Uitspraak BRS.24.000151 en BRS.24.000143
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2024:4400
- Datum uitspraak
- 1 november 2024
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 30 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 15 april 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak hebben de staatssecretaris en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.G. Kleijweg, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.24.000151 en BRS.24.000143
ECLI:NL:RVS:2024:4400
Datum uitspraak: 1 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de minister van Asiel en Migratie,
2. [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 15 april 2024 in zaak nr. NL24.14134 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 30 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 15 april 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak hebben de staatssecretaris en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.G. Kleijweg, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister en de vreemdeling hebben op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Overwegingen
Hoger beroep van de minister, zaak nr. BRS.24.000151
1. Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Wat de minister in hoger beroep aanvoert, heeft hij niet aan zijn besluit ten grondslag gelegd. Ook heeft hij dat niet in reactie op het beroep bij de rechtbank aangevoerd. Dat betekent dat de minister niet uitlegt waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep van de minister is niet-ontvankelijk. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Hoger beroep van de vreemdeling, zaak nr. BRS.24.000143
3. Het hoger beroep van de vreemdeling leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
4. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie in zaak nr. BRS.24.000151 niet-ontvankelijk;
II. verklaart het hoger beroep van de vreemdeling in zaak nr. BRS.24.000143 ongegrond;
III. veroordeelt de minister tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep in zaak nr. BRS.24.000151 opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2024
962