Uitspraak 200510494/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:AX7722
- Datum uitspraak
- 30 mei 2006
- Inhoudsindicatie
- Bij brief van 28 september 2001 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) aan [partij] meegedeeld dat hij niet zal adviseren dat een machtiging tot voorlopig verblijf aan appellante kan worden verleend.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
200510494/1.
Datum uitspraak: 30 mei 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling], mede ten behoeve van haar minderjarige kinderen,
appellante
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/15340 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 5 december 2005 in het geding tussen:
appellante
en
de Minister van Buitenlandse Zaken.
1. Procesverloop
Bij brief van 28 september 2001 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) aan [partij] meegedeeld dat hij niet zal adviseren dat een machtiging tot voorlopig verblijf aan appellante kan worden verleend.
Bij besluit van 25 juli 2002 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 november 2003 heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, voor zover thans van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen opnieuw op het gemaakte bezwaar te beslissen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Bij besluit van 6 februari 2004 heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 4 januari 2005 heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, voor zover thans van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen opnieuw op het gemaakte bezwaar te beslissen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Bij besluit van 11 maart 2005 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 5 december 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 december 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 10 januari 2006 heeft de minister een reactie ingediend.
Bij brieven van 16 januari en 6 april 2006 heeft appellante nadere memories ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt.
2.1.1. Eerder heeft de Afdeling ten aanzien van een advies van de minister om geen machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, overwogen (uitspraak van 12 januari 2004 in zaak no. 200306128/1; www.raadvanstate.nl en JV 2004/82) dat dit geen besluit is, waartegen ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bezwaar kan worden gemaakt. Evenzeer eerder heeft de Afdeling overwogen (onder meer uitspraak van 3 februari 2005 in zaak no. 200406070/1, JV 2005/131) dat aan de rechtszekerheid die is gediend met eerbiediging van de oordelen, vervat in een kracht van gewijsde verkregen hebbende rechterlijke uitspraak meer gewicht dient te worden gehecht, dan aan de toepassing van de hangende de beoordeling in rechte van het hernieuwde besluit gewijzigde rechtspraak inzake het karakter van zodanig advies. De minister heeft appellante derhalve terecht in het bezwaar ontvankelijk geacht.
2.2. In grief 1 klaagt appellante dat de rechtbank heeft miskend dat de minister haar ten onrechte niet over het resultaat van zijn raadpleging van het BIG-register naar aanleiding van de door haar overgelegde verklaring van de medisch adviseur heeft gehoord, nu dit voor de op het door haar gemaakte bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang was.
2.2.1. De grief faalt. Artikel 7:9 van de Awb strekt er toe dat belanghebbenden over voor hen niet kenbare feiten en omstandigheden die na het horen bij het bestuursorgaan bekend zijn geworden en die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang zijn worden gehoord. Nu het hier ging om de raadpleging van een openbaar register en het resultaat daarvan aan appellante bekend was, althans kon zijn, heeft de minister appellante niet over het resultaat van die raadpleging hoeven horen.
2.3. In grief 2 klaagt appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, het inzake gezinshereniging gevoerde beleid, zoals vermeld in paragraaf B2/4.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), volgens hetwelk de hoofdpersoon dient aan te tonen dat hij blijvend en volledig arbeidsongeschikt is om voor vrijstelling van het zogenoemde middelenvereiste in aanmerking te komen, in de uitspraak van 28 november 2003 niet kennelijk onredelijk heeft geacht en zij daarom thans geen oordeel hoeft te geven over hetgeen appellante in dit verband in beroep heeft aangevoerd.
2.3.1. Deze grief slaagt. De uitspraak van 28 november 2003 heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het volgens voormelde paragraaf van de Vc 2000 gevoerde beleid. De rechtbank heeft de door appellante in beroep tegen de beslissing op bezwaar van 11 maart 2005 aangevoerde klacht dat dit beleid kennelijk onredelijk is, voor zover volgens dat beleid een verklaring van de GG&GD, dan wel een bedrijfsarts of verzekeringsarts, wordt geëist, ten onrechte niet onderzocht.
2.4. In grief 3 klaagt appellante onder meer dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan haar betoog dat de minister, door zich bij de toetsing aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) te beperken tot de vraag of sprake is van een objectieve belemmering voor het gezinsleven in een derde land, heeft miskend dat deze vraag volgens de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 5 september 2005 inzake Solomon slechts één van de elementen is van de beoordeling of sprake is van een uit die verdragsbepaling voortvloeiende positieve verplichting om verblijf in Nederland toe te staan.
2.4.1. Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De minister heeft blijkens het besluit van 11 maart 2005 bij de beoordeling van de vraag of uit artikel 8 van het EVRM een positieve verplichting voortvloeit om appellante verblijf in Nederland toe te staan tevens onderzocht of sprake is van bijzondere omstandigheden en daarbij onder meer aandacht besteed aan de mate waarin appellante, haar echtgenoot en de overige gezinsleden van elkaar afhankelijk zijn. De minister heeft zich derhalve niet beperkt tot de beoordeling van de vraag of sprake is van een objectieve belemmering voor het gezinsleven in een derde land.
2.4.2. Voorts klaagt appellante in deze grief dat de rechtbank heeft miskend dat, nu zij aannemelijk heeft gemaakt dat haar echtgenoot aan een posttraumatische stress stoornis (ptss) lijdt, waarvoor hij in Nederland wordt behandeld, maar in Pakistan noch in Iran behandeld kan worden, de minister ten onrechte geen objectieve belemmering voor het gezinsleven in één van beide landen heeft aangenomen.
2.4.3. Volgens het gevoerde beleid, zoals vermeld in paragraaf B2/13.2.3.4 van de Vc 2000, wordt, indien het gezinsleven niet in het land van herkomst, maar mogelijk wel in een derde land kan plaatsvinden, terwijl de hoofdpersoon en de gezinsleden geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de feitelijke mogelijkheden van toegang en toelating van het gezin tot dat land, voorshands geen objectieve belemmering in evenbedoelde zin aangenomen.
2.4.4. In het bij de rechtbank bestreden besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de enkele omstandigheid dat de echtgenoot van appellante Nederlander is, onvoldoende is om aan te nemen dat hij niet tot Pakistan of Iran zal worden toegelaten en dat, nu niet is gebleken dat appellante, haar echtgenoot en de overige gezinsleden hebben getracht toelating in Pakistan of Iran te verkrijgen, de echtgenoot zijn gezin een aantal malen voor een periode van minimaal twee maanden in Iran heeft bezocht en financiële problemen bij verblijf in Pakistan op zichzelf onvoldoende grond vormen om dat aan te nemen, niet is gebleken van een objectieve belemmering voor het gezinsleven in een van deze landen. Nu de minister aldus niet is ingegaan op de stelling van appellante dat behandeling van de ptss, waaraan haar echtgenoot, naar gesteld, lijdt, in Pakistan, noch in Iran mogelijk is, is niet duidelijk, of en op welke wijze de minister deze stelling heeft betrokken bij zijn oordeel dat niet is gebleken van een objectieve belemmering voor het gezinsleven in één van beide landen. Nu voorts niet op voorhand is uitgesloten dat deze stelling aan dat oordeel zou kunnen afdoen, is dat besluit aldus onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.
De grief slaagt in zoverre.
2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4.4. is overwogen, het beroep tegen het besluit van 11 maart 2005 gegrond verklaren. Dit besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.
2.6. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 5 december 2005 in zaak no. AWB 05/15340;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 maart 2005, kenmerk 9605-03-4049;
V. veroordeelt de Minister van Buitenlandse Zaken tot vergoeding van de bij appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Buitenlandse Zaken) aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
VI. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Buitenlandse Zaken) aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 207,00 (zegge: tweehonderdzeven euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb
Voorzitter
w.g. Zwinkels
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2006
398/309-491