Uitspraak BRS.26.001316 en BRS.26.001317
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1874
- Datum uitspraak
- 3 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 22 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.001316 en BRS.26.001317
ECLI:NL:RVS:2026:1874
Datum uitspraak: 3 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 maart 2026 in zaak nr. NL25.63181 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 22 december 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 12 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. van Elp, advocaat in Lelystad, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Appellant heeft ook een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van 17 oktober 2024, Ararat, ECLI:EU:C:2024:892. Dit arrest gaat over de manier waarop rekening gehouden moet worden met het beginsel van non-refoulement in het geval de gevolgen van een eerder, in het kader van een asielprocedure, vastgestelde terugkeerverplichting door een reguliere procedure zijn opgeschort. In die reguliere procedure moet dan een geactualiseerde refoulementbeoordeling gemaakt worden. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178, onder 8. In deze zaak heeft appellant een opvolgende asielaanvraag ingediend. In het besluit op deze aanvraag heeft de minister een geactualiseerde refoulementbeoordeling gemaakt. Het arrest Ararat gaat niet over deze situatie.
2.1. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C.S. Heinen, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. Heinen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026
986