Uitspraak 200602223/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:AY7690
- Datum uitspraak
- 30 augustus 2006
- Inhoudsindicatie
- Bij brief van 6 april 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) naar aanleiding van een voor appellant door [de moeder] ingediend formulier M35-K medegedeeld dat aan appellant geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend. Deze brief is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200602223/1.
Datum uitspraak: 30 augustus 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/17026 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 16 februari 2006 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij brief van 6 april 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) naar aanleiding van een voor appellant door [de moeder] ingediend formulier M35-K medegedeeld dat aan appellant geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend. Deze brief is aangehecht.
Bij uitspraak van 16 februari 2006, verzonden op 22 februari 2006, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 maart 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 3 april 2006 heeft de minister een reactie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juli 2006, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te ’s-Gravenhage, is verschenen. Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.
2.2. Bij besluit van 19 juni 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de moeder om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
[geboortedatum] 2003 is de moeder in Nederland bevallen van appellant. Op 21 januari 2004 heeft de moeder een formulier M35-K ondertekend, waarin zij vraagt de voor haar lopende asielaanvraag tevens geldig te verklaren voor appellant.
Bij uitspraak van 10 februari 2004 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, het tegen het besluit van 19 juni 2002 door de moeder ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 juni 2004 heeft de Afdeling het daartegen door de moeder ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en die uitspraak bevestigd.
2.3. In onderdeel C1/4.6.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 wordt, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:
"Met het ondertekenen van de aanvraag (model M35-K) wordt de asielaanvraag van de ouder tevens geldig verklaard voor het in Nederland geboren kind. Dit heeft tot gevolg dat de procedure van de ouder mede gevoerd wordt ten behoeve van het in Nederland geboren kind."
2.4. Ter zitting heeft de minister de strekking van voormeld beleid als volgt toegelicht. Indien een formulier M35-K wordt ingediend voordat een besluit op een aanvraag van de ouder tot verlening van een verblijfsvergunning asiel is genomen, heeft dit besluit mede betrekking op het na de aanvraag in Nederland geboren kind. Het indienen van een formulier M35-K nadat een dergelijk besluit is genomen en voordat dit onherroepelijk is geworden kan volgens de minister voorts tot gevolg hebben dat het besluit ten aanzien van de ouder geacht wordt mede ten aanzien van het kind te zijn genomen, indien de geboorte van het kind in de procedure in rechte is betrokken.
2.5. De Afdeling is van oordeel dat de kring van personen waarop een aanvraag om verlening van een asielvergunning betrekking heeft, niet na het nemen van een beslissing daarop kan worden uitgebreid. Indiening van een formulier M35-K na het nemen van een besluit ten aanzien van de ouder kan er derhalve niet toe leiden dat dat besluit mede betrekking heeft op het in dat formulier genoemde kind. Over verblijfsrechten van een na het besluit geboren kind zal slechts op grond van een daartoe strekkende afzonderlijke aanvraag beslist kunnen worden.
2.6. Het voor appellant ingediende formulier M35-K is niet als een zodanige aanvraag aan te merken, zodat de reactie van de minister daarop in de brief van 6 april 2005 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is, waartegen ingevolge artikel 79, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 80 van de Vreemdelingenwet 2000 beroep kon worden ingesteld. De rechtbank heeft dit miskend.
2.7. Het hoger beroep van appellant is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De grieven behoeven geen bespreking. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, de rechtbank onbevoegd verklaren om van het beroep kennis te nemen.
2.8. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen van 16 februari 2006 in zaak no. AWB 05/17026;
III. verklaart de rechtbank onbevoegd om van het beroep kennis te nemen;
IV. veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin
Voorzitter
w.g. Van der Winden
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2006
348-486.
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak