Uitspraak 200301000/4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:190
- Datum uitspraak
- 20 mei 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 19 juni 2002 heeft verweerder aan verzoekster krachtens artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht lasten onder dwangsom opgelegd ter zake van het zonder vergunning krachtens de Wet milieubeheer oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het opbrengen en ontwateren en omzetten van aardappelwaswatergrond op het perceel Rozenstraat ongenummerd te Baak, kadastraal bekend gemeente Steenbergen, sectie P, nummer 920. De dwangsom is vastgesteld op onder meer € 5.000,00, met een maximum van € 130.000,00, voor elke week dat verzoekster materiaal aanvoert of andere activiteiten op de inrichting uitvoert, of laat uitvoeren, behoudens activiteiten ten behoeve van het in de oorspronkelijke staat terugbrengen van het perceel of het uitvoeren van een bodemonderzoek.
- Voorlopige voorziening
- Milieu - Overige
Toon inhoud
200301000/4.
Datum uitspraak: 20 mei 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Aviko B.V.", gevestigd te Steenderen,
verzoekster,
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 juni 2002 heeft verweerder aan verzoekster krachtens artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht lasten onder dwangsom opgelegd ter zake van het zonder vergunning krachtens de Wet milieubeheer oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het opbrengen en ontwateren en omzetten van aardappelwaswatergrond op het perceel Rozenstraat ongenummerd te Baak, kadastraal bekend gemeente Steenbergen, sectie P, nummer 920. De dwangsom is vastgesteld op onder meer € 5.000,00, met een maximum van € 130.000,00, voor elke week dat verzoekster materiaal aanvoert of andere activiteiten op de inrichting uitvoert, of laat uitvoeren, behoudens activiteiten ten behoeve van het in de oorspronkelijke staat terugbrengen van het perceel of het uitvoeren van een bodemonderzoek.
Bij besluit van 17 december 2002, verzonden op 7 januari 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder de begunstigingstermijn voor het (laten) staken van de aanvoer van het materiaal en de verdere activiteiten op bovengenoemd perceel vastgesteld op twee weken na het in werking treden van het besluit.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 17 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2003, beroep ingesteld.
Bij brief van 21 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 maart 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 mei 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. T.W.M. Bot, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Verweerder heeft tijdens diverse controlebezoeken geconstateerd dat er inname en ontwatering van zogenoemde tarragrond, bestaande uit aanhangende grond afkomstig van aardappels, waswater en enkele aardappels, plaatsvindt op bovengenoemd terrein aan de Rozenstraat. Deze tarragrond is afkomstig van het bedrijf van verzoekster. Naar de mening van verweerder dient deze grond te worden aangemerkt als een bedrijfsafvalstof. Nu het ontwateren van de tarragrond en het brengen van deze grond op de bodem om het daar te laten een bedrijfsmatige activiteit betreft in opdracht van verzoekster (het gaat om 13.000 ton op jaarbasis), is hier volgens verweerder sprake van een inrichting die valt onder categorie 28.4, aanhef en onder c, 1o, en onder f, van Bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: Ivb). Verzoekster heeft, door niet over een krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleende vergunning voor het ontwateren en storten van afvalstoffen te beschikken, in strijd met deze bepaling gehandeld, aldus verweerder. Om een einde te maken aan de overtreding heeft verweerder bij besluit van 19 juni 2002, gehandhaafd bij het bestreden besluit, lasten onder dwangsom opgelegd.
2.3. Verzoekster bestrijdt dat de uit haar bedrijf afkomstige tarragrond moet worden aangemerkt als een bedrijfsafvalstof. Zij voert hiertoe diverse argumenten aan. Onder meer betoogt zij dat de tarragrond, die dient ter ophoging en structuurverbetering van agrarische percelen, een aan een grondstof gelijkwaardige stof is die dezelfde kenmerken als die grondstof bezit en kan worden gebruikt wanneer dezelfde voorzorgsmaatregelen voor het milieu worden getroffen.
Zo al moet worden aangenomen dat sprake is van een afvalstof, kan volgens verzoekster niet worden gesteld dat een bewerking van deze stof (in dit geval ontwatering) heeft plaatsgevonden. Naar haar mening vallen de activiteiten die in haar opdracht op het perceel aan de Rozenstraat worden verricht, niet onder categorie 28.4 van Bijlage I van het Ivb, in welk geval verweerder ingevolge artikel 3.1 van het Ivb bevoegd is te beslissen op een aanvraag om vergunning.
Voorzover moet worden geoordeeld dat verweerder in dit geval wel bevoegd was tot het opleggen van een last onder dwangsom, stelt verzoekster dat hij van deze bevoegdheid niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken. In dit verband betoogt zij dat zowel het onmiddellijk uitrijden van tarragrond op landbouwpercelen, als het storten van deze stof in een depot reeds veertig jaar plaatsvindt en dat verweerder hiertegen nooit heeft opgetreden. Voorts is het volgens verzoekster onmogelijk deze praktijk op korte termijn te veranderen en heeft haar bedrijf geen ruimte om de tarragrond tijdelijk in haar bedrijf op te slaan.
2.4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken.
Na ontvangst en een eventuele voorsortering in het aardappelverwerkende bedrijf van verzoekster worden de aardappelen, afkomstig van diverse boeren, gelost in een transportgoot met voorbehandeld (schoon) grondwater waar zij worden ontdaan van aanhangend zand of klei. Uit het waswater worden vervolgens eventueel loof en stenen weggevangen. Het resterende waswater met daarin de zwevende zand- en kleideeltjes komt terecht in zandvangers waarin de zogenoemde tarragrond bezinkt en het waswater aan de bovenzijde wegvloeit. Tweemaal per week wordt de in de zandvangers verzamelde natte tarragrond uitgenomen en gebracht naar het perceel aan de Rozenstraat, alwaar het op een speciaal daarvoor ingerichte plaats tijdelijk wordt opgeslagen en van daaruit, op een geschikt moment in het teeltplan, wordt uitgereden over een bepaald vak in het perceel. Afhankelijk van het vochtpercentage van de tarragrond en van de neerslag zakt het water van de, tijdelijk opgeslagen grond in de bodem of stroomt het af, hetgeen door greppels rondom de opslagplaats moet worden tegengegaan. Niet als zodanig wordt bestreden de stelling van verzoekster dat de samenstelling van de grond door de ontwatering, die tijdens de opslagperiode optreedt onder invloed van de zon, wind en zwaartekracht, niet verandert. Voorts is niet in geding dat de tarragrond verontreinigd kan zijn met restanten van persistente bestrijdingsmiddelen, zoals DDT en dieldrin, die in het verleden op veel Nederlandse akkerbouwgronden werden gebruikt, alsmede met gehaltes arceen en zink (natuurlijke achtergrondwaarden). Niet kan worden uitgesloten dat het landbouwperceel aan de Rozenstraat, waarop de tarragrond wordt uitgereden, deze verontreinigingen eveneens bevat.
De Voorzitter acht het aangewezen dat de vraag of verweerder onder deze omstandigheden, in het licht van hetgeen het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 15 juni 2000 in de gevoegde zaken C-418/97 en C-419/97 (AB 2000, 311) voor recht heeft verklaard, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de tarragrond, afkomstig van het bedrijf van verzoekster, moet worden aangemerkt als afvalstof, in het geding in de bodemprocedure wordt beoordeeld. Hetzelfde geldt voor de (daarmee samenhangende) vragen - voorzover al moet worden aangenomen dat de onderhavige tarragrond het karakter van een afvalstof had op het moment dat het tijdelijk werd opgeslagen - of gelet op categorie 28.1, aanhef en sub b in samenhang bezien met categorie 28.4, aanhef en onder c, 1o van Bijlage I van het Ivb, sprake is van een inrichting voor het bewerken (in dit geval ontwateren) van bedrijfsafvalstoffen, en of categorie 28.3, aanhef en onder c, van Bijlage I van het Ivb hier van toepassing is. Deze vragen, die ook betrekking hebben op de vaststelling van de bevoegdheid van verweerder tot het opleggen van de lasten onder dwangsom, behoeven nader onderzoek naar de feiten waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent.
In hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht, waaronder met name het feit dat het storten in een depot en het uitrijden van de tarragrond reeds geruime tijd plaatsvinden, dat verweerder voor dergelijke activiteiten in het verleden op basis van de Verordening bedrijfafvalstoffen Gelderland steeds ontheffing heeft verleend, dat verweerder ermee bekend is dat verzoekster de tarragrond laat bemonsteren en analyseren en dat hij jarenlang van deze onderzoeksresultaten op de hoogte is gebracht, ziet de Voorzitter na afweging van de betrokken belangen aanleiding om in afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure, mede in aanmerking genomen dat verweerder desgevraagd ter zitting te kennen heeft gegeven hiertegen geen bezwaar te hebben, de na te melden voorlopige voorziening te treffen. Daarbij heeft de Voorzitter tevens van belang geacht dat blijkens het verhandelde ter zitting op dit moment interprovinciaal overleg, onder regie van de Ministeries van VROM en LNV, gaande is over de problematiek inzake de toepassing van tarragrond in de landbouw.
De Voorzitter zal, voorzover mogelijk, de behandeling van het geding in de bodemprocedure bespoedigen.
2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 19 juni 2002 en van 17 december 2002;
II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan verzoekster;
III. gelast dat de provincie Gelderland aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Toorenburg-Bovenkerk
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2003
334.