Uitspraak 202500792/2/R3 en 202503460/2/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2523
- Datum uitspraak
- 6 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij brief, ingekomen op 16 april 2026, heeft [verzoeker] verzocht om wraking van staatsraad mr. J. Gundelach als lid van de enkelvoudige kamer belast met de behandeling van de zaken met nummers 202500792/1/R3 en 202503460/2/R3 (hoofdzaken). Bij brief van 6 februari 2026 is [verzoeker] uitgenodigd voor een zitting op 17 april 2026 voor de behandeling van de hoofdzaken. Omdat hij in Duitsland woont, heeft hij bij brief van 5 april 2026 verzocht om digitaal deel te nemen. Dit verzoek is bij brief van 9 april 2026, door [verzoeker] per post ontvangen op 15 april 2026, afgewezen gelet op de voorgeschiedenis van deze procedures. De Afdeling deelt niet het standpunt van [verzoeker] dat de staatsraad vooringenomen en partijdig is, of de schijn daarvan heeft gewekt. De afwijzingen van de verzoeken om de zitting (deels) digitaal te laten plaatsvinden, uit te stellen of achterwege te laten, zijn processuele beslissingen. Dit geldt ook voor de overige handelingen en beslissingen waar [verzoeker] over klaagt, waaronder de mogelijkheid om omvangrijke en technisch ingewikkelde stukken buiten beschouwing te laten, de al dan niet voldoende duidelijk geboden termijn om gronden aan te voeren en de keuze om via post te corresponderen. De vraag of deze beslissingen juist zijn en deugdelijk zijn gemotiveerd, staat niet ter discussie in de wrakingsprocedure.
- Wraking
- RO - Overige
Toon inhoud
202500792/2/R3 en 202503460/2/R3.
Datum beslissing: 6 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats], Duitsland,
verzoeker,
om toepassing van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Procesverloop
Bij brief, ingekomen op 16 april 2026, heeft [verzoeker] verzocht om wraking van staatsraad mr. J. Gundelach als lid van de enkelvoudige kamer belast met de behandeling van de zaken met nummers 202500792/1/R3 en 202503460/2/R3 (hoofdzaken).
De staatsraad heeft niet in de wraking berust.
De staatsraad heeft een schriftelijke reactie gegeven.
De Afdeling heeft het verzoek om wraking op een zitting behandeld op 29 april 2026, waar [verzoeker], via een videoverbinding is verschenen.
De staatsraad heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Overwegingen
1. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Bij brief van 6 februari 2026 is [verzoeker] uitgenodigd voor een zitting op 17 april 2026 voor de behandeling van de hoofdzaken. Omdat hij in Duitsland woont, heeft hij bij brief van 5 april 2026 verzocht om digitaal deel te nemen. Dit verzoek is bij brief van 9 april 2026, door [verzoeker] per post ontvangen op 15 april 2026, afgewezen gelet op de voorgeschiedenis van deze procedures. Bij brief van 15 april 2026 heeft [verzoeker] daartegen bezwaar gemaakt. Ook heeft hij verzocht om uitstel van de zitting en indien dit niet mogelijk is om de hoofdzaken af te doen zonder zitting, zodat hij niet ten opzichte van de wederpartij wordt benadeeld. Bij brief van 15 april 2026 zijn beide verzoeken afgewezen.
3. [verzoeker] heeft aan zijn verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de staatsraad vooringenomen en partijdig is, althans de schijn daarvan heeft gewekt. Volgens [verzoeker] deed zij dat door zijn verzoeken om de zitting (deels) digitaal te laten plaatsvinden, uit te stellen of achterwege te laten, zonder deugdelijke motivering af te wijzen. [verzoeker] betoogt ook dat hij geen expliciete reactie heeft gekregen op zijn verzoek om per e-mail te corresponderen. Hij vernam dat dit verzoek is afgewezen doordat hij na dit verzoek per post brieven van de Afdeling ontving. Verder betoogt [verzoeker] dat hij is benadeeld ten opzichte van de wederpartij doordat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn pro-formaberoepschrift aan te vullen met gronden en hij niet in de gelegenheid is gesteld om verhinderdata op te geven. Daarnaast staat in de brief van 6 februari 2026 vermeld dat nadere stukken vóór 6 april 2026 moeten worden ingediend, maar dat ongeacht deze termijn omvangrijke of technisch ingewikkelde stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Ook hieruit volgt dat de staatsraad partijdig heeft gehandeld en niet onafhankelijk is. [verzoeker] merkt op dat hij vermoedt dat deze beslissingen zijn genomen door de griffie, maar dat de staatsraad hiervoor verantwoordelijk is en hij daarom het verzoek om wraking tot haar richt.
4. De Afdeling deelt niet het standpunt van [verzoeker] dat de staatsraad vooringenomen en partijdig is, of de schijn daarvan heeft gewekt. De afwijzingen van de verzoeken om de zitting (deels) digitaal te laten plaatsvinden, uit te stellen of achterwege te laten, zijn processuele beslissingen. Dit geldt ook voor de overige handelingen en beslissingen waar [verzoeker] over klaagt, waaronder de mogelijkheid om omvangrijke en technisch ingewikkelde stukken buiten beschouwing te laten, de al dan niet voldoende duidelijk geboden termijn om gronden aan te voeren en de keuze om via post te corresponderen. De vraag of deze beslissingen juist zijn en deugdelijk zijn gemotiveerd, staat niet ter discussie in de wrakingsprocedure. Wraking is volgens vaste rechtspraak niet bedoeld als rechtsmiddel tegen processuele beslissingen. Zulke beslissingen kunnen alleen tot wraking leiden als deze op zichzelf, of in onderlinge samenhang bezien, een zeer duidelijke en zwaarwegende aanwijzing opleveren dat de staatsraad die de beslissing heeft genomen daarbij vooringenomen of partijdig is geweest. Uit de processuele beslissingen die zijn genomen, is naar het oordeel van de Afdeling niet gebleken dat de staatsraad vooringenomen of partijdig is en ook niet dat de schijn daarvan is gewekt. Dit geldt ook voor het handelen van de griffie onder de verantwoordelijkheid van de staatsraad.
5. Het verzoek om wraking van de staatsraad wordt afgewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. Meijer
voorzitter
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026
853