Uitspraak 202407418/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2130
- Datum uitspraak
- 8 april 2026
- Inhoudsindicatie
- [appellant] en [partij] hebben samen een dochter. [appellant] heeft zijn dochter erkend en zij draagt sinds geboorte de geslachtsnaam van haar vader. [appellant] en [partij] hebben geen relatie meer. Op 15 november 2022 heeft [partij] verzocht om wijziging van de geslachtsnaam van haar dochter. De staatssecretaris voor Rechtsbescherming heeft dit verzoek bij besluit van 18 augustus 2023 toegewezen. Bij besluit van 21 november 2023 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft eerst overwogen dat uit de basisregistratie personen (brp) volgt dat [appellant] nooit heeft samengewoond met de moeder en de dochter. [appellant] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij, ondanks dat hij niet op hetzelfde adres in de brp is geregistreerd, heeft samengewoond met de moeder en de dochter. Uit de documenten die hij heeft opgestuurd blijkt dit namelijk niet.
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
202407418/1/A3.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 oktober 2024 in zaak nr. 23/8506 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris voor Rechtsbescherming (nu: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, hierna: de staatssecretaris).
Openbare zitting gehouden op 8 april 2026 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. D. Singh
Verschenen:
[appellant], vertegenwoordigd door mr. K. Özkök;
de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.P. Stehouwer;
[partij], vertegenwoordigd door mr. E. Yilmaz, advocaat in Rotterdam;
[appellant] en [partij] hebben samen een dochter. [appellant] heeft zijn dochter erkend en zij draagt sinds geboorte de geslachtsnaam van haar vader. [appellant] en [partij] hebben geen relatie meer. Op 15 november 2022 heeft [partij] verzocht om wijziging van de geslachtsnaam van haar dochter. De staatssecretaris heeft dit verzoek bij besluit van 18 augustus 2023 toegewezen. Bij besluit van 21 november 2023 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft eerst overwogen dat uit de basisregistratie personen (brp) volgt dat [appellant] nooit heeft samengewoond met de moeder en de dochter. [appellant] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij, ondanks dat hij niet op hetzelfde adres in de brp is geregistreerd, heeft samengewoond met de moeder en de dochter. Uit de documenten die hij heeft opgestuurd blijkt dit namelijk niet. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de staatssecretaris in strijd met de hoorplicht heeft gehandeld omdat [appellant] ten onrechte pas in het besluit op bezwaar heeft kunnen lezen wat de moeder in de bezwaarfase tijdens haar hoorzitting heeft gezegd. De staatssecretaris heeft daarmee niet zorgvuldig gehandeld. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren omdat aannemelijk is dat [appellant] hierdoor niet is benadeeld. Hij heeft namelijk in zijn beroepschrift en op de zitting bij de rechtbank zijn gronden over het standpunt van [partij] naar voren gebracht. Daarnaast kende hij de rechterlijke uitspraak die aan de orde was al omdat hij partij was in die zaak, aldus de rechtbank. Het hoger beroep richt zich tegen deze uitspraak van de rechtbank.
De Afdeling
bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.
Gronden:
1. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij niet heeft samengewoond met [partij] en hun dochter. Hij heeft samen met hen aan de Kockstraat in Den Haag gewoond en iedereen was daar van op de hoogte. Ook betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte het gebrek in het besluit op bezwaar heeft gepasseerd. Het is hem niet duidelijk wat de moeder in bezwaar heeft aangevoerd.
2. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer dan een vierde deel van de periode voorafgaand aan de verzorgingstermijn met zijn dochter en haar moeder heeft samengewoond. In de documenten die hij heeft overgelegd staat juist een ander woonadres van [appellant] vermeld. Verder is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de staatssecretaris in strijd met de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld en dit gebrek heeft mogen passeren. Omdat [appellant] in zijn beroepschrift en op de zitting bij de rechtbank zijn gronden over het standpunt van [partij] naar voren heeft kunnen brengen, is aannemelijk dat [appellant] door de schending van de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel niet is benadeeld.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Singh
griffier
990