Uitspraak 202303487/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:1403
- Datum uitspraak
- 26 maart 2025
- Inhoudsindicatie
- Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 19 april 2023 van de rechtbank waarbij de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 2 maart 2022 ongegrond heeft verklaard. In dat besluit heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2021, waarbij de bedrijfsparkeervergunning is ingetrokken, ongegrond verklaard. [appellant] woont op het adres [locatie] te Amsterdam. Dit adres is gelegen in stadsdeel Nieuw-West 2b. Daar geldt een maximum van nul (bedrijfs-)parkeervergunningen per adres. Het college heeft de parkeervergunning ingetrokken omdat de Parkeerverordening 2013 (hierna: Parkeerverordening) voorschrijft dat er in dit gebied geen parkeervergunningen mogen worden verstrekt. De rechtbank heeft overwogen dat het aannemelijk is dat het college destijds foutief de parkeervergunning heeft verleend en niet, zoals [appellant] betoogt, op grond van de hardheidsclausule.
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Verordeningen
Toon inhoud
202303487/1/A3.
Datum uitspraak: 26 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 april 2023 in zaak nr. 22/1919 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Openbare zitting gehouden op 26 maart 2025 om 11:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: mr. Y. Soffner
Jurist: mr. C.E.J. van der Linden
Verschenen:
[appellant], bijgestaan door mr. B.A. Zevenbergen;
het college, vertegenwoordigd door mr. de Vries.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 19 april 2023 van de rechtbank waarbij de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 2 maart 2022 ongegrond heeft verklaard. In dat besluit heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2021, waarbij de bedrijfsparkeervergunning is ingetrokken, ongegrond verklaard.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering:
1. [appellant] woont op het adres [locatie] te Amsterdam. Dit adres is gelegen in stadsdeel Nieuw-West 2b. Daar geldt een maximum van nul (bedrijfs-)parkeervergunningen per adres. Het college heeft de parkeervergunning ingetrokken omdat de Parkeerverordening 2013 (hierna: Parkeerverordening) voorschrijft dat er in dit gebied geen parkeervergunningen mogen worden verstrekt.
2. De rechtbank heeft overwogen dat het aannemelijk is dat het college destijds foutief de parkeervergunning heeft verleend en niet, zoals [appellant] betoogt, op grond van de hardheidsclausule.
3. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college de parkeervergunning mocht intrekken, omdat [appellant] niet aan de voorwaarden van de Parkeerverordening voldoet. Het is aannemelijk dat het college destijds foutief de vergunning heeft toegekend. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan te nemen dat het college destijds de hardheidsclausule heeft toegepast omdat dat alleen gebeurt in zeer schrijnende gevallen. Zo’n geval doet zich hier niet voor. Het college mag een gemaakte fout herstellen. Hoewel de Afdeling begrijpt dat [appellant] nadelen ondervindt van de intrekking van de parkeervergunning, is dat niet voldoende om het besluit onevenwichtig te achten. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Soffner
griffier
818-1146