Uitspraak BRS.26.001361 en BRS.26.001362
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1999
- Datum uitspraak
- 14 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 14 maart 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.001361 en BRS.26.001362
ECLI:NL:RVS:2026:1999
Datum uitspraak: 14 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 24 februari 2026 in zaak nr. NL24.11817 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 maart 2024 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.
Bij uitspraak van 24 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. N. Vollebergh, advocaat in Breda, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 31 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5213, onder 1, over de bevriezingsmaatregel voor derdelanders uit Oekraïne (Kamerbrief van 25 april 2024, met kenmerk 5431272) en het nemen van een terugkeerbesluit). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
1.2. Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026
985