringen en documenten te betrekken, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.P.G. van Bekhoven, griffier.
w.g. Essenburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Bekhoven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026
959