Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202303003/1/A3

Uitspraak 202303003/1/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:2137
Datum uitspraak
22 mei 2024
Inhoudsindicatie
Bij brief van 25 mei 2022 heeft de deken van de Orde van Advocaten Gelderland gereageerd op een verzoek van [appellant] om het verzoek om vrijstelling van een betalingsverplichting door te sturen naar de Raad van Discipline. Bij besluit van 6 juli 2022 heeft de deken van de Orde van Advocaten Gelderland het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Een hoger beroep wordt ingevolge artikel 8:41, vierde, vijfde en zesde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard als betaling van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een beroepschrift is gewezen op het moeten betalen van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
  • Hoger beroep
  • Geld

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202303003/1/A3.
Datum uitspraak: 22 mei 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 maart 2023 in zaak nr. 22/3960 in het geding tussen:

[appellant]

en

de deken van de Orde van Advocaten Gelderland.

Procesverloop

Bij brief van 25 mei 2022 heeft de deken gereageerd op een verzoek van [appellant] om het verzoek om vrijstelling van een betalingsverplichting door te sturen naar de Raad van Discipline.

Bij besluit van 6 juli 2022 heeft de deken het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 20 maart 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2024, waar [appellant] en de deken, vertegenwoordigd door mr. A.C. Rubens, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       De bepalingen van de Awb die in deze zaak van toepassing zijn luiden:

Artikel 8:41, eerste lid: "Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven."

Artikel 8:41, vierde lid: "De griffier deelt de indiener van het beroepschrift mede welk griffierecht is verschuldigd en wijst hem daarbij op het bepaalde in het vijfde en zesde lid."

Artikel 8:41, vijfde lid: "Het griffierecht dient binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort."

Artikel 8:41, zesde lid: "Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest."

Artikel 8:108, eerste lid: "Voor zover in deze titel niet anders is bepaald, zijn op het hoger beroep de titels 8.1 tot en met 8.3 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1 tot en met 8:10, 8:41, tweede lid, en 8:74."

2.       Een hoger beroep wordt ingevolge artikel 8:41, vierde, vijfde en zesde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard als betaling van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een beroepschrift is gewezen op het moeten betalen van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.       [appellant] moet voor het door hem ingestelde hoger beroep griffierecht betalen. [appellant] heeft in zijn hoger beroepschrift gesteld niet in staat te zijn om het verschuldigde griffierecht te betalen. Bij brief van 22 juni 2023 heeft de griffier aan [appellant] meegedeeld dat hij kenbaar heeft gemaakt niet in staat te zijn het griffierecht te betalen en dat naar aanleiding daarvan de raad voor rechtsbijstand een inkomensverklaring heeft afgegeven. Bij de brief is ook een verklaring omtrent vermogen gevoegd. [appellant] is verzocht om dit formulier volledig ingevuld en ondertekend op uiterlijk 6 juli 2023 te retourneren. Daarbij is vermeld dat wanneer [appellant] niet aan dit verzoek voldoet, het beroep op betalingsonmacht niet inhoudelijk wordt beoordeeld en over zal worden gegaan tot het heffen van het griffierecht. [appellant] heeft het formulier niet aan de Afdeling toegezonden. Gelet daarop is aan [appellant] bij brief van 26 juli 2023 meegedeeld dat zijn beroep op betalingsonmacht niet inhoudelijk zal worden behandeld en dat er zal worden overgegaan tot het heffen van het griffierecht. Bij afzonderlijk aangetekend verzonden brief van 26 juli 2023 is [appellant] tot uiterlijk 23 augustus 2023 in de gelegenheid gesteld om het griffierecht te betalen. Nadat is gebleken dat [appellant] het griffierecht niet heeft betaald, is aan [appellant] bij aangetekend verzonden brief van

24 november 2023 medegedeeld dat het te betalen griffierecht uiterlijk op 22 december 2023 moet zijn betaald. Ook is vermeld dat, als het te betalen griffierecht niet op de vermelde datum is ontvangen, [appellant] ervan moet uitgaan dat alleen al daarom niet-ontvankelijkverklaring zal volgen en dat zijn zaak dan niet inhoudelijk wordt behandeld.

Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn betaald. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellant] in verzuim is geweest.

4.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

5.       De deken hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.

w.g. Den Ouden
voorzitter

w.g. Renkema
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2024

1071


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon