Uitspraak BRS.26.000311
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2934
- Datum uitspraak
- 22 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 3 en 10 december 2024 en 4 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.000311
ECLI:NL:RVS:2026:2934
Datum uitspraak: 22 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant 1] en [appellant 2], mede voor hun kinderen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 december 2025 in zaken nrs. NL25.17500, NL25.17501 en NL25.20936 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 3 en 10 december 2024 en 4 februari 2025 heeft de minister aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen te verlenen, afgewezen.
Bij besluiten van 17 maart 2025 en 9 april 2025 heeft de minister de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 december 2025 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. S.J. Koolen, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellanten klagen in hun enige grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen aanleiding bestaat om appellanten vrij te stellen van een middelenvereiste. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat haar niet is gebleken van onevenredige gevolgen van de tegenwerping van dat middelenvereiste of van een aan de situatie van appellanten soortgelijke situatie waarin een vreemdeling wel een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd heeft verkregen. Appellanten voeren niet concreet aan welke onevenredige gevolgen zij ondervinden van de afwijzing van hun aanvragen in deze procedure. Appellanten wijzen namelijk op gevolgen van het feit dat de minister aan hen in een eerdere procedure geen verblijfsvergunning heeft verleend in verband met nareis op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000. Verder volgt uit een vergelijking met de feitelijke situatie van nareizigers niet dat voor een andere vreemdeling, die een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wil verkrijgen, geen middelenvereiste geldt.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellanten opgeworpen vragen over artikel 5 van de Richtlijn langdurig ingezetenen en artikel 15 van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.
w.g. Essenburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Jongeneel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026
958