Uitspraak 202407380/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:4887
- Datum uitspraak
- 3 oktober 2025
- Inhoudsindicatie
- [appellant] heeft een urgentieverklaring aangevraagd op medische gronden. Hij is dakloos en heeft na een auto-ongeluk in 2022 te kampen met medische en psychische klachten, die invloed hebben op zijn dagelijkse functioneren. Het college heeft bij besluit van 21 december 2023 de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring gehandhaafd op grond van artikel 2.10.8, eerste lid, sub b van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020. Volgens het college is de medische en psychische problematiek onvoldoende zwaarwegend en voldoet [appellant] niet aan de eis van een minimale behandelduur van zes maanden bij een psychiater of GGZ-instelling. Het college heeft geen aanleiding gezien voor toepassing van de hardheidsclausule.
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Verordeningen
Toon inhoud
202407380/1/A2.
Datum uitspraak: 3 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 oktober 2024 in zaak nr. 24/10 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college).
Openbare zitting gehouden op 3 oktober 2025 om 15:15 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad: mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: mr. S. Yildiz
Jurist: mr. M. van Duijvenbode
Verschenen:
[appellant], vertegenwoordigd door mr. S. Toughza, advocaat in Amsterdam.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank, waarbij het beroep van [appellant] tegen een besluit van het college van 21 december 2023 ongegrond is verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering
1. [appellant] heeft een urgentieverklaring aangevraagd op medische gronden. Hij is dakloos en heeft na een auto-ongeluk in 2022 te kampen met medische en psychische klachten, die invloed hebben op zijn dagelijkse functioneren.
2. Het college heeft bij besluit van 21 december 2023 de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring gehandhaafd op grond van artikel 2.10.8, eerste lid, sub b van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020. Volgens het college is de medische en psychische problematiek onvoldoende zwaarwegend en voldoet [appellant] niet aan de eis van een minimale behandelduur van zes maanden bij een psychiater of GGZ-instelling. Het college heeft geen aanleiding gezien voor toepassing van de hardheidsclausule.
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn medische noodsituatie heeft miskend. Volgens hem staat het advies van de GGD op gespannen voet met zijn overgelegde medische stukken en had het college nader onderzoek moeten doen naar zijn problematiek. Ook beroept hij zich op de hardheidsclausule.
4. In wat [appellant] in hoger beroep naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen grond om tot een ander oordeel te komen dan het oordeel van de rechtbank. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daar nog aan toe dat zij van oordeel is dat het GGD-advies, anders dan is betoogd, zorgvuldig tot stand is gekomen. De GGD-arts heeft medische informatie ingewonnen bij de behandelaars van [appellant] en deze informatie vervolgens bij haar oordeel betrokken. Zij heeft haar bevindingen op een heldere en inzichtelijke wijze uiteengezet. Niet is gebleken dat het advies onjuiste feiten bevat over de medische situatie van [appellant]. Het advies kan dan ook worden gevolgd. Het hoger beroep is ongegrond.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Yildiz
griffier
594-1081