Uitspraak BRS.25.002422
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2537
- Datum uitspraak
- 6 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.25.002422
ECLI:NL:RVS:2026:2537
Datum uitspraak: 6 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 5 december 2025 in zaak nr. NL25.57093 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 20 november 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 5 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De eerste grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het rechtsgeldig genomen terugkeerbesluit kan dienen als terugkeerbesluit waarop de minister de bewaring mocht baseren. Uit de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329, onder 11 tot en met 11.2, volgt dat de bewaringsrechter ook na het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647, niet mag oordelen over de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit. Ook niet door te beoordelen of de minister bij de vaststelling van het terugkeerbesluit voldoende rekening heeft gehouden met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. Wel moet de rechtbank beoordelen of de minister in de maatregel van bewaring voldoende kenbaar heeft gemaakt dat hij het beginsel van non-refoulement heeft geëerbiedigd. Vergelijk de uitspraak van 12 februari 2026, onder 15 en 15.1. Dat heeft de rechtbank in dit geval gedaan.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de eerste grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Ook de tweede tot en met de zevende grief leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze grieven geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (het arrest Remling, punten 24 en 31).
3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026
872-1086