Uitspraak 202403940/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2812
- Datum uitspraak
- 19 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht .
- Hoger beroep
- Schadevergoeding
Toon inhoud
202403940/1/V1.
Datum uitspraak: 19 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).
Procesverloop
Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. F. Zeven, advocaat in Amsterdam, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 juni 2024 in zaak nr. NL24.17317.
De minister van Asiel en Migratie heeft een nader stuk ingediend.
Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij haar opgekomen proceskosten.
Overwegingen
Het verzoek om een proceskostenveroordeling
1. Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan verzoeker is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door toedoen van de minister is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).
2. Het hoger beroep gaat over de rechtmatigheid van het door de minister verlengen van de beslistermijn met WBV 2023/3 in asielzaken. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, hierover prejudiciële vragen gesteld. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 5 maart 2026, Safita, ECLI:EU:C:2026:160, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling moet hierover eerst nog einduitspraak doen. Het antwoord op de rechtsvraag of de minister die beslistermijn rechtmatig heeft verlengd, heeft in dit geval geen invloed op de vraag of verzoeker haar proceskosten vergoed moet krijgen. In dit geval heeft de minister op 26 maart 2026 een besluit genomen op de aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De minister heeft, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
3. De Afdeling wijst het verzoek toe. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Het besluit van 26 maart 2026
4. De minister heeft in het besluit van 26 maart 2026 de asielaanvraag van verzoeker ingewilligd. Verzoeker heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet laten weten het niet eens te zijn met dit besluit. Er is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026
392