Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202405106/1/V6

Uitspraak 202405106/1/V6

ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:1919
Datum uitspraak
30 april 2025
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 1 maart 2023 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag van [appellant] om op enige wijze zijn overkomst naar Nederland te faciliteren, afgewezen. [appellant] heeft de Afghaanse nationaliteit en verblijft in Afghanistan. Op 15 februari 2023 heeft hijde minister van Buitenlandse Zaken gevraagd om hem naar Nederland over te brengen. [appellant] stelt dat hij tussen 2006 en 2010 heeft gewerkt als bewaker van Afghan Security Guard voor de Nederlandse krijgsmacht in Kamp Khewa in Nangarhar, Afghanistan. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat [appellant] niet valt onder de bij de brief van 11 oktober 2021 getroffen speciale voorziening (Kamerstukken II 2021/22, 27 925, nr. 860; de Kamerbrief). Onder die speciale voorziening vallen twee groepen vreemdelingen. Partijen zijn het erover eens dat [appellant] niet is genomineerd door een ngo in het kader van de speciale voorziening en hij dus niet onder die groep van de speciale voorziening valt.
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202405106/1/V6.
Datum uitspraak: 30 april 2025

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 juni 2024 in zaak nr. 23/2785 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister).

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2023 (hierna: het besluit) heeft de minister een aanvraag van [appellant] om op enige wijze zijn overkomst naar Nederland te faciliteren, afgewezen.

Tegen het besluit heeft [appellant] met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij uitspraak van 18 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.M. Polman, advocaat in Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. B.S. Jaasma, advocaat in Den Haag, en mr. F. Hashi, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] heeft de Afghaanse nationaliteit en verblijft in Afghanistan. Op 15 februari 2023 heeft hij de minister gevraagd om hem naar Nederland over te brengen. [appellant] stelt dat hij tussen 2006 en 2010 heeft gewerkt als bewaker van Afghan Security Guard (hierna: ASG) voor de Nederlandse krijgsmacht in Kamp Khewa in Nangarhar, Afghanistan.

2.       De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat [appellant] niet valt onder de bij de brief van 11 oktober 2021 getroffen speciale voorziening (Kamerstukken II 2021/22, 27 925, nr. 860; hierna: de Kamerbrief). Onder die speciale voorziening vallen twee groepen vreemdelingen. Partijen zijn het erover eens dat [appellant] niet is genomineerd door een ngo in het kader van de speciale voorziening en hij dus niet onder die groep van de speciale voorziening valt. De minister heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat [appellant] ook niet onder de tweede groep valt, omdat hij niet rechtstreeks in dienst was bij het ministerie van Defensie, maar bij een onderaannemer. In het verweerschrift heeft de minister dit standpunt verlaten en zich vervolgens op het standpunt gesteld dat [appellant] niet voorkomt in de database van het ministerie van Defensie met meldingen van Nederlandse veteranen en van hulpverzoeken die uiterlijk 11 oktober 2021 zijn gedaan. De minister heeft niet beoordeeld of [appellant] daadwerkelijk als bewaker van ASG heeft gewerkt voor de Nederlandse krijgsmacht.

Termijn hulpverzoek

3.       [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij zijn hulpverzoek niet tijdig heeft gedaan.

3.1.    Uit de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3298, onder 2.1, 2.2 en 2.3, volgt dat met ‘de nu bij Defensie beschikbare data’ in de speciale voorziening, niet is bedoeld het hele archief van het ministerie van Defensie, met daarin alle voormalige ASG-medewerkers. Het gaat daarentegen om meldingen van Nederlandse veteranen en hulpverzoeken van Afghanen die tijdens of kort na de evacuatie en uiterlijk op 11 oktober 2021 zijn gedaan. Deze meldingen en hulpverzoeken zijn verzameld in een daarvoor bedoeld databestand. Alleen als iemand in dit databestand voorkomt, beoordeelt de minister of diegene aan alle inhoudelijke vereisten voldoet om voor toepassing van de speciale voorziening in aanmerking te komen. De Afdeling heeft geoordeeld dat deze afbakening, gelet op de beleidsruimte die de minister in dit geval heeft, niet onevenredig is. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2160, onder 2.2.

De door [appellant] aangehaalde brief van de minister van Defensie van 19 december 2023 (Kamerstukken II 2023/24, 27 925, nr. 961), leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan [appellant] betoogt, volgt uit die brief niet dat de speciale voorziening een open einde heeft. In die brief staat dat een aanvulling op de Tolkenregeling wordt opgesteld, waarbij wordt aangesloten bij de materiële criteria van de speciale voorziening. De aanvulling zal volgens de Tolkenregeling worden uitgevoerd, kent eveneens een open einde en is uitsluitend van toepassing op voormalige bewakers van ASG, aldus die brief. De Afdeling is van oordeel dat met het woord ‘eveneens’ is bedoeld dat de aanvulling op de Tolkenregeling een open einde heeft, net zoals de Tolkenregeling zelf, en niet dat de speciale voorziening een open einde heeft, zoals [appellant] betoogt. Zoals de rechtbank verder terecht heeft overwogen, volgt ook uit het feit dat voor de aanvulling wordt aangesloten bij de materiële criteria van de speciale voorziening, niet dat de speciale voorziening een open einde heeft.

[appellant] heeft zijn hulpverzoek gedaan op 15 februari 2023, zo’n zeventien maanden na 11 oktober 2021. In het licht daarvan heeft de rechtbank, anders dan [appellant] betoogt, terecht geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] om deze reden niet valt onder de speciale voorziening. De minister hoefde dus niet te beoordelen of [appellant] daadwerkelijk als bewaker van ASG heeft gewerkt voor de Nederlandse krijgsmacht.

3.2.    In hoger beroep heeft [appellant] een verklaring overgelegd, waarin hij schrijft dat de Taliban hem en een kennis hebben opgepakt en mishandeld. De Taliban hebben hen zeven dagen later vrijgelaten, nadat zij een geldbedrag hebben betaald. [appellant] en deze kennis zijn daarna ondergedoken, aldus deze verklaring. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, schendt de minister - ook als de Taliban dat mogelijk wel doen - niet de fundamentele rechten van personen die buiten het beleid vallen, als hij hun overkomst naar Nederland niet faciliteert. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718, onder 4.2. Hieruit volgt dat het betoog van [appellant] dat het niet gaat om algemeen, potentieel gevaar, maar om geconcretiseerd gevaar, geen aanleiding vormt om in deze zaak anders te oordelen.

3.3.    Het betoog slaagt niet.

Conclusie

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.R. van Ark, griffier.

w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Ark
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2025

861


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon